In mei 2009 schreef ik een ‘Ikje’, dat de achterpagina van de NRC nooit haalde. Zonde om weg te gooien:

Twee weken op vakantie in Sicilië. We gaan vandaag het mooie Siracusa bekijken. Het is prachtig weer. De kinderen zouden liever gaan zwemmen. Dat zullen we vanmiddag doen. Ik loop met mijn jongste dochter van vier langs het zwembad, op weg naar de auto. “Hun zijn al aan het zwemmen”, merkt zij op. “Zij zijn al aan het zwemmen”, verbeter ik haar. Waarop ze geërgerd antwoordt: “D’r zijn ook jongens bij hoor.”

De Nederlandse taal kende al een tantebetjestijl. Tante Betje heeft een neefje gekregen, dat ik de naam ‘hunebedjestijl’ zou willen geven. De opkomst van de hunebedjestijl is onstuitbaar. Steeds meer mensen gebruiken ‘hun’ als onderwerp, en als hun dat steeds meer doen, dan heb je als taalpurist het nakijken.

‘Hun hebben’, ‘groter als’, ‘het boek wat ik lees’, ‘een mooie verhaal’. Het is allemaal officieel fout. Moeten we dergelijk taalgebruik bestrijden (zoals ik vruchteloos bij mijn dochter probeerde), of moeten we maar accepteren dat de taal altijd verandert, en dat we zulke veranderingen moeten accepteren als goed taalgebruik, wanneer ze ingeburgerd raken?

Over die voortdurende veranderingen van de taal, en over de vraag of dat goed of slecht is, is door Jan Stroop geschreven in: ‘Hun hebben de taal verkwanseld’, een uitdrukking die overigens al in 2007 voor het eerst door de Volkskrant werd gebruikt om diezelfde vraag te beschrijven.

Hoe die taalverandering gaat, en waardoor, en waarom het verbeteringen zijn die ook weemoedig maken, dat is de vraag waar Stroop zich over buigt.

‘Hun hebben de taal verkwanseld’: een mooie boek wat taalliefhebbers wie hun verlanglijstje nog moeten inleveren zeker aan de Sint kennen vragen.

 

Verder lezen: