In 1885 richt Koning Leopold van België de Congo Vrijstaat op, als zijn persoonlijk eigendom. Zijn belangsteling voor het gebied was gewekt door de ontdekkingen van Stanley: aan de ‘scramble for Africa’, waarin dit resulteerde, deed hij graag mee. In 1908 nam de Belgische regering het bestuur van Congo over als kolonie, nadat door agenten van de Koning gepleegde misstanden aan het licht waren gekomen. Na de oorlog nam de welvaart en de blanke immigratie sterk toe. Belgisch Congo kwam bekend te staan als een der rustigste kolonies ter wereld. Toch speelde haar onaf­hankelijkheidsproces zich uiteinde­lijk af in ijltem­po.

Op de oorzaken en omstandigheden van dit proces wil dit stuk ingaan.

De eerste fase: tot 13 januari 1959

Deze fase werd gekenmerkt door de overtuiging van de zich supe­rieur voelende Belgen dat zij model-kolonisten zijn. In 1951 werd door Minister van Koloniën Pierre Vigny bepaald dat alle Congolezen Belgisch burger werden. In 1955 werd door Koning Boudewijn gezegd dat België en Congo één natie waren. In de Congo was het relatief erg rustig. Er beston­den wel klachten, maar die waren vrijwel nooit van politieke aard. De oorzaak hiervan was dat Congo geen politiek bewustzijn kende, omdat er geen elite was. Universitaire studie was niet mogelijk, en de enige hoger opgeleiden waren pries­ters. De ontwikkel­dere Congolezen (évolués) hadden ook niet dit politiek bewustzijn. Voortkomend uit een besef van blanke superiori­teit probeerden zij de leefwijze van de blanken over te nemen. Wanneer een groep in 1956 België mag bezoeken, doen dan ook zij geen politieke eisen.

In 1956 werd Sudan onafhankelijk en ontstonden problemen met nationalisten in Algerije en Kenia. Toen ontstond enige beweging. De Abako, een politieke groepering onder leiding van Joseph Kasavubu en de MNC (Mouve­ment National Congolais) onder leiding van Patrice Lumumba werden opgericht. Deze laatste groepering wilde algemeen zijn, en niet stamgebonden. Spoedig begonnen deze groeperingen onafhanke­lijkheid te eisen.

In België schreef Prof. Jef van Bilzen van de Koloniale Hogeschool een artikel waarin hij politieke emancipatie van Congo binnen dertig jaar mogelijk achtte. De missiebisschoppen nemen deze termijn over. In 1957 vonden in Congo gemeenteraadsverkiezingen plaats. Door in elke stad zowel een zwarte als een blanke burgemees­ter te benoemen, probeerde men vanuit de basis een elite te vormen. Op 14 april 1958 werd door Koning Boude­wijn de wereldtentoon­stelling geopend. Vijfhonderd Congolezen mochten deze bezoeken. Er ging voor deze mensen een wereld open. Tevens leerden Congo­lezen uit alle provincies elkaar hier kennen. In juni 1958 eisten de elites de onafhankelijkheid.

Minister van Koloniën Léon Pétillon benoemde hierop (december 1958) een Werkgroep om de scenario’s te onderzoeken. Toen Van Hemel­rijk hem opvolgde als minister werd hij zelf voorzitter van de Werkgroep. In Congo ontaardde een door de Abako georganiseerde demonstratie in een bloedbad. Een parlementaire onderzoekscommissie wijtte de problemen in het bijzonder aan de slechte economische situatie van de zwarten.

De tweede fase: tot 16 october 1959

De tweede fase begon op het moment dat de Belgen voor het eerst Congo onafhankelijkheid beloofden. Dit deed Koning Boudewijn in een toespraak op 13 januari 1959: hij pleitte voor hervormingen met als doel Congo zo snel mogelijk onafhankelijk te maken, “zonder uitstel, maar ook zonder onbezonnenheid”. Hiermee wilde hij een koloniale oorlog vermijden. De Werkgroep noemde een termijn van vijftien jaar. Na de toespraak van de Koning neemt Van Hemelrijk de punten van de Werkgroep over.

Boudewijns woorden hadden grote uitwerking. De Congolezen gingen er van uit dat Van Hemelrijk hen onafhankelijk zou maken. De koloniale overheid in Leopoldstad was hiermee buiten spel gezet. Alles werd voortaan vanuit Brussel besloten. Het blanke gezag brokkelde in verschillende streken af. Er was veel burgerlijke ongehoorzaamheid. In de steden waren stakingen aan de orde van de dag. Brussel wilde elk conflict vermijden. Premier Gaston Eyskens zag in dat Congo alleen militair te pacificeren was; dit was echter politiek absoluut niet haalbaar. Van Hemelrijk werd als Minister van Koloniën opgevolgd door De Schryver. Raymond Chevennes werd aan hem toegevoegd als Minister van Congo.

In 1959 werd Patrice Lumumba gevangen gezet. De gemeenteraads­verkie­zingen werden massaal geboycot door de zwarten. Eind 1959 verkeerde een groot deel van Congo in de uitzonde­ringstoestand. Dit betekende dat de militairen het bestuur overnamen.

De derde fase: tot 30 juni 1960

De derde fase had als kenmerk dat het als geleidelijk bedoelde dekolonisatieproces werd tot een dekolonisatierace doordat de termij­nen alsmaar verkort werden. Op 16 october verklaarde De Schryver dat de weg naar dekolonisatie open stond. Na een bezoek van de Koning aan Congo verklaarde hij dat Congo reeds in 1960 onafhankelijk zou zijn. Op 20 januari 1960 startte een Rondetafelconferentie, die duurde tot 20 februa­ri. De eisen van de Congolezen (die geadviseerd werden door onder andere Prof. Jef Van Bilsen) waren: vaststelling van een onafhankelijkheids­datum en vrijlating van Patrice Lumumba. Bij de Belgen heerste minder eensge­zindheid. De Regering wilde een associatie van België en Congo, de socia­listische oppositie wilde Congo volledig onafhankelijk maken.

De onafhankelijkheidsdatum werd vastgesteld op 30 juni 1960. Lumumba kwam vrij. Wel werd besloten dat de blanke administratie en leger voorlopig het land zou blijven besturen, waarmee de Congolezen accoord gingen uit angst voor anarchie.

Na de onafhankelijkheid

Na de verkiezingen in mei 1960 kwam de MNC als grootste uit de bus. Uiteindelijk werd Lumumba premier en Kasavubu president. De nieuwe leiders waren slecht geschoold en niet eensgezind: Lumumba wilde een eenheidsstaat, terwijl Kasavubu een federatieve staat voorstond. De gevormde regering telde dertien partijen. De blanken ontvluchtten massaal het land. De Weermacht werd overbelast en kon het bestuur bijna niet aan. Er ontstonden opstanden tegen Lumumba. Na enkele incidenten besloot Premier Eyskens tot evacuatie van de blanken. Drie weken bleven parachu­tisten aanwezig, ondanks protesten van de Congolese regering. Twee provin­cies riepen de onafhankelijkheid uit, Kalonji en Katanga. Ingrijpen door de Verenigde Naties bleek nodig. Het land was zijn politiek gezag, zijn kader en bron van inkomsten verloren.

Nadat het land enkele staatsgrepen gekend had veranderde President Mobutu in 1971 de naam van het land in Zaïre.

Kernvragen

Naar aanleiding van deze geschiedenis dringt een drietal vragen zich op:

(1)  waarom bestond er zo lang zo’n complete politieke stagnatie in het land?
(2)  waarom ontstond opeens wel politieke betrokkenheid?
(3)  waarom werd het dekolonisatieproces dan toch in noodtempo uitge­voerd?

Ad 1:   In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kende Congo grote economi­sche ontwikkeling. Hoewel een groot verschil bestond in de voorde­len hiervan voor de blanken en de zwarten, profiteerden de laatsten hier ook van. Sociale maatregelen omtrent gezondheid en dergelijke hadden vaak groot effect. Hier bestond dus vooruitgang.

Langzaam ging het echter op andere gebieden: geen training van een Afrikaanse elite; geen participatie van de zwarten in het openbare leven, zowel in de overheid als het leger; men stelde geen politieke eisen. Dit werd veroorzaakt door een viertal factoren: een gebrek aan intellectuele trai­ning, een besef van Belgische superioriteit, de idee (met name bij de évolués) dat men de blanken moest imiteren, en het gebrek aan contact tussen de évolués onderling.

Ad 2:   De opkomst van het Congolese politieke besef is te verkla­ren uit de volgende punten: men begon meer te lezen, en meer van de wereld om hen heen te kennen. Daarbij kwam de instelling van wereldlijk onderwijs in 1954. Brussel begon toen ook te luisteren naar klachten van Congolezen, waardoor deze het gevoel kregen dat ze iets konden bereiken. Tot slot was van groot belang het artikel van Van Bilsen uit 1956, waarin een dertig-jaren plan naar voren werd ge­bracht.

Ad 3:   Oorzaken vanuit het perspectief van de zwarten waren de volgende: het onafhankelijk worden van Ghana in 1957; De toespraak van de Franse president De Gaulle uit 1958 in Brazzaville (Frans Congo) waarin hij stelde dat eenieder die onafhan­kelijkheid wilde deze voor het grijpen had; de versterking van dit beginnende gevoel door het bloedbad van 1959 in Leopoldville; hierop was de Belgische reactie het in het vooruitzicht stellen van onafhankelijkheid, waarna radica­li­satie van de eisen ontstond.

De koloniale macht was eenvoudig niet meer in staat het land onder controle te houden. Het land stortte langzaam in. De beslissin­gen werden voortaan gemaakt in Brussel, en daar zag men dat een koloniale oorlog politiek niet mogelijk was. De status quo ante was niet meer te herstel­len. Bovendien was de Regering voorzichtig op begrotingsgebied: Congo was verliesgevend. Premier Eyskens zou in 1960 met de Eenheidswet orde op zaken stellen ten aanzien van de binnen­landse begroting. Een andere mogelijkheid dan het aanbieden van onafhanke­lijkheid was er dus niet.

Geraadpleegde literatuur

Jean Stengers: Precipitous decolonization: the case of the Belgian Congo.

Paper in het kader van de studie Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Universiteit Utrecht, februari 1992.

Verder lezen: