Vroeger heette dat het Bondslokaal, dat nu waarschijnlijk zou worden aangeduid als een publiek gebouw voor multifunctioneel gebruik. Maar ik denk, dat die bouwval, het bondslokaal, al lang niet meer bestaat (noot redactie: inderdaad, het is nog minder dan een bouwval, het is er niet meer).

Wat hiervan ook zij, voor ons was het toch vooral de gelegenheid waar heel Wanssum naar het toneel kwam kijken. Dat voltrok zich destijds maar een enkele keer per jaar, georganiseerd door de Fanfare Concordia die met de opbrengst van dit cultureel festijn de eigen kas jaarlijks spekte, niet alleen middels de entreegelden, maar ook met de verkoop van bier.

Dat toneelspel was een gebeuren dat veel aandacht trok (een enkele keer werd er ook een film vertoond, ik herinner mij een film over Afrika en missiefilms en de film Pygmalion). Er werden prachtige drama’s of draken van stukken opgevoerd. In een paar daarvan heb ik zelf meegespeeld, al weet ik niet meer zo precies hoe alles in detail zich voltrok.

Het begon al vroeg op school. Als kinderen die nog in Sinterklaas geloven, speelden we onder leiding van juffrouw van Megen stukjes voor Sinterklaas; toentertijd speelde meester Jans uit Geysteren voor de Goedheilig Man, hij had van nature een staatse baard en een diepe, zware basstem; daar kon zelfs de echte Sinterklaas niet tegenop. Als jongetjes van de eerste klas van de lagere school werden wij, met allerlei spullen in hemd en broek gestopt, dik gemaakt en droegen het liedje voor: ‘kleine Dikkie, Dikkie, die is toch zo dik (verder herinner ik mij tekst en melodie niet meer). De por die juf van Megen gaf om te controleren of je echt wel dik was, voel ik nog altijd in de maagstreek.

Enkele jaren daarna, ik zat in de vijfde of zesde klas, denk ik, werd ik bij het grote-mensen toneel betrokken. Ik speelde de rol van het zoontje van het Hoofd van de Douane (dit was Oëme Sjang), die anderzijds erg bevriend was met de grootste smokkelaar ter plaatse (gespeeld door Mulder Piet ziene Sjang). Tussen haakjes: vrouwen speelden toen niet mee! Op zekere dag werd die smokkelaar getroffen door een revolverschot, afgevuurd door mijn toneelvader, het Hoofd van de Douane dus. De smokkelaar werd het toneel op gedragen, waar hij langdurig en smartelijk afscheid nam van zijn medesmokkelaars, van het Hoofd van de Douane, maar vooral van mij: tijdens de repetities zei hij dan tegen mij: ‘gef meej enne poempa’. De regie van dit stuk berustte bij Ben Timmermans, toen net wel of nog net niet afgestudeerd in de Klassieke Talen.

In de eerste jaren na de tweede wereldoorlog voerden we een prachtstuk op: De Rode Adelaar. In dit stuk over de Spaanse Burgeroorlog (Franco tegen de socialisten en communisten) was een regulier regeringsleger en daartegenover een revolutionaire beweging onder leiding van een gevreesd oorlogspiloot, de Rode Adelaar, vertolkt door onze Harrie. Ik speelde een luchtmachtofficier, die in het eerste bedrijf al sneuvelde. Karel speelde ook de rol van officier, hij was mijn toneelvriend. In het derde en laatste bedrijf werd de Rode Adelaar neergehaald; liggend op een brancard gaf hij een lange en heldhaftige verklaring af voor zijn revolutionaire, antikatholieke opstelling. Toen bleek echter, dat de Rode Adelaar de verloren gewaande broer was van Karel! Hij bekeerde zich (of zoiets) en naar adem snakkend verliet hij het aards bestaan. Of was het zo, dat Karel uit broederliefde de plaats in nam van Harrie in de gevangenis?

Omstreeks 1449 voerden wij een stuk op, waarvan ik de titel niet meer weet; het speelde zich af in het verderfelijke communistische Rusland, in een concentratiekamp. Zo nu en dan viel er een geweersalvo achter de coulissen, hetgeen betekende dat de bende van Stalin weer enkele goedwillende christenen fusilleerde. Ik had in dit drama de rol van een pater, pastoor of Pope; schertsend heb ik het over Vadertje Slivovic, maar de juiste naam weet alleen Netta nog. Deze Pope gaf zo’n beetje leiding aan het ondergrondse verzet van het gelovig volkje. Maar tenslotte gingen wij allemaal voor de Stalin-bijl.

Bij dit soort drama’s placht het in de zaal stil te zijn, behoudens dat men hier en daar gesnik en gesnotter kon horen.

De Fanfare verzorgde deze toneelavonden altijd net vóór de grote Vasten, als een soort carnaval dus. Daarom werd er na zo’n drama nog een vrolijke toegift gespeeld, een klucht geheten. Eén herinner ik mij nog met refreintekst en –melodie. Deze klucht ging over de Woningwet en werd gespeeld door Meis Tum (Pierre Timmermans, hoofd van de school, vader van o.a. Toos Almelo) en Oëme Sjang. Het zogenaamde schmieren zat beiden wel zo’n beetje in het bloed. Zo zie ik Oëme Sjang nog, gekleed als een Scheveningse visser in een wijde broek, de handen in de zakken naar opzij uitstekend, op die manier ‘goeden dag’ zeggend. De tekst van het refrein luidde:

Ze maken wetten hoe een mens moet wonen,

Hoeveel keer hij zich moet wassen en verschonen,

Hoe groot je huis moet zijn, hoe lang en breed je bed,

Dat vind je allemaal in die mooie woningwet.

Wie de schepper is van deze tekst en welke cabaretier dit stuk het eerst heeft opgevoerd, weet ik uiteraard niet. Maar het publiek genoot intens (‘den Sjang is toch enne komiek, wah’).

Een bijzonderheid was nog, dat de hoogste klas van de lagere school op zaterdagavond de generale repetitie mocht bijwonen. En de toneelspelers verkondigden toen al als volleerde professionals de toneelwijsheid, dat een slechte generale een goede première is.

Naderhand is ook de voetbalclub op soortgelijke wijze extra financiële middelen gaan vergaren, zodat er enige toneelconcurrentie groeide.

De studentenvereniging Wodansheim bood bij gelegenheid van een zoveel jarig bestaan aan de Wanssumse goegemeente het beroemde toneelstuk ‘Bloed en Liefde’ van Godfried Bomans aan. Het stuk werd opgevoerd door de Vierlingbeekse studentenclub. Ter dekking van de kosten werd slechts vijftig cent entreegeld gevraagd. Mijn indruk is, dat dit stuk niet zo erg in de smaak viel, althans de bekende commentator Vissers Grad was er niet erg over te spreken; hij vond het maar niks.

Vanzelfsprekend  weet ik niet, wat er in het huidige Wanssum nog van deze kunstuitingen over is. Misschien wel niet! Maar ook dat is dramatisch.

 

Mathieu

Zoetermeer, maart 2002.

Dit artikel verscheen in Familiekrant Van Els, nr. 8, april 2002.

Verder lezen: