In 1994 stelde ik een publicatie samen voor de Nederlandse Taalunie, getiteld ‘De toekomst van het Nederlands in de Europese Unie’. Ik november verscheen het in druk bij de Stichting Bibliographica Neerlandica. De bundel is niet meer verkrijgbaar, maar de tekst is te vinden op de website van de Nederlandse Taalunie. De hoofdstukken van mijn hand volgen hieronder integraal.

Inleiding

Waar liggen de grenzen voor het gebruik van het Nederlands in de internationale instellingen? Willen Nederland en Vlaanderen terzake tot bindende afspraken komen? Welke gevolgen zal een eventuele beperking van het aantal werktalen tot Engels, Frans en Duits hebben voor de status en het gebruik van de overige Europese talen? En hoe voorkomen we die beperking?

De status van het Nederlands wordt op het eerste gezicht vanuit twee hoeken bedreigd: van buitenaf door de EU-structu­ren en de invloed van de grote taalblokken daarin; intern door de verschillende mentaliteit in Nederland en Vlaanderen, waardoor terzake geen eensgezinde opstelling bestaat. Neder­land kende nooit een taalstrijd en is snel bereid een vreemde taal te hanteren in het internationale verkeer. De situatie verbetert de laatste jaren nochtans.

Met de studiedag ‘De toekomst van het Nederlands in de Europe­se Gemeenschap’, die plaatsvond op zaterdag 23 oktober 1993 in het Eastmangebouw te Brussel, wilden de organisatoren (het Bureau voor België van het Europees Parlement en de Vlaamse Culturele Koepel) een stand van zaken opmaken met betrekking tot het gebruik en de status van het Nederlands in de Europese Gemeen­schap. Dit boek is het verslag van deze studiedag. Het bevat de bijdragen van de sprekers, aangevuld met enkele artikelen van meer algemene of actuele aard. De bundel wordt ingeleid met een voorwoord van de cultuurministers H. Weckx (Vlaande­ren) en H. d’Ancona (Nederland).

5. Het Nederlands in de instellingen van de Europese Gemeenschap (1)

Inleiding

De Nederlandse Taalunie heeft in 1985 een rapport vervaardigd ten­einde zicht te krijgen op de juridische positie van het Neder­lands is als officiële taal binnen de instellin­gen van de EG. Het rapport, verschenen als nummer 6 in de reeks ‘Voorzet­ten’, is in 1993 geheel herzien herdrukt. Het rapport geeft een beschrijving van het ge­bruik van het Neder­lands binnen de EG-instellingen en van de gevaren die dit gebruik bedrei­gen. De bevindingen worden hier kort samengevat: voor wie en detail geïnformeerd wil zijn, verwijzen wij naar de bedoelde publika­tie in Voorzetten 6.

1.1  Het Europees Parlement – Vertaling

Iedere vertaalafdeling van het Europees Parlement heeft mini­maal 41 en maximaal 47 vertalers in vast dienstver­band. Boven­dien wordt ook nog op free-lance vertalers een beroep gedaan. De cijfers geven aan dat het Nederlands hier een volwaardige werktaal is. De normale gang van zaken binnen het EP is dan ook, dat alle documenten in de Nederland­se taal verkrijgbaar zijn.

1.2  Vertolking

Het bestand vaste tolken telde in 1993 154 ambtenaren. Elk van de zeven talen beschikt over een cabine van 11 tot 21 tol­ken. Het totale bestand free-lancers waaruit geput wordt, omvat ongeveer 900 personen. Dit aantal wisselt echter sterk omdat niet alle free-lancers altijd voor het EP werken. Het aantal vaste tolken in ogenschouw nemend, kon geconsta­teerd worden dat het Neder­lands niet onderdoet voor de andere talen. De grotere aantallen free-lancers voor Frans, Duits en Engels, en in mindere mate Spaans en Italiaans, geven echter aan dat deze talen bij de meer kleinschalige vergade­ringen vaak de voorkeur moeten genieten.

Met kwantitatieve gegevens kan men ook het rendement van de tolkencabines nagaan. Men kan kijken hoe meertalig de tolken in de diverse cabines zijn. Hoe meer talen een tolk beheerst, hoe hoger zijn rendement. Hij kan frequenter worden ingezet en per vergadering het aantal tolken per cabine beperken, waar­mee ook geld bespaard wordt.

Wat kon uit de gegevens afgeleid worden?

1    Bij de beheersing van vier talen en meer behaalt de Nederlandse cabine het beste resultaat. De helft van de Neder­landstalige tolken kent vier of meer talen. Italiaans is hier de tweede beste met veertig procent die meer dan vier talen beheerst. Grieks, Frans en Engels scoren het slechtst.

2    Bij de beheersing van slechts twee talen scoren Neder­lands en Duits het laagst: beide cabines hebben dus relatief weinig tolken die ‘slechts’ twee talen beheersen. Grieks is wat dit betreft het meest ‘gehandicapt’.

3    Het Nederlands, Duits en Italiaans lopen wat de cijfers betreft het meest aan elkaar parallel. Deze cabines geven wat betreft de meertaligheid het beste rende­ment.

Men kan met betrekking tot het rendement ook nog nagaan hoe de diverse officiële talen in de cabines zijn vertegenwoor­digd. Op die manier krijgt men een zicht op de service die de diver­se talen theoretisch kunnen geven en krijgen. Uit de gegevens kon worden afgeleid dat de Neder­landse cabine voor elke taal voldoende is toegerust, met name voor de grote talen. Voor Deens, Grieks en Portugees is men het minst toege­rust. Het is duidelijk niet zo dat men bepaalde talen niet bedient of dat men voor enkele talen afhankelijk is van andere taalcabines.

Op het gebruik van het Nederlands in het Parlement valt er globaal gezien weinig aan te merken. Echter, in parlementsde­lega­ties en in werkgroepen hangt het actieve en passieve taalgebruik goeddeels af van de houding van de betrokken ambtenaren. Wordt er in deze twee gevallen niet uitdrukkelijk om vertol­king ge­vraagd, dan is er geen, ook al heeft men er recht op. Vooral bij vergaderingen waarvoor gereisd moet worden komt dit voor. Wat ook voorkomt is dat men gebruik maakt van indirecte verta­lingen. Bijvoorbeeld: de Nederlandse en Franse cabines verta­len uit het Grieks, en de andere cabi­nes vertalen de verta­ling. Dit kan natuurlijk in bepaalde gevallen leiden tot verlies van nuance. De Nederlandse tolken­cabines beheersen gemiddeld meer talen (minimaal drie) dan bijvoorbeeld de Franse of Engelse (minimaal twee). Dit bete­kent dat Neder­landstalige parlementariërs dus minder vaak een indirecte vertaling krijgen.

Het gevaar zit er in dat de uitzonderingsmaatre­gel die nu voor delegatiereizen en werkgroepen geldt en waar­bij, met instem­ming van de leden, afgezien wordt van vertol­king in hun taal, in de toekomst een vaste regel wordt en ook uitgebreid wordt tot andere vergaderingen, bijvoorbeeld die van commissies en fracties. Zover is het dus nog lang niet in het Parlement, maar met een principiële opstelling van de Nederlandstalige parlementsleden zouden in die richting geven­tileerde ideeën geen kans maken en zou de positie van het Nederlands in de discussie over de meertaligheid steviger worden.

2. De Raad van Ministers

De Raad beschikt alleen over een vertaaldienst. De vertolking in de Raad wordt verzorgd door de tolkendienst van de Commis­sie die trouwens ook voor de vertol­king bij het Sociaal Econo­misch Comité instaat. De vertaaldienst van de Raad telde in mei 1993 425 vertalers in vast dienstverband. Free-lance vertalers zijn er niet. Ook daar zorgt de Commissie voor. In principe wordt het integrale talenstelsel toegepast, wat bete­kent dat alle talen gelijk behandeld worden. In de prak­tijk komt het voor dat documenten niet tijdig in alle talen be­schikbaar zijn. Soms is er alleen de Franse basistekst en zijn er helemaal geen vertalingen.

Bij de Raad van Ministers zijn drie niveaus te onderscheiden: de werkgroepen, het Comité van permanente vertegenwoordi­gers en de Ministerraad. Op het tweede niveau wordt omwille van de efficiëntie doorgaans van een drietal werktalen gebruik ge­maakt (Frans, Engels en in mindere mate Duits). Op het niveau van de werkgroe­pen komt dit minder vaak voor en op het niveau van de ministerraad nauwelijks omdat daar de band met de hoofdsteden te sterk is. Politiek gezien kan men het zich niet permitteren op dat niveau de taal van een lidstaat te discri­mineren. Voor het Nederlands in de Raad van Ministers kan dus gezegd worden dat zij op het lage niveau van de werkgroepen en het hoogste niveau van de Raad van Ministers volwaardig mee­telt, maar in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers evenals alle andere talen behalve Frans, Engels en Duits, een onderge­schikte rol speelt.

3.1  De Europese Commissie – vertaling

Omwille van efficiëntie en uit financiële overwegingen beperkt de Commissie het aantal werktalen tot drie (Frans, Engels en in mindere mate Duits). De einddocumenten worden wel in alle talen ter beschik­king ge­steld. Op grond van het aantal verta­lers kan duide­lijk een groep van grote en een van kleine talen worden onder­schei­den. Tot de groep van grote talen behoren het Frans, het Duits en het Engels. Het Nederlands, het Deens, het Portugees en het Grieks vormen de groep van kleine talen. Het Spaans en het Italiaans vormen een midden­groep.

3.2  Vertolking

Op basis van het aantal vaste en tijdelijke tolken kunnen er drie groepen van talen worden onderscheiden:

1) de groep van de grote talen (Frans, Engels en Duits);

2) de groep van de kleinere talen (Nederlands en Italiaans) die er al sinds het ontstaan van de Gemeenschap in 1958 bij zijn en Spaans, dat pas sedert 1985 aanwezig is;

3) de groep van de kleinere talen (Deens, Grieks en Portugees) die later tot de Gemeenschap zijn toegetreden. De laatste drie talen scoren bijzonder laag en worden blijkens deze cijfers helemaal niet als volwaardige EG-talen beschouwd.

De drie grote talen scoren bij de free-lance tolken allen, zowel in absolute cijfers als procentueel, hoger dan bij de vaste en tijdelijke tolken, terwijl de overige talen hier allen lager scoren, behalve Spaans. Tot de eerste groep beho­ren, afgerond, 66 procent van de free-lancers, tot de tweede groep slechts 27 procent. De verhoudin­gen liggen hier dus duidelijk scheef. Opvallend is ook dat het Italiaans en het Spaans over heel wat meer free-lance tolken beschikken dan het Nederlands. Het veel kleinere aantal free-lance tolken van de kleine talen is een bewijs dat de gelijkwaardigheid van de officiële EG-talen op dit niveau wordt aangetast. Dat dit op dit niveau gebeurt ligt voor de hand. Op tolken in vast en tijdelijk dienstverband kan niet bezuinigd worden. Deze tolken blijven, of ze nu al of niet tolken, op de loonlijst staan. Bij free-lancers ligt het anders. Zij werken per prestatie zodat een beperkter gebruik van deze tolken voor enige finan­ciële ver­lichting kan zorgen. Dat financiële argumenten hier meespelen blijkt uit het feit dat in de discussie over de meertalig­heid het financiële argument een doorslaggevende rol speelt.

Betreffende de meertaligheid van de tolken kon het volgende worden afgeleid:

1    bij de beheersing van vier talen en meer behaalt de Nederlandse cabine het beste resultaat. Vijftien tolken of 37 procent van het bestand kennen vier of meer talen. Daarna komt de Duitse cabine met 13 tolken (27 procent) en, al op een behoorlijke achterstand, de Deense cabine met 4 tolken (18 procent) en de Italiaan­se met 6 tolken (14 procent). De Fran­se, Engelse en Griekse cabines staan nergens;

2    bij de beheersing van twee talen scoren de Nederlandse en de Duitse cabine erg laag: beide 7 procent. Beide cabines hebben dus weinig tolken die ‘slechts’ twee talen beheersen.

De andere twee grote talen, het Frans en het Engels, scoren hier erg hoog, afgerond respectievelijk 40 procent en 44 procent van hun tolkenbestand. Dit geldt ook voor het Itali­aans (45 procent), een taal die met het Nederlands tot de groep van de kleinere talen behoort. Tolken in de Griekse en Deense cabine beheersen haast uitslui­tend slechts twee talen;

3    samenvattend mag men zeggen dat de Nederlandse en de Duitse cabine op het vlak van de meertaligheid van de tolken het beste rendement geven. Ze hebben beide nauwelijks tolken die ‘slechts’ twee talen beheersen en beide het grootste aantal dat vier of meer talen beheerst.

Er is ook nagegaan hoe de diverse officiële talen in de cabi­nes zijn vertegenwoor­digd, om zicht te krijgen op de service die de diverse talen theoretisch kunnen geven en krijgen.

Uit de gegevens kon het volgende worden afgeleid:

1    de grotere talen krijgen een veel betere service dan de kleine talen. Uit het gemiddelde van de percentages blijkt dat het Frans en het Engels, afgerond, respectievelijk voor 91 procent en 97 procent in de andere cabines worden verze­kerd. Het Duits volgt op grote afstand met 56 procent. Van de klei­ne­re talen wordt het Italiaans (35 procent) opval­lend beter bediend dan het Nederlands (20 procent). Het Deens (12 pro­cent) en het Grieks (5 procent) tellen nauwelijks mee;

2    uit het feit dat het Frans, Engels en Duits veel beter bediend worden dan de kleinere talen en dat de grote talen elkaar ook een voorkeursbehandeling geven, kan indirect worden afgeleid dat de  talencombinaties in de cabines veel te veel beperkt zijn tot combinaties van twee of drie grote talen. Daardoor krijgen de kleinere talen onvoldoende service. De laatste tijd wordt er door de Tolkendienst bij de aanwerving van nieuwe tolken als voorwaarde gesteld dat ze minstens ook in één kleinere taal kunnen tolken. Combinaties als Engels-Frans, Frans-Duits en Duits-Engels worden niet meer aanvaard.

Het meest voor de hand liggende tolksysteem is het integrale systeem waarbij uit negen talen naar negen talen wordt ge­tolkt. In de praktijk was (in 1985 – hier tellen Spaans en Portugees dus nog niet mee), volgens informatie van tolken, het meest courante systeem uit vijf naar vijf talen, waarbij het Deens en Grieks niet gebruikt werden. Zo is er bijvoor­beeld in de Raad op het niveau van de werkgroepen en het Comité van permanente verte­genwoordigers geen vertolking in het Deens en het Grieks voorzien. De cabines van beide talen zijn ook nooit volwaardig uitgebouwd, wat overigens uit de hiervoor gegeven cijfers af te leiden is. De positie van het Portugees lijkt tegenwoordig vergelijkbaar met die van het Grieks en Deens.

Het is niet denkbeeldig dat de Commissie de toetreding van nieuwe lidstaten zal aangrijpen om ook de Nederlandse tolken­cabine geleidelijk in te krimpen en op het niveau van het Grieks, Deens en Portugees te brengen. In 1984 heeft de Com­missie met het oog op de toetreding van Spanje en Portugal, volgende nieuwe richtlijnen uitge­vaardigd:

– er dient onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds vergaderingen van politiek of sociaal gevolmachtigden (aan wie de ruimste taal-faciliteiten moeten worden verleend) en verga­deringen van ambtenaren of deskundigen anderzijds;

– voor de laatstgenoemde vergaderingen dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van een vereenvoudigd systeem, aangezien vele met internationale organi­saties vertrouwde gedelegeerden zeer goed in staat zijn in de aldaar gewoonlijk gebruikte talen te beraadslagen;

– er dient gebruik gemaakt te worden van ‘asymmetrische’ systemen die het elke gedelegeerde mogelijk maken zich in zijn eigen taal uit te drukken terwijl slechts naar een beperkt aantal talen getolkt wordt; de ervaring toont immers aan dat het gemakkelijker is een vreemde taal te begrijpen dan zich daarin op overtuigde wijze uit te drukken.’ De Commissie stipte hierbij aan dat deze pragmatische benade­ring uitslui­tend uitgaat van reële behoeften en niet van de politieke behoef­ten, dat zij een doeltref­fende vertolking waarborgt en geen enkele taal uitsluit.

Hoewel er in deze richtlijnen niet expliciet wordt vermeld welke talen in een vereen­voudigd of partieel systeem behouden blijven en naar welke talen getolkt zal worden in het asymme­trische systeem, voelen de kleine talen zich terecht bedreigd. Van de gebruikers van de kleine talen is dan ook felle kritiek gekomen op de nieuwe richtlijnen. Op verzoek van de tolken werd op 25 februari 1985 met de directie van de Tolken­dienst van gedachten gewisseld over de nieuwe taalregeling. Uit het verslag van die bijeenkomst blijkt dat de tolkendienst geen sluitende definitie kan geven van ‘reële behoeften’ en boven­dien toegaf dat reële behoeften en politieke behoeften wel eens kunnen samenvallen. Door het ontbreken van een sluitende definitie van een ‘reële behoefte’ kan het verzoek van iemand die vertolking wenst, door de Tolkendienst afgedaan worden als geen ‘reële behoefte maar een politieke behoef­te.’ De Tolken­dienst beschikt hier dus over manoeuvreerruimte.

(1) Verschenen als nr. 6 in de reeks Voorzetten van de Neder­landse Taalunie, ‘s-Gravenhage 1993 (ISBN 90-71313-51-4).

8. Een blik op de toekomst? De verwikkelingen rond Eurokorps en het Merkenbureau

Bescherming van de eigen taal is sedert 1993 een aantal malen agendapunt geweest op de internationale politieke kalender. Tijdens de GATT-onderhandelingen maakte Frankrijk zich bij­voorbeeld sterk voor bescherming van de Franstalige televisie- en filmproduk­tie tegen Engelstalige produkten. De positie van het Nederlands kwam bij twee gelegenheden acuut aan de orde: de besluitvorming rond het Merkenbureau en Eurokorps.

De Europese Top van rege­ringsleiders verklaarde op 10 decem­ber 1993 dat alle negen talen van de Europese Unie voort­aan weer gelijk­waardig zijn. Dit op Nederlands-Belgisch initia­tief genomen besluit mar­keerde voorlopig het einde van de taalrel, die ontstond nadat bij de opstelling van het taal­re­glement van het Merkenbureau en Eurokorps de positie van de Nederlandse taal ernstig ter discussie had gestaan. Laten we eens stil­staan bij de voorgeschiedenis van deze commotie.

1. Eurokorps

Nadat België deelnemer was geworden aan het oorspronkelijk Frans-Duitse Eurokorps, werd de taalregeling ervan ter discus­sie gesteld. Immers, tot najaar 1993 sprak men in Straa­tsburg, waar het hoofdkwartier geves­tigd is, alleen de eigen taal of het Engels, de binnen de NAVO het meest gebruikte taal. Vol­gens de Eurokorps-bevelhebbers was drie talen “het absolute maximum”. In de woorden van de Franse Eurokorps-stafchef François Clerc: “Laten we een militair hoofdkwartier vooral niet verwarren met een parlement”. Vooral in Vlaanderen ont­stond grote op­schud­ding toen bleek dat er voor het Nederlands geen positie was wegge­legd in Euro­korps. België dreigde de kredieten aan Euro­korps op te schorten en de Belgische eenhe­den terug te trek­ken, als het Nederlands niet zou worden erkend. De eisen van de Belgische Minister van Defensie Del­croix werden uiteinde­lijk allemaal ingewil­ligd:

– bij officiële gelegenheden van het Korps zal ook Nederlands gesproken worden;

– documenten worden ook in het Nederlands vertaald;

– bij simultaan-vertolking wordt ook in Nederlandse vertaling voorzien.

Dit succes werd echter enige tijd later alweer overschaduwd door de verwikkelingen rond het Europees Merkenbureau.

2. Merkenbureau

Op 6 december 1993 maakten de Europese ministers van buiten­landse zaken een einde aan de taalstrijd die was ontstaan, nadat op de bijzondere top van regeringsleiders in oktober besloten was om bij het, in het Spaanse Alicante gevestigde, Europees Merkenbureau slechts de vijf ‘grote’ talen te hante­ren: Engels, Frans, Duits, Spaans en Italiaans. Het Nederland­se ongenoegen met die regeling leidde tot een Spaanse blokkade over de besluitvorming over Europol, dat in Den Haag zou worden gevestigd.

Er werd tenslotte een ingewikkeld compromis gesloten, waarmee Nederland akkoord ging om zo de vestiging van Europol in Den Haag te bewerkstelligen:

– elke ondernemer mag een aanvraag voor merkbescherming indie­nen in zijn eigen taal, zonder dat hij daarvoor vertaal­kosten hoeft te betalen;

– daar staat tegen­over, dat hij bij zijn aanvraag een tweede taal moet opgeven, waarin hij wil procede­ren indien iemand de registratie van zijn merk betwist. Die tweede taal moet dan één van de vijf ‘grote’ talen zijn.

Het Nederlands wordt dus geen erkende taal van het Merkenbu­reau, maar het Nederlandse en Vlaamse be­drijfsleven komt ook niet voor hogere kosten te staan. Hieraan wordt dan toegevoegd dat men in het bedrijfsle­ven er toch al aan gewend is om in het Engels te onderhande­len.

3. Vanaf nu gelijkheid?

De “praktisch noodzakelijke” concessie rond het Merkenbureau mocht volgens premier Lubbers geen nieuw tijdperk in de Euro­pese Unie inluiden: “Alle talen van de Europese Unie zijn voortaan officiële talen”. Het besluit is ook in het licht van de uitbreiding van de Unie interessant: mochten de vier landen waarmee overeen­komst over toetreding bereikt is (Oostenrijk, Noorwegen, Zweden en Finland) inderdaad toetreden dan komen er drie nieuwe talen bij.

Het is met betrekking tot deze uitbreiding natuurlijk de vraag of er dan niet steeds vaker ‘praktisch noodzakelijke conces­sies’ voor zullen gaan komen. Meer garantie dan een weinig concre­te verklaring over de gelijkwaardigheid van de talen is niet afgegeven. Het aardige hierbij is, dat bijna alle landen zich bezighou­den met het internationaal verdedigen van de rechten van de eigen taal, waar­bij met name Frankrijk sterk op de voorgrond treedt.

De besluitvorming rond het Merkenbureau leert ons dat men bereid is de gelijkberechtiging van een taal in te ruilen voor het behalen van een politiek succes op een ander terrein, zoals het binnenhalen van Europol. Van de besluitvorming rond Euro­korps leren we echter dat dezelfde gelijkberechtiging wèl afgedwongen kan worden, als men bereid is er iets voor op het spel te zetten, in dit geval een door de andere landen gewens­te Belgische deelname aan Euro­korps.

Met andere woorden: ook het internationaal verdedigen van de rechten van de eigen taal vindt plaats binnen het internatio­naal-politieke machtsspel van Europa. En deze constate­ring mag een krach­tige aanbeveling zijn tot samenwer­king op dit gebied tussen Neder­land en België cq. Vlaanderen, want zoals bekend: een­dracht maakt macht, en daarmee zal het Neder­l­ands zich moeten handha­ven.

Bijlage A:

DE OFFICIËLE REGELING VAN HET TAALGEBRUIK

Het vertalen en vertolken binnen de EG is aan een vijftal instanties toevertrouwd. Dit zijn:

Vertaling in:      door:

Europees Parlement:     Directoraat-Generaal Vertaling

Raad van Ministers:     Directoraat Vertaling (DG A/III)

Europese Commissie:     Directoraat-Generaal Vertaling

 

Vertolking in:          door:

Europees Parlement:     Directoraat Vertolking (DG VI/B)

Raad van Ministers en

Europese Commissie:     Gemeenschappelijke Tolken- en Conferentie­dienst

Het taalgebruik binnen de instellingen van de EG wordt gere­geld in ‘Verordening nr. 1’ van de Raad van Ministers uit 1958 ‘tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap’ (voortaan kortweg Verordening nr. 1). Deze veror­dening werd aangenomen op basis van Art. 217 van het Verdrag van Rome (1958): “De regeling van het taalgebruik door de instellingen der Gemeenschap wordt, onverminderd de bepalingen van het Hof van Justitie, door de Raad met éénparigheid van stemmen vastgelegd.” Die Verordening nr. 1, die kracht van wet heeft, en recht­streeks toepasbaar is in iedere lidstaat, werd in 1972 bij de onderteke­ning van de toetredingsakte door Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken, in 1979 door Grieken­land en in 1985 door Spanje en Portugal aangevuld.

  1. Verordening nr. 1 uit 1958

In ARTIKEL I worden de officiële talen en de werktalen opge­somd: ‘De officiële talen en de werktalen van de instellingen der Gemeenschap zijn het Duits, het Frans, het Italiaans, het Nederlands, het Engels, het Deens, het Grieks, het Spaans en het Portugees.’ De officiële taal (talen) van elke lidstaat is (zijn) dus in de Gemeenschap als officiële taal en werktaal erkend.

ARTIKEL 2 heeft betrekking op de correspondentie die een lidstaat of personen uit de lidstaten met de Gemeenschap voeren: ‘De stukken die door een Lid-Staat of door een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een Lid-Staat aan de instellingen worden gezonden, worden naar keuze van de afzen­der gesteld in een der officiële talen. Het antwoord wordt in dezelfde taal gesteld.’

ARTIKEL 3 bepaalt het taalgebruik van de EG-instel­lingen als zij zich tot een lidstaat of een onderdaan van een lidstaat richten: ‘De stukken die door de instellingen aan een Lid-Staat of aan een persoon ressorterende onder de jurisdictie van een Lid-Staat worden gezonden, worden gesteld in de taal van de Staat.’

ARTIKEL 4 heeft het over het taalgebruik bij het besluitvor­mingsproces: ‘De verordeningen en andere stukken van algemene strekking worden opgesteld in de negen officiële talen.’

ARTIKEL 5 regelt het taalgebruik van het Publikatie­blad van de Gemeenschap: ‘Het Publikatieblad van de Gemeen­schap verschijnt in de negen officiële talen.’

ARTIKEL 6 vermeldt dat ‘de instellingen de wijze van toepas­sing van onderhavige regeling in hun reglement van orde (kun­nen) vaststellen.’ De instellingen kunnen dus het taalge­bruik naar eigen inzicht regelen op voorwaarde evenwel dat de prak­tijk niet in strijd is of komt met de bepalingen van Verorde­ning nr. 1 die onverkort blijven gelden.

In ARTIKEL 7 wordt bepaald dat het taalgebruik bij de proces­voering van het Hof van Justitie niet onderworpen is aan de besluiten van de Raad, derhalve buiten Verordening nr. 1 valt en apart wordt geregeld: ‘Het taalgebruik bij de procesvoering van het Hof van Justitie wordt geregeld in het Reglement voor de procesvoering van het Hof.’

ARTIKEL 8: ‘Wat de Lid-Staten betreft waar verschillende officiële talen bestaan zal het gebruik van de taal op verzoek van de betrok­ken Staat worden vastgesteld volgens de algemene regels welke uit de wetgeving van die Staat voortvloeien.’ Een duidelijk voorbeeld hiervan is het Gaelic, dat samen met het Engels, in Ierland de officiële taal is. Het Gaelic is, hoewel het een officiële taal is, niet in Verordening nr. 1 opgeno­men. Wel worden officiële teksten, zoals beschikkingen, veror­deningen, reglementen  enzovoort, die heel in het bijzon­der van belang zijn voor die delen van Ierland waar het Gaelic de gangbare taal is, eveneens in het Gaelic gepubliceerd. Ook de Verdragen van de Europese Gemeenschappen zijn in deze taal vertaald. In al deze gevallen betreft het eindteksten. Tijdens het besluit­vormingsproces wordt het Gaelic niet gebruikt. Sedert 1984 is het Luxemburgs de nationale taal van Luxemburg. Deze taal wordt binnen de EG in het geheel niet gebruikt.

  1. Het Rapport-Nyborg over het gebruik van de talen

Dat de talen in het Europees Parlement thans, op gelijke wijze worden behandeld, is te danken aan het rapport-Nyborg uit 1982. Dit rapport heeft aan een lange slepende discussie een eind ge­maakt en het taalgebruik in het Parlement ondubbelzin­nig vastgesteld.

‘Het Europees Parlement,

A    overwegende dat een beperking van het aantal officiële talen bij het Europees Parlement zijn democratische karakter zou aantasten,

B    overwegende dat een beperking of een ongelijke behande­ling van deze talen in het Europees Parlement een beperking van het democratische kiesrecht van de bevolking zou beteke­nen, aangezien de burgers hun vertegenwoordigers uitsluitend op basis van politieke criteria moeten kunnen kiezen alsook aan de hand van de vraag wie hun belangen het best vertegen­woordigen, zonder dat daarnaast ook nog taalcriteria een rol mogen spelen,

C    overwegende dat alle parlementsleden er recht op hebben ten aanzien van zowel het actieve als het passieve taalgebruik op gelijke voet te worden behandeld,

D    overwegende dat de meertaligheid van de gemeenschap weliswaar aanzienlijke kosten veroorzaakt, doch dat deze kosten slechts rond twee procent van de totale begroting van de Gemeenschap uitmaken,

1    bevestigt opnieuw met klem dat de officiële talen en de werktalen van de Instellingen van de Gemeenschap het Deens, het Duits, het  Engels, het Frans, het Grieks, het Italiaans en het Nederlands zijn;

2    bevestigt opnieuw de stelregel dat de talen van de Ge­meenschap zowel actief als passief en zowel schriftelijk als mondeling op volstrekt gelijkwaardige wijze moeten worden gebruikt, wat met name geldt voor alle vergaderingen van het Parlement en zijn organen;

3    onderschrijft alle maatregelen ter bespoediging van zijn werkzaamheden en ter vermindering van de kosten die aan de talenregeling van de Gemeenschap zijn verbonden, mits deze maatregelen worden genomen in overeenstemming met het beginsel van de gelijkwaardige positie van de bedoelde talen;

4    dringt met name aan op voortzetting van het onderzoek naar automatische vertaalsystemen en andere technologische mogelijkheden die de kosten kunnen verlagen;

5    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie aan de Commissie en de Raad te doen toekomen.’

Deze resolutie is alleen bindend voor het Parlement en niet voor de Raad en de Commissie. Het Parlement heeft immers, op het beslissingsrecht met betrekking tot de begroting na, een louter adviserende functie. De Resolutie kon dan ook in punt 5 de voorzitter van het Parlement alleen maar verzoeken de resolutie aan de Commissie en de Raad te doen toekomen en verder hopen dat deze instellingen deze richtlijnen zouden overnemen, maar dat laatste is niet gebeurd.

  1. Het Rapport-Galle over het recht op het gebruik van de eigen taal, dd. 6 mei 1994

‘Het Europees Parlement,

A    overwegende dat de vaststelling van de talenregeling van de instellingen van de Europese Gemeenschap – overeenkomstig de bepalingen van artikel 217 van het EEG-Verdrag, artikel 190 van het EURATOM-Verdrag en verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 – tot de bevoegdheden behoort van de Raad, die met eenstemmigheid besluit, waarbij met betrekking tot de lid-staten met verschillende officiële talen het taalgebruik, op wens van de betrokken staat, geregeld moet worden volgens de algemene regels waarin de wetgeving van deze staat voorziet,

B    overwegende dat het Europees Parlement in zijn Reglement kan besluiten hoe het uitvoering zal geven aan deze taalrege­ling,

C    overwegende dat in het huidige stelsel het gebruik van alle officiële talen een recht is dat geldt voor het gesproken en geschreven woord,

D    overwegende dat een beperking van het gebruik van alle officiële talen waardoor het democratische karakter van het Europees Parlement wordt aangetast, onaanvaardbaar is,

E    overwegende dat alle leden van het Europees Parlement gelijk zijn en het recht hebben op gelijke voet te worden behandeld in alle opzichten, ook wat het gebruik van de talen betreft,

F    overwegende dat de leden van het Europees Parlement hun kiezers vertegenwoordigen en daarom bij alle parlementaire vergaderingen hun taal moeten kunnen gebruiken,

G    overwegende dat het talenstelsel van het Europees Parle­ment er in geen geval toe mag leiden dat aanvullende verkies­baarheidsvoorwaarden worden gesteld,

H    overwegende dat de mogelijkheid om de eigen taal te gebruiken bovendien bijdraagt aan de totstandbrenging van het Europa van de burgers,

I    overwegende de eerder door het Europees Parlement inzake het taalgebruik ingenomen standpunten,

1    bevestigt dat alle officiële talen van de Europese Unie ook de werktalen zijn van het Europees Parlement;

2    bevestigt nog eens dat alle officiële talen van de Unie zowel actief als passief en zowel schriftelijk als mondeling op volledige voet van gelijkheid moeten gebruikt worden,voor alle vergaderingen van het Europees Parlement, telkens als zulks noodzakelijk is;

3    dringt aan op het inschrijven in de toekomstige grondwet van de Unie van de huidige rechten van het Europees Parlement wat betreft de wijze van toepassing van het talenstelsel;

4    acht het niet wenselijk, als uit verkozenen samengestelde instelling, over te gaan tot een beperking van het taalge­bruik;

5    is dan ook van oordeel dat in zijn Reglement moet worden bepaald dat de burgers het recht hebben aan de Commissie verzoekschriften en de ombudsman verzoekschriften te richten in hun eigen taal, als deze taal in hun lid-staat een offici­le taal is;

6    dringt er bij het Secretariaat-generaal op aan het niveau van het door de tolken en vertalers geleverde werk via bij­scholingsmaatregelen op peil te houden en mogelijk nog verder te verbeteren en tegelijkertijd alles in het werk te stellen opdat er een voldoende aantal vertalers en tolken voor alle officiële talen van de Gemeenschap beschikbaar zal zijn;

7    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en de regeringen van de lid-staten, de secretaris-generaal en de hoofden van de Diensten vertolking en vertaling.’

Deze resolutie toont het meest recente standpunt van het Europees Parlement inzake de taalregeling, waarbij dus nog altijd wordt aangedrongen op een volledig gelijkwaardige behandeling van alle officiële talen.

 

In Trouw verscheen een recensie van deze publicatie.

Verder lezen: