Gastcollege gehouden door staatssecretaris Jan Kees de Jager op 14 april 2008 te Tilburg.

I: Probleemverkenning

De Successiewet zoals we die nu kennen, is 150 jaar oud. Sindsdien is hij voortdurend vertimmerd en opgelapt.

Als ik de Successiewet vergelijk met een gebouw, dan is het, wat leeftijd betreft in ieder geval, een monument. De meningen over of het een mooi monument is, zijn verdeeld. Maar, geef toe, schoonheid is subjectief.

Sommige mensen zouden het willen slopen. Omdat het lelijk is en in de weg staat.

Anderen hebben wel waardering voor het gebouw en zien het nut ervan in.

Maar het dak lekt.
De voorzieningen zijn verouderd, waardoor het zijn functie niet meer goed vervult.
Er zitten scheuren in de muren.
Als je er naar binnen gaat, verdwaal je in een onoverzichtelijk stelsel van kamers, gangen en trappenhuizen.
Er is nauwelijks onderhoud gepleegd.

Geen wonder dat de meeste mensen er niet graag komen.

Een ding is wel zeker: het is een monument dat dringend aan restauratie toe is. Als we dat niet zouden doen, stort het over een jaar of tien in. En zitten we met de brokken.

Zo is de Successiewet zoals we hem nu kennen eraan toe.

Er is weinig draagvlak. De opbrengst staat onder druk, doordat handige lieden die een adviseur kunnen betalen, de wet omzeilen met allerhande constructies. Daardoor draait de gewone burger op voor het successierecht. En die verdwaalt vervolgens in de ingewikkeldheid van de tarieven en de voor de leek onlogische opzet.
De wet is onbegrepen, niet geliefd en het beeld blijft achter dat de wet onrechtvaardig is.

Ik wil vanavond graag met u bespreken wat er volgens mij mis is met de huidige Successiewet en wat daaraan moet gebeuren.

En ook wat er niet mis is met de Successiewet.

Laat ik daar eens mee beginnen. Want voor mij is het beginpunt dat we een vorm van successiebelasting niet kunnen afschaffen.

De Successiewet levert op jaarbasis 2 miljard euro op. Als je een solide overheidsbeleid wilt voeren, dan zijn alleen aanpassingen mogelijk waarvoor dekking aanwezig is. Welnu: mijn ruimte in de begroting is nul euro. De lasten en uitgaven van het kabinet liggen voor vier jaar vast. Dat is dus een uitgangspunt.

Een tweede punt is dat de Successiewet economisch minder verstorend werkt dan heffingen op inkomsten uit arbeid, winst en omzet.

Ik ben ook niet onder de indruk van de argumenten dat het heffen van successierechten immoreel zou zijn. Een veelgehoord argument is bijvoorbeeld: dat is geld waarover al ooit eerder belasting is geheven.

Maar wie betaalt nu het successierecht? Dat is degene die het geld ontvangt, de verkrijger. Ik bekijk de heffing dus vanuit de begunstigde en niet vanuit degene die overlijdt.
Er wordt vaak gezegd dat over de erfenis al belasting is betaald door de overledene. Dat is naar mijn mening geen goed argument: het is nu juist de verkrijger die belasting betaalt.

Als je veel verdient, betaal je ook belasting over je inkomen. Jouw draagkracht laat dat immers toe. En als je vermogen erft, waarvoor je in feite niets hebt hoeven doen, neemt je draagkracht ook toe. Dan is het helemaal niet onredelijk om daarover belasting te betalen. Het heffen van Successierecht is dus op zichzelf niet onrechtvaardig.

Wat is er dan wel mis?

Dat is de manier waarop het gebouw van de Successiewet er nu bijstaat.

Lekkende daken, een onpraktische architectuur, lage bezoekersaantallen.

Oftewel: er lekt teveel opbrengst weg doordat handige mensen met veel kapitaal constructies kunnen inzetten om de wet te omzeilen. De wet is ingewikkeld opgezet met veel tariefgroepen en is op onderdelen complex. En hij kent een logica die ingaat tegen wat de burger als logisch ervaart, oftewel, hij sluit slecht aan bij de economische werkelijkheid.

Ik zie vijf punten waaraan echt iets schort en waar werk aan de winkel is. Dat zijn de constructies, de aansluiting bij de economische werkelijkheid, de hoogte van de tarieven, vereenvoudiging en het draagvlak.

Ik loop het lijstje even na:

1. De Constructies.
Een route via de Kanaaleilanden of Liechtenstein bewandelt Jan Modaal niet. Constructies zijn vooral weggelegd voor de rijken, miljonairs die zich een financieel adviseur kunnen veroorloven.
De staat loopt jaarlijks grote inkomsten mis, omdat allerlei constructies mogelijk zijn waardoor men de successierechten kan ontlopen. Bijvoorbeeld constructies met allerlei buitenlandse rechtsfiguren, zoals trusts.

Er zijn allerhande trucjes mogelijk waardoor de erfgenamen nog wel de erfenis krijgen, maar minder belasting hoeven te betalen. Wat je ook ziet is dat die mensen graag spelen met het leveringsmoment van de eigen woning. Of mensen proberen in de familiesfeer handig gebruik te maken van levensverzekeringen.

Een voorbeeld: vader, moeder, twee kinderen. Vader overlijdt. De kinderen zijn erfgenaam, maar de goederen gaan over op de moeder. De kinderen hebben dus een vordering op hun moeder. Maar ze krijgen niets. Op die vordering wordt wel tot 15% rente gezet. Door zo te spelen met de rente, probeert men de nalatenschap van de langstlevende uit te hollen. Na overlijden van moeder zou je in feite niets meer kunnen heffen. Sterker nog: haar vermogen is door de ‘ papieren’ rente negatief geworden! Dit is natuurlijk niet de bedoeling.
Die constructies geven dus problemen.

2. De aansluiting bij de economische werkelijkheid.
In het Burgerlijk Wetboek staat sinds 2003 dat de goederen naar de langstlevende gaan en dat de kinderen slechts een niet-opeisbare vordering krijgen op de langstlevende. Toch moeten de kinderen direct successieheffing betalen terwijl de economische werkelijkheid is dat ze niets in handen krijgen. Dit stuit op veel onbegrip bij de burger; de Belastingdienst krijgt daar wekelijks telefoontjes over. De slechte aansluiting bij de economische werkelijkheid en de fixatie op de juridische logica leidt tot veel onbegrip en weerstand. Ik kom hier later vanavond op terug.

3. De tarieven.
Onze hoogste tarieven zijn te hoog. Zeker als ik ze vergelijk met de tarieven in de inkomstenbelasting. Die moeten dus omlaag. Als iedereen netjes meebetaalt, kunnen de tarieven ook omlaag. Het maatschappelijk draagvlak hangt sterk samen met de hoogte van de tarieven. Die lagere tarieven wil ik bereiken door grondslagverbreding. Dat wil zeggen: als meer mensen betalen, kan iedereen wat minder betalen. Een grondslagverbreding waardoor de rijken niet meer hun heffing kunnen ontgaan door bijvoorbeeld emigratie of kapitaalvlucht.

Maar tariefsverlaging is niet voldoende, ik vind dat we verder moeten gaan.
Daarmee kom ik bij uitdaging nummer vier:

4. Vereenvoudiging
De modernisering moet niet alleen leiden tot lagere tarieven, maar ook tot een betere wet. De wet is nu zo ingewikkeld dat deze eigenlijk alleen voor professionals te begrijpen is. Ik ben van plan de veelal oude wetgeving op te frissen en aan te passen aan deze tijd. Maar daarnaast kan de wet op onderdelen ook écht anders en daarmee eenvoudiger worden. Door de wet te vereenvoudigen kan ook worden bereikt dat de constructiegevoeligheid vermindert. De huidige ingewikkelde tariefstructuur met sterke progressie zou bijvoorbeeld vereenvoudigd kunnen worden. Met een dergelijke maatregel kan estateplanning oninteressant worden. Ik kom hier vanavond nog op terug.

5. Draagvlak
Tenslotte het vijfde punt, het draagvlak.
Een belasting op schenken en erven kan ik niet mooier maken dan het is. Er is nu een situatie ontstaan waarin de successiewet steeds meer wordt ontweken door trucs toe te passen. De fiscale werkelijkheid en de economische realiteit lopen te ver uiteen. Dit is slecht voor het maatschappelijk draagvlak.
Ik zal er in ieder geval naar streven om met begrijpelijker nieuwe wetgeving te komen waarbij de belasting ‘eerlijk‘ over verkrijgers wordt verdeeld. Juist omdat je bij overlijden – in een doorgaans emotionele periode – wordt geconfronteerd met deze belasting, is het des te belangrijker dat er een wet komt die geen onnodige overlast veroorzaakt. Het moet dus makkelijk en logisch zijn.

Dames en heren,

In de zomer van 2007 heb ik aangekondigd dat ik de Successiewet wil herzien. Ik heb ook ervaren dat daarvoor brede steun bestaat. Dat bleek concreet uit kamervragen in de Eerste Kamer. Ook maatschappelijk is er veel steun voor.

Ik schuif het niet op de lange baan. Waar ik direct iets kan verbeteren, doe ik dat.
In oktober 2007 heb ik in een beleidsbesluit de bedrijfsopvolging in de Successiewet versoepeld en verduidelijkt, vooral in holdingssituaties.

Maar de grote herziening komt er ook aan. De eerste stap zetten we nu.

In de voorbije jaren hebben we de Inkomstenbelasting en de Vennootschapsbelasting gemoderniseerd. Nu is het tijd om ook de Successiewet aan te passen aan de eisen van de tijd. Ik zie dat als het sluitstuk van die grotere moderniseringsoperatie.

Ik heb die herziening eerder aangekondigd bij een internationale vergelijking die mijn ministerie heeft laten doen naar het successierecht.

Als je één ding kon concluderen uit dat onderzoek, is het dat je pas conclusies kunt trekken uit een internationale vergelijking als je de integrale belastingheffing en praktijk van die landen meeweegt. Je moet het functioneren van de successiebelasting zien in relatie tot het hele belastingsysteem.

We gaan dus aan de slag. Ik weet wat ik wil: ik moet de opbrengst in stand houden, het misbruik aanpakken, lagere tarieven, en een eenvoudigere wet. Door constructies te bestrijden, kun je de grondslag verbreden. Als iedereen netjes meebetaalt, zodat niet alles op het bordje van de gewone belastingbetaler belandt, kunnen de tarieven omlaag. En dan is het ook minder nodig om de belastingen te vermijden. Een bijzonder punt is de bedrijfsopvolging. Dat moet fiscaal eenvoudiger, zodat de opvolging binnen een familiebedrijf minder administratieve rompslomp met zich meebrengt.

Maar ik heb nog geen gedetailleerde bouwtekening. Daaraan ga ik werken. Graag in samenwerking met u en in debat met de Kamer.

Ik heb aangekondigd dat ik de komende tijd in discussie wil met studenten, wetenschappers, notarissen en andere juristen en de Tweede Kamer om de plannen uit te werken.

Vanavond, in deze bijeenkomst, start ik daarmee. Ik hoop na afloop van mijn verhaal met u een interessante discussie te kunnen voeren over de mogelijkheden die ons ter beschikking staan om tot een vernieuwde Successiewet te komen.

Elke grote reis begint met een eerste stap. Laten we die nu maar eens zetten. Ik wil graag met u een aantal denkrichtingen verkennen. Kijken welke realistische en begaanbare routes we tot onze beschikking hebben.

II: Oplossingsmogelijkheden

Ik wil met u de zeven mijlslaarzen eens aantrekken en een aantal thema’s langslopen. Die geven met elkaar een goede indruk van de onderwerpen die we aan de orde krijgen als we met de Successiewet aan de slag gaan.

Ik wil een viertal onderwerpen graag behandelen:
1. Defiscalisering van vorderingen en rente
2. Constructies
3. Internationale aspecten
4. Bedrijfsopvolging

Het eerste onderwerp:

1. Defiscalisering van vorderingen en rente

Wat bedoel ik hiermee?
Als een van de ouders overlijdt, krijgen kinderen hun erfdeel vaak niet uitgekeerd, maar ontvangen zij een vordering op de langstlevende ouder.

Zulke vorderingen kunnen de kinderen doorgaans pas opeisen bij het overlijden van de langstlevende ouder. Civielrechtelijk is dit een normaal gebeuren. Het is ook het stelsel van het wettelijk erfrecht. Men noemt dit ook wel “papieren vorderingen”.

Voor die aanduiding is economisch gezien wel wat te zeggen. Maar papier of niet: die vorderingen hebben momenteel fiscale gevolgen waarvan je je kunt afvragen of ze wel wenselijk zijn.

Er zitten verschillende problemen in, zowel voor de nabestaanden als voor de fiscus.

Wat is er vervelend voor de nabestaanden?
Kinderen die een vordering krijgen die pas opeisbaar is bij het overlijden van de debiteur, doorgaans moeder, hebben daar op dat moment niets aan. Verder moeten ze maar afwachten of er bij het overlijden van de langstlevende ouder genoeg vermogen over is om de schulden aan de kinderen te voldoen.

Toch heffen we nu over die vordering van de kinderen wel meteen belasting bij de kinderen. Je kunt je afvragen of dat wel redelijk is en of dat wel aansluit bij de economische realiteit. Voor hun gevoel erft de langstlevende alles, omdat zij alle goederen verkrijgt. De langstlevende op haar beurt mag vervolgens wel een schuld op haar verkrijging in mindering brengen. Maar zolang ze leeft levert die schuld haar geen last op omdat die schuld pas bij haar overlijden opeisbaar wordt.

In dit soort gevallen schiet in de praktijk de langstlevende ouder het successierecht voor, juist omdat de kinderen economisch nog niets krijgen uit de nalatenschap om hun successierechten te betalen.

Maar voor de langstlevende ouder valt het deel van de nalatenschap van de kinderen waarover die ouder het successierecht voor haar rekening neemt niet onder de partnervrijstelling. Het gevolg is dat zij wel de belasting betalen over het erfdeel van de kinderen, hoewel de meeste langstlevende ouders over hun eigen erfdeel geen belasting betalen als gevolg van de hoge partnervrijstelling. Dit terwijl de partnervrijstelling mogelijk nog niet geheel is gebruikt. Ook dit is vaak een pijnpunt.

Voor de fiscus zijn er ook problemen:

Omdat het om vorderingen van kinderen gaat die de langstlevende ouder tijdens haar leven doorgaans niet zal aflossen, is er geen enkel beletsel om op die vorderingen een hoge rente zetten. Zoals u waarschijnlijk allemaal weet gebeurt dit om successierecht te besparen. Niet bij het overlijden van de eerste ouder, dan betaal je per saldo meestal wat meer. De bedoeling is om door de vordering sterk te laten oprenten de toekomstige nalatenschap van de langstlevende ouder uit te hollen of tot nihil te reduceren.

De kinderen hebben van deze schulden in de nalatenschap van de langstlevende doorgaans geen last omdat zij zowel erfgenaam als schuldeiser zijn. De met rente aangegroeide schulden verlagen op papier de nalatenschap. Ook hier krijg je het gevoel dat bij deze vorderingen en bij de rente daarop – en vooral naar mate deze hoger is – de economische realiteit ontbreekt. Maar de fiscus heeft als gevolg hiervan wel het nakijken.

Het is dus voor iedereen beter om bij de realiteit te blijven.
De feitelijke economische situatie is dat in eerste instantie de langstlevende ouder alles krijgt en de kinderen op dat moment nog niets. Bij het overlijden van de langstlevende ouder krijgen de kinderen wat er dan nog over is.

Dit zou er voor pleiten om voor de heffing van successierecht bij deze realiteit aan te sluiten.
Dat zou kunnen door vorderingen die pas opeisbaar zijn bij of na het overlijden van de debiteur, voor het successierecht te negeren. Dat geldt ook voor de met die vorderingen corresponderende schulden. Zowel vorderingen als schulden zou je dan defiscaliseren. Dat gebeurt nu ook al in box 3 van de inkomstenbelasting voor vorderingen en schulden die voortvloeien uit het wettelijk erfrecht.

Die vorderingen en schulden zouden dan pas fiscaal relevant worden op het moment dat zij opeisbaar zijn, doorgaans bij het overlijden van de langstlevende ouder.

Er is nog een andere mogelijkheid.
Een alternatief zou zijn om alleen de rente geheel of boven een bepaald percentage te negeren om uitholling van de grondslag te voorkomen.

Ik vind defiscalisering een aantrekkelijke gedachte. Wel zitten er een heleboel haken en ogen aan. Er is een aantal flankerende maatregelen nodig om ontgaan van belasting en ongewenste neveneffecten te voorkomen.
Je kunt bijvoorbeeld de vorderingen die bij het overlijden van de eerste ouder zijn ontstaan niet altijd negeren bij het overlijden van de tweede ouder. Dat geldt met name als er dan andere erfgenamen zijn dan bij het eerste overlijden.

Verder moet je je afvragen of je naast de vorderingen en schulden ook in een situatie van vruchtgebruik zou moeten defiscaliseren. De economische positie van de blooteigenaar is vaak niet anders dan die van iemand met een niet-opeisbare vordering. Dat geldt nog sterker als de vruchtgebruiker interingsbevoegdheid heeft en dus alles mag opmaken.

Ik ben de haalbaarheid van de idee van defiscalisering nog aan het onderzoeken. In dit verband vind ik het heel plezierig dat ook vanuit de wetenschap – zoals recent vanuit de Universiteit van Tilburg – meegedacht wordt.

2. Constructies

Ik kom nu bij het tweede onderwerp, de constructies. De komende minuten krijgt u van mij een heel breed scala aan trucs te horen om de Successiewet te omzeilen. Spitst u de oortjes maar. De meter loopt! Maar let wel: als ik mijn zin krijg is dat binnenkort allemaal afgelopen! Overigens weet u dat ik vandaag de dag al in de uitvoering heel veel constructies bestrijd.

Om maar eens te beginnen: wat is eigenlijk een testament? Een testament is een door een notaris opgemaakte akte waarin iemand kan bepalen wat er na zijn dood met zijn nalatenschap gebeurt.

Het eerste wat dan opvalt is dat de estateplanners gebruik maken van testamentvormen waarmee iets heel anders gebeurt. De erflater bepaalt juist niet wat er met zijn nalatenschap moet gebeuren, maar laat dat over aan zijn erfgenamen. De testamenten zijn een soort keuzemenu voor de erfgenamen waaruit zij een keus kunnen maken om het vermogen zo fiscaalvriendelijk mogelijk over te hevelen. Die keuze is dan afhankelijk van allerlei factoren zoals de verzorgingsbehoefte van de partner, leeftijd, gezondheid enzovoort, en vooral de fiscale gevolgen.

Daarbij kiest men soms voor een iets hoger successierecht bij overlijden van de eerststervende partner als de belastingschuld daarmee veel lager of zelfs nihil wordt bij het overlijden van de langstlevende.

Wat voor testamentvormen kom je dan tegen in de estate-planningspraktijken? Ze hebben aansprekende namen, zoals “ik-opa”, de “turbo” en de “superturbo”.

Ook duiken termen op als ‘afvulgaten’ en ‘ventielbepalingen’.

Ze hebben gemeen dat meteen of in de toekomst successierecht wordt bespaard door civielrechtelijke kunstgrepen, terwijl als je het economisch bekijkt, men zich geen enkele opoffering hoeft te getroosten.

Het ik-opa-testament (maar oma’s kunnen het ook) doet aan “gene ratie-skipping”. Er zijn meer varianten, maar denkt u aan de volgende situatie. Opa benoemt zijn kinderen tot erfgenaam, onder de last om aan hun kinderen (Opa ’s kleinkinderen) een bedrag renteloos schuldig te erkennen, zodanig dat de kleinkinderen tegen een lager of gelijk tarief belast worden dan hun ouder. De vordering is pas opeisbaar bij overlijden van het kind, zodat de kleinkinderen worden belast voor de bloot-eigendomswaarde. Wanneer het kind overlijdt, ontvangen de kleinkinderen zonder belastingheffing het gehele bedrag uit diens nalatenschap. De ‘tussen’ generatie merkt er niets van, omdat die gewoon de beschikking houdt over het schuldig erkende geld.

Het turbo testament heeft als doel bij het overlijden van de eerste ouder al te regelen dat de kinderen bij het overlijden van de langstlevende ouder – civielrechtelijk gezien tenminste- niets erven. Dat is namelijk het geval als de overlevende ouder zijn eigen vermogen inruilt voor het vruchtgebruik van zowel de nalatenschap van de echtgenoot als het eigen vermogen. Economisch gezien maakt het voor de langstlevende niet uit: hij of zij heeft immers het vruchtgebruik, mogelijk met interingsbevoegdheid, en dus de beschikking over het hele vermogen. De kinderen verkrijgen uit de eerste nalatenschap de bloot eigendom van het totale vermogen van de beide ouders. Die bloot eigendom groeit bij het overlijden van de langstlevende aan tot volle eigendom. Civielrechtelijk gezien is dit geen verkrijging , maar economisch gezien zeker wel.

De superturbo betrekt ook de huwelijksvoorwaarden bij het doel om heffing van successierecht over het vermogen van de langstlevende te vermijden. Fiscaalrechtelijk is het resultaat hetzelfde en ervaart de langstlevende geen nadeel, terwijl de kinderen bij diens overlijden geen successiebelasting hoeven te betalen.

Een andere constructie is er een om de 10-jaarstermijn te vermijden.
In de NRC stond vorig jaar een artikel met de kop: ‘Fop de fiscus en word Belg’ (met als ondertitel: ‘tips voor hoogvermogende die hun erfenis veilig willen stellen’). In België zijn schenkingen (‘handgiften’) meestal niet belast, maar er zijn meer mogelijkheden. Na het wegschenken van (een deel van) van hun ver mogen, kunnen deze mensen weer terugkeren naar Nederland.

In het buitenland wonende Nederlanders worden, als zij in de eerste tien jaar na hun vertrek naar het buitenland overlijden of een schenking doen, geacht nog steeds in Nederland te wonen. We heffen dan nog steeds successierecht of schenkingsrecht. Dit mag ook van de Europese rechter in Luxemburg. We zien nu steeds vaker dat Nederlanders een andere nationaliteit aannemen, van een land waar men bijvoorbeeld geen schenkingsrecht heft.

Op de lagere school riepen we al naar elkaar: eens gegeven, blijft gegeven!

Maar: sinds een paar jaar is het mogelijk om een herroepelijke schenking te doen. Dat wil zeggen dat je als schenker het geschonkene weer kunt opeisen en dat de begiftigde dan niet kan zeggen: eens gegeven, blijft gegeven. Het weer opeisen kan bijvoorbeeld als er een vooraf omschreven gebeurtenis heeft plaatsgevonden – schenking onder ontbindende voorwaarde -of gewoon, als de schenker het wil. In de huidige wet staat dat het betaalde schenkingsrecht volledig wordt teruggegeven als de schenking wordt ontbonden. Dat biedt ook leuke mogelijkheden tot besparing van schenkingsrecht. Denk aan het schenken van aandelen vlak voor de dividenduitkering en dan nadat het dividend is uitgekeerd de aandelen weer terugvragen. Het dividend is dan vrij van de schenkingsbelasting weggeschonken.

Een laatste voorbeeld van een constructie die ik wil noemen is het vlak voor overlijden omzetten van vermogen in onbelaste of laagbelaste vermogensbestanddelen.
Voor sommige vermogensbestanddelen die vererven geldt een vrijstelling of wordt een deel buiten de belasting gehouden. Dat is zo voor Natuurschoonwet landgoederen en voor ondernemingsvermogen. Van ondernemingsvermogen is ook sprake als de erflater een aanmerkelijk belang heeft (5%)–direct of indirect- in een onderneming. Uiteraard zijn er voorwaarden verbonden aan die gunstige fiscale regeling, maar die zijn niet onoverkomelijk. Dit betekent dat de erfgenamen de aandelen die uit een aanmerkelijk-balang-pakket afkomstig zijn 5 jaar moeten houden, wat niet al te lastig zal zijn.

Wat al deze constructies laten zien en gemeen hebben is dat ze een papieren werkelijkheid scheppen, die nauwelijks meer betrekking heeft op wie er in werkelijkheid nu iets verkrijgt. Dat is wat die constructies onwenselijk maakt. Het holt de opbrengst uit, en de rekening betalen diegenen die zich wel netjes aan de geest van de wet houden. ‘Belasting betalen is voor de dommen’, zeggen ze wel eens. Maar dat zou wat mij betreft onder geen enkele voorwaarde een ware uitspraak mogen zijn. Daarom wil ik die constructies bestrijden.

Een heel aparte categorie zijn constructies met allerlei buitenlandse rechtsfiguren in soms exotische belastingparadijzen; ik noem bijvoorbeeld de trustconstructies. Deze constructies zijn dichterbij dan u denkt: op Marktplaats kan men vandaag nog een trust aanschaffen!

Ik zei al dat trusts er vooral voor de rijken zijn en daar versta ik in dit geval echt miljonairs onder. Mensen met aanzienlijke vermogens dus. Uit de praktijk heb ik begrepen dat wil een truststructuur lonend zijn er toch al gauw een paar miljoen in moet zitten.

Trusts zijn er in vele gedaantes, maar vooral de zogeheten ‘discretionary trust’ veroorzaakt fiscaal problemen en leidt tot onwenselijke uitholling van de belastinggrondslag. In discretionairy trusts wordt het liefst heel liquide vermogen gestald, zoals banktegoeden en courante effecten. Maar ook zien we dat bijvoorbeeld grote aandelenpakketten in Nederlandse concerns zich in trusts bevinden.
Op papier worden discretionary trusts zo geconstrueerd dat het vermogen niet meer van de insteller(s) is en ook nog niet van de begunstigden. Het vermogen is eigendom van een trustee in een belastingparadijs. Maar deze beheerder houdt het vermogen ten gunste van de beneficiaries. Het beoogde gevolg is een heffingsvacuüm: voor belastingheffing is immers nodig dat vermogen aan een belastingplichtige wordt toegerekend en dat is lastig.
De vermogensbestanddelen, de inkomsten daaruit en de waardestijgingen worden, volgens gespecialiseerde adviseurs, bij niemand belast. Volgens de inspecteurs in de Belastingdienst blijkt de praktijk echter nogal eens anders dan de juridische vormgeving. Velen vinden het namelijk erg moeilijk om met hun handen van het vermogen af te blijven en er op te vertrouwen (‘to trust’) dat het trustvermogen goed wordt beheerd door de financiële dienstverlener in het belastingparadijs.

Omdat trusts in het buitenland zijn gevestigd (de trust is geen Nederlandse rechtsvorm) kunnen uitkeringen daaruit op dit moment niet aan de schenking en successieheffing worden onderworpen. En als de uitkeringen ook geen periodiek karakter hebben, is de heffing in de Inkomstenbelasting ook heel lastig.

Bij trusts (maar ook particuliere fondsen en andere zogenaamd ‘discrete’ doelvermogens) creëert men zwevend vermogen, met een heffingsvacuüm als gevolg. Met een zwevend vermogen bedoel ik dan dat het vermogen nergens in de heffing wordt betrokken, dus niet in de Inkomstenbelasting, niet in de Vennootschapsbelasting en ook niet in het schenkings- of successierecht. Vandaar dus een heffingsvacuüm.

Als je trusts wettelijk wilt inbedden kun je bijvoorbeeld aan de twee volgende oplossingsrichtingen denken, maar er zijn natuurlijk meer oplossingen denkbaar. Ik noem twee varianten: het forfaitair rendement van begunstigden in de inkomstenbelasting brengen, en het gelijk behandelen van trust en stichting.
Bij beide oplossingsrichtingen heffen we schenkingsrecht bij de inbreng van vermogen in een trust indien de insteller van die trust in Nederland woonachtig is. Overigens hebben beide oplossingsrichtingen pro’s en contra’s.

1. de eerste mogelijkheid, Forfaitair rendement begunstigden in de inkomstenbelasting, heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat je al belasting kan heffen in de periode van het aanhouden van vermogen in de trust. Zwevend vermogen is er dan niet. Het vermogen wordt toegerekend aan de begunstigde(n). Dat heeft ook tot gevolg dat de gerechtigdheid tot het trustvermogen voor de begunstigde tot zijn nalatenschap behoort als hij/zij overlijdt. Maar vooral: deze benadering sluit aan bij de realiteit.
We gaan inkomstenbelasting heffen in de periode dat het vermogen in de trust zit via de aanname van een forfaitair rendement bij de – in Nederland wonende – begunstigden. Deze variant vereist het opnemen van een fictieve gerechtigdheid voor box 2 of 3 en waarderingsregels voor die gerechtigdheid.
Maar goed, ik realiseer mij ook dat de gerechtigdheid niet altijd bepaalbaar is, dat hiervoor een wetsfictie nodig is. Waarbij ook weer de waardering om de hoek komt kijken, ook die kan lastig zijn. Daarnaast zal een begunstigde misschien wel opbrengen dat er (een risico op) liquiditeitsproblemen bij hem of haar ontstaat. Hier staat tegenover dat de insteller of de trustee veelal te hulp zal schieten, maar deze bijstand is niet altijd juridisch afdwingbaar. In bepaalde gevallen zal een begunstigde wellicht niet op de hoogte zijn van de aanwijzing als begunstigde van een trust, maar vergelijk dit met een kleinkind dat niet weet dat zijn grootouders een spaarrekening voor hem hebben. De ouders weten het wel. Op een gegeven moment wordt dit natuurlijk ook verteld.

2. Bij de tweede mogelijkheid, Gelijk behandelen van trust en stichting, gaan we in het stadium van aanhouden van vermogen niet heffen. Maar wel belasten we uitkeringen uit de trust. Deze variant vereist dat we de heffingsgrondslag voor het successie- en schenkingsrecht verruimen met verkrijgingen uit het buitenland.
Als je een trust op gelijke wijze zou behandelen als een in Nederland gevestigde stichting, sluit de heffing aan bij reële geldstromen; dit voorkomt dus liquiditeitsproblemen. Het voordeel van deze benadering is dat de begunstigde zich dan niet meer kan verschuilen achter onwetendheid over aanwijzing als begunstigde, er is immers een uitkering ontvangen. Ook is de belastbare grondslag eenvoudig bepaalbaar, namelijk aan de hand van de omvang van de uitkering. Daar tegenover staat dat je de grondslag van de successiewet in ieder geval moet uitbreiden met verkrijgingen uit het buitenland, de trust is immers geen Nederlandse rechtsfiguur en is doorgaans niet in Nederland gevestigd. Dit zou je wellicht ook kunnen ondervangen door een fictieve aanwijzing. Alleen heffing over de uitkering heeft als ander nadeel dat bij het overlijden van de begunstigde er geen successierecht wordt geheven over de gerechtigdheid tot het trustvermogen, waardoor zwevend vermogen misschien mogelijk zou kunnen blijven in de periode dat het vermogen in de trust blijft. Het economische vermogen gaat dan onbelast over naar erfgenamen, hetgeen niet de bedoeling is. Deze aanpak zou ook de toepassing van het niet-verwanten tarief over de inbreng bij de trust en over uitkeringen met zich meebrengen. Als deze heffing tot dubbele belasting leidt, zal Nederland onder omstandigheden een verrekening van buitenlands belasting in Nederland kunnen toestaan.

Tot slot, ook ik heb in de krant gelezen dat trusts goed zijn voor het bestrijden van wat wel wordt genoemd ‘het Ferrari-syndroom’. Ouders zijn bang dat kinderen niet goed met geld omgaan en er dure auto’s van kopen. Ik wil met de bestrijding van vluchtroutes niet trusts, particuliere fondsen en andere doelvermogens de das om doen. Wel wil ik bereiken dat deze doelvermogens niet meer gebruikt kunnen worden als vehikel om belasting te ontgaan. Dat ook voor mensen met die vermogens een normaal belastingregime van toepassing is.

Dat waren de constructies.
Het derde onderwerp dat ik wilde behandelen zijn de internationale aspecten.

3. Internationale aspecten

Zoals ik eerder zei, ik denk er dus aan om in Nederland wonende personen die verkrijgen van buitenlandse rechtsfiguren in de heffing te betrekken. Het gaat om een aanvullend heffingsrecht waarbij wordt aangesloten bij de woonplaats van de verkrijger ongeacht waar de erflater of schenker woont. Dit past ook in een meer economische benadering. Bij dubbele belastingheffing zal ik onder omstandigheden verrekening geven in Nederland.

Aan het voorgaande verhaal over de trusts zit natuurlijk een internationale dimensie.

Niet alleen Nederland kijkt kritisch naar estateplanning; eigenlijk geldt dat voor bijna alle EU-landen.

Estateplanning leidt immers tot uitholling van de belastinggrondslag. Een belangrijk instrument van estateplanners is dat vermogen naar belastingparadijzen wordt verplaatst. En dat gaat heel eenvoudig: een overschrijving per bank is zo geregeld. Alle EU-lidstaten hebben last van belastingparadijzen. Ik hoef hier maar te wijzen naar de recente berichtgeving over Liechtenstein. Inmiddels is er op EU-niveau overleg gestart en worden er ervaringen uitgewisseld. Nederland wil graag van de buurlanden weten hoe daar wetgevend en uitvoerend wordt omgegaan met estateplanning en grondslagerosie.

Ook op OESO-niveau staat grondslagerosie prominent op de agenda. In twee commissies (‘focusgroups’) wordt hard gewerkt. Nederland is de voorzitter van é én van deze commissies. Binnen de OESO wordt onderzoek gedaan naar het onderbrengen van vermogen in belastingparadijzen. In kaart wordt gebracht hoeveel geld er naar het buitenland gaat, wie de adviseurs zijn, welke profielen deze belastingplichtigen hebben en hoe ver hun bereidheid gaat om toch belasting te betalen. Alle OESO-landen hebben last, erg veel last zelfs, van trusts en foundations. In de Verenigde Staten heeft een speciale commissie van het Huis van Afgevaardigden enkele jaren geleden geschetst hoe schatrijke Amerikanen zelfs hun ranch met paarden hadden ondergebracht in een trust; dit leidde tot grote publieke verontwaardiging. In Nederland ben ik door de Belastingdienst op vergelijkbare signalen gewezen.

Het is mij duidelijk dat het telkens gaat om individuen die grote vermogens parkeren buiten het zicht van de autoriteiten. En het is dan heel moeilijk om te achterhalen wie er achter zulke rechtsfiguren zitten. De betrokkenen zijn meestal niet erg scheutig met het verstrekken van informatie. Juist omdat het vermogen zo ‘vluchtig’ is (het gaat om heel liquide vermogen zoals banksaldi en effecten) is het ook heel makkelijk het te verplaatsen: komt de inspecteur te dicht bij dan verhuist het vermogen van het ene paradijs naar het andere.
De OESO is nu druk doende om handvatten te gaan bieden voor landen voor wijziging van hun wetgeving.

4. Bedrijfsopvolging

Het laatste onderwerp dat ik even uitdiep, de bedrijfsopvolging, is een heel specifiek geval.

De bedrijfsopvolgingsregeling in de huidige Successiewet is op zijn zachtst gezegd, nogal ingewikkeld. Denkt u maar aan een bord spaghetti dat overloopt. Dat heeft voor een deel te maken met de verbrokkeling van de bepalingen. Die staan op verschillende plaatsen in de wet, en in de uitvoeringsregeling. Heel onoverzichtelijk. Vanwege de vele vragen die in de praktijk zijn ontstaan bestond er al een omvangrijk beleidsbesluit en afgelopen oktober heb ik nog weer nieuw beleid gepubliceerd. Dat ging met name over concernstructuren binnen de bedrijfsopvolgingsregeling. De regeling dateert van 2002, maar soms heeft ook nieuwbouw een opfrisser nodig.

De bedoeling bij de herziening is om de regeling te vereenvoudigen. Dat doen we dan onder meer door die verbrokkeling weg te werken. Uitgangspunt is en bl ijft dat reële bedrijfsoverdrachten voor de faciliteit in aanmerking mogen komen.

De huidige faciliteit in de Successiewet is een drietrapsraket. Het uitgangspunt is dat de minimumwaarde van ondernemingsvermogen gelijk is aan de liquidatiewaarde.

Bij minder goed draaiende bedrijven is die liquidatiewaarde hoger dan de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de onderneming. Voor de belasting over het verschil tussen die twee waarden, zeg maar de belasting over de onrendabele top, geldt een 100% faciliteit. Voor de belasting over de dan resterende waarde geldt, ongeacht of het bedrijf nu wel of niet goed rendeert, een 75% faciliteit. En de betaling van de belasting over het ondernemingsvermogen dat na aftrek van deze twee voorwaardelijk vrijgestelde bedragen nog overblijft, kan 10 jaar worden uitgesteld.

Deze drietrapsraket wordt in een aparte aanslag, de conserverende aanslag, vastgelegd.

Met een voorbeeld wordt het duidelijker:
Stel dat de liquidatiewaarde van een onderneming € 3 miljoen bedraagt en de onrendabele top € 1 miljoen, dan is de voortzettingswaarde € 2 miljoen. Eerst wordt de belasting die hoort bij de onrendabele top geparkeerd in de conserverende aanslag. Vervolgens wordt de belasting die is toe te rekenen aan driekwart van € 2 miljoen, dus de belasting over € 1,5 miljoen in de conserverende aanslag weggezet. Als er vijf jaar wordt voortgezet verdampen deze belastingbedragen. Alleen de belasting over de nog resterende halve miljoen euro is – ook bij voortzetting van de onderneming – daadwerkelijk verschuldigd. De betaling daarvan kan tien jaar (rentedragend) worden uitgesteld.

Daarom wil ik bekijken in hoeverre de conserverende aanslag bij de bedrijfsopvolgingsregeling kan vervallen. Daardoor wordt voor ondernemers het doen van aangifte bij bedrijfsopvolging gemakkelijker. Na afloop van de vijfjaarsperiode kan de verkrijger vervolgens eenvoudig de Belastingdienst inzi cht verschaffen dat inderdaad aan de voortzettingstermijn is voldaan. In die gevallen wordt de voorwaardelijke vrijstelling dan zonder verdere omhaal definitief.

Een faciliteit zoals de bedrijfsopvolgingsregeling, waarbij je slechts belasting betaalt over maximaal een kwart van het ondernemingsvermogen, heeft een aanzuigende werking. Driekwart van de normaliter verschuldigde belasting wordt immers voorwaardelijk vrijgesteld en soms nog meer. Daarom wil je nauwkeurig onderscheiden welke situaties wel, en welke niet onder de faciliteit kunnen vallen. Omdat het uitgangspunt is dat je reële bedrijfsoverdrachten wilt faciliteren, is het nodig te onderzoeken wat precies reëel is.

Daarbij lijkt het, al was het maar vanuit het onderwerp, logisch een en ander economisch te bezien. Stel dat een kind de groentewinkel van zijn ouders erft. Tot de onderneming behoort naast voorraad en inventaris, een eigen pand aan de Heuvelstraat in Tilburg. Het kind verkoopt na 2 jaar het pand voor € 1 miljoen en gaat een vervangend pand in een zijstraat huren. De onderneming wordt fiscaal gezien weliswaar voortgezet, maar het ondernemingsvermogen is grotendeels te gelde gemaakt. De vraag is dan of het reëel is dat dit kind 75% belastingkorting krijgt, daar waar iemand die een banktegoed van € 1 miljoen erft het volle pond aan successierecht betaalt.

Een meer economische benadering van de toepassing van de voortzettingseis, en van wat wel en niet onder regeling kan vallen, is eigenlijk onvermijdelijk als je reële bedrijfsoverdrachten wil faciliteren. Misschien is het nodig om de bedrijfsopvolgingsregeling soms wat ruimer en in andere gevallen wat nauwer te maken. Ik wil ook kijken hoe in het buitenland (bijvoorbeeld Duitsland) met deze problematiek wordt omgegaan.

III: Eigen profiel

We hebben nu op een rijtje op welke onderdelen ik de huidige de Successiewet wil verbeteren.

Het voorgaande was (dat was in ieder geval mijn intentie) een objectief overzicht.

Ik vind er zelf natuurlijk ook iets van. Aan u de vraag om mij scherp te houden.

Een heel harde randvoorwaarde is de budgettaire neutraliteit. We hebben geen geld over, de opbrengst moet dus in stand blijven.

Als het aan mij ligt wordt de Successiewet heel drastisch vernieuwd.

De wet moet eenvoudiger en evenwichtiger. De tarieven kunnen gemiddeld flink omlaag. Een aantal tarieven is, naar Nederlandse opvattingen, erg hoog. Ik vind dat er in ieder geval geen tarieven boven de 50% meer mogen zijn.

Te vaak gebruiken mensen nu allerlei ingewikkelde trucs om te besparen op successierecht. Ik vind het daarom beter om voortaan nog meer aan te sluiten bij de economische realiteit. Iemand die verkrijgt als gevolg van het overlijden van een ander is nog meer dan nu het geval is over dat voordeel belasting verschuldigd. We gaan voor de belastingheffing dus nog meer kijken naar de verkrijger, waardoor kunstgrepen om de nalatenschap te verkleinen ter besparing van belasting niet veel nut meer zullen hebben. Waar we belasting op heffen is de economische verrijking van de verkrijger.

De huidige tariefstructuur is ook complex. Vier tariefgroepen met elk zeven schijven maakt 28 verschillende tarieven. Een vereenvoudigingslag is daar dringend nodig.

Twee groepen en twee schijven zou bijvoorbeeld al een aanzienlijke verbetering zijn. Maar één schijf per tariefgroep is eenvoudiger en is bestendiger tegen constructies: ‘minder schijven is minder schuiven’. Verder zou ik de vrijstelling voor partners graag verruimen.

Een van mijn speerpunten is het bevorderen van (innovatief) ondernemerschap. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik in het successierecht ook de bedrijfsopvolgingsregeling eenvoudiger wil maken. Mijn bedoeling is om het spaghettibord aan regeltjes terug te brengen tot een makkelijke en zeker ook ruimhartig toepasbare regeling. Dus bijvoorbeeld geen conserverende aanslag meer en geen onnodige beperkingen bij de zogenoemde voortzettingseis van het bedrijf.

IV: Procedure

Goed, dit was een heel lang verhaal. Stof tot nadenken. Wat dat gaan we doen.

Hoe gaat het nu verder?

Ik wil voor het zomerreces een brief aan de Kamer sturen. Daarna gaan we werken aan de wetgeving. Het is wel al duidelijk dat we het over een drastische vernieuwing hebben. Daarom vind ik het een goed idee om meteen ook de oude naam Successiewet 1956 vaarwel te zeggen. We krijgen straks de Wet schenk- en erfbelasting.

Ik heb om die wet goed te maken, heel veel behoefte aan meedenkers. Vanuit de wetenschap, maar niet alleen van hen, van alle burgers.

Ik open daarom een website, www.schenkenerfbelasting.nl. Op die website vindt je natuurlijk alle informatie, Maar ook de reacties. Iedereen kan via de site meehelpen aan het schrijven van de nieuwe Wet schenk- en erfbelasting.

Ik opende dit college al door u naar uw mening te vragen.

Dat doe ik nu weer. Ik ga graag met u de discussie aan. Die discussie gaat dus ook na vanavond verder. Aan u de eer om dat veel grotere gesprek nu te openen.

Dank u wel.

Verder lezen: