In november 1979 werd door de Tweede Kamer een motie aangeno­men van het CDA-kamerlid Jan Nico Scholten, waarin de regering verzocht werd de mogelijkheden te onderzoeken van een olie-embargo tegen Zuid-Afrika, in samenwerking met de overige E.G.-lidstaten, of anders éénzijdig. Dit alles met het doel een signaal van protest te geven aangaande de mensenrechtensituatie in Zuid-Afrika. Minister van Buitenlandse Zaken Van der Klaauw zegde toe dat hij tot 1 juni steun zou gaan zoeken binnen de E.G., maar dat hij geen voorstander was van een eenzijdige boycot. Deze motie was aangenomen met steun van de linkse partijen, het CDA en drie VVD-ers, namelijk De Korte, Krijnen en Verkerk; opvallend, aangezien met name de VVD (in de persoon van vice-premier Hans Wiegel) sterk tegen een eenzijdige boycot was gekant.

Op de boycot was al langere tijd aangedrongen door verschil­lende maatschappelijke groeperingen, zoals de Werkgroep Kairos, het Komité Zuidelijk Afrika en de Anti-Apartheidsbeweging Nederland. Ook vanuit de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties was al vaak aangedrongen op een olie-embargo. De Veiligheidsraad heeft hierin echter nooit toegestemd. De oorzaak hiervan heeft gelegen in het feit dat de Westerse landen angst hadden voor verlies aan invloed in Zuid-Afrika indien daar een zwart (mogelijk marxistisch) bewind zou komen.

De Standpunten.

Op 30 mei 1980 schrijft Minister Van der Klaauw in een brief aan de Tweede Kamer dat hij geen steun voor een boycot heeft kunnen vinden bij de E.G.-partners. Zijn conclusie is dat de boycot niet zal worden ingesteld:

(1) geen eenzijdige boycot;
(2) de V-Raad moet erin toestemmen;
(3) een boycot zal schadelijk zijn voor de Zuidelijk Afrikaanse ontwikke­lingen;
(4) er bestaan twijfels over het effect van een olieboycot;
(5) alleen een boycot instellen als de situatie werkelijk hopeloos wordt.
(6) analogie naar eerder door Nederland ingestelde boycots tegen de Sovjet-Unie en Iran gaat niet op, aangezien er in deze twee gevallen (de inval in Afghanistan en gijzeling van onschendbaar ambassadeperso­neel) sprake was van schending van de internationale rechtsorde, waardoor dit dus door de VN gesanctioneerde boycots waren;
(7) een isolement van Zuid-Afrika zal oplossing van de Apartheid niet dichterbij brengen.

Op dat moment ontstond een grote discussie over wat er moest gebeuren met de olieboycot. Talrijke maatschappelijke groeperingen, zoals (behalve bovengenoemden) de Raad van Kerken, het CNV en de Anne Frank-Stichting, drongen aan op een eenzijdige olieboycot door Nederland. Deze mening werd gedeeld door de PvdA-oppositie in het Parlement, aangevuld met Klein-Links en de Loyalisten binnen het CDA.

Dit was een groepering van ca. 10 fractieleden, onder leiding van eerdergenoemde Jan Nico Scholten, die het regeerakkoord van het toenmalige Kabinet Van Agt-Wiegel niet hadden ondertekend, maar die vorming van het Kabinet verder niet hadden willen tegenhou­den, vandaar de naam Loyalisten. De loyalisten stamden veelal van AR-huize. Deze zogenaamde ‘bloedgroepenproblematiek’ binnen het CDA heeft in de beginperiode van het CDA, en met name in deze periode, toen de fusie tussen KVP, ARP en CHU nog niet afgerond was, vaak opgespeeld.

De argumententatie van de voorstanders van de olieboycot had als hoofdpunten:

(1) veranderingen in Zuid-Afrika blijven uit;
(2) druk van buitenaf is het meest effectief;
(3) een boycot zal niet schadelijk zijn voor Zuidelijk Afrikaanse landen, zoals (het pas ontstane) Zimbabwe;
(4) de zwarte Zuid-Afrikanen staan achter een embargo;
(5) een olieboycot is het laatste middel dat nog rest;
(6) in het verleden heeft Nederland óók (weliswaar ineffectieve) boycotten ingesteld tegen de Sovjet-Unie en Iran;
(7) een olieboycot op zichzelf is nog onvoeldoende, dus ook aanvul­lende maatregelen zijn wenselijk.

De Crisis.

Op 18 juni werd de brief van Van der Klaauw in de Kamer behandeld. Door Jan Nico Scholten werd nogmaals een motie ingediend waarin de regering verzocht werd:

(1) inspanningen te doen om de kwestie Namibië op te lossen;
(2) E.G. hulp aan de landen in Zuidelijk Afrika te vergroten;
(3) thans een olie-embargo tegen Zuid-Afrika in te stellen.

De motie werd aangenomen met als tegenstemmers VVD, SGP, GPV, DS’70 en elf CDA-ers, te weten Van Heel, Bremen, Van der Sanden, Van Iersel, Van Rooyen, Hennekam, Van Dijk, Wisselink, Mateman, Schakel en Van Dam. Het Kabinet blijft weigeren een boycot in te stellen, met name vanwege Zimbabwe, het overbodig zijn van een signaal (Zuid-Afrika weet het Nederlandse standpunt) en het feit dat de Zwarte Zuid-Afrikanen tegen zouden zijn.

Op 24 juni volgt in een brief van Van der Klaauw het antwoord van het Kabinet:

(1) een embargo heeft schadelijke gevolgen voor de frontlijn­staten;

(2) zonder E.G. steun is een embargo ineffectief;

(3) eenzij­dige boycot door Nederland zou Nederland in een geïsoleerde positie binnen de E.G. plaatsen. De brief bevatte dus geen nieuwe argumenten, desondanks bleef de regering bij haar besluit geen boycot in te stellen. Met twee in de motie genoemde punten stemde het Kabinet in, namelijk dat zij inspanningen zou doen inzake de kwestie Namibië, en een bijdrage zou geven aan het Zuidelijk-Afrika program. Verder besloot zij tot twee extra maatregelen: medewerking aan het zo snel mogelijk economisch onafhankelijk maken van Zimbabwe, en het instellen van een visumplicht voor Zuid-Afrikanen. Hier bleek dat een spraakver­warring ontstond tussen de diplomaat Van der Klaauw en zijn tegenstan­ders.

PvdA-kamerlid Relus Ter Beek verklaarde in een interview dat hij de regering tegenstrijdig vond: enerzijds verklaarde de regering een embargo niet effectief te vinden, anderzijds stelde zij dat een embargo desondanks schadelijk zou zijn voor de frontlijnstaten. Met andere woorden, volgens hem was de politieke wil eenvoudig afwezig.

Op dit moment kwam een uitspraak van President Mugabe van Zimbabwe in de openbaarheid dat hij voorstander is van een olieboycot tegen Zuid-Afrika. Dit bracht het Kabinet nog verder in de problemen: want het was intussen duidelijk geworden, dat de boycot een gevaar voor het Kabinet was geworden. De linkse oppositie telde 68 zetels, er waren dus slechts acht CDA-ers nodig om het kabinet te laten vallen. Het waren dus met name de krachtsverhoudingen binnen het CDA die cruciaal werden.

Binnen het Kabinet vertegenwoordigde Premier Van Agt de rechtervleugel van het CDA. Hij was overtuigd tegen de olieboycot. Minister Albeda van Sociale Zaken (geen loyalist) probeerde de standpunten tussen de rechter- en linkervleugel van het CDA te overbruggen, zodat hij binnen het Kabinet tegenover Van Agt kwam te staan. Binnen de Tweede Kamerfractie lagen de meningen verder uiteen: de loyalistische linkervleugel van de CDA-fractie stemde vaak tegen het kabinetsbeleid. De vraag was echter: zou men ook zover gaan het Kabinet te laten vallen? Immers, de loyalisten dankten hun bestaans­recht aan datzelfde Kabinet. Fractievoorzitter Ruud Lubbers van het CDA bevond zich in een vergelijkbare positie als Minister Albeda. Het was immers zijn taak de fractie bij elkaar te houden. Dit betekende enerzijds dat ook hij vaak tegenover Van Agt kwam te staan. Bijvoor­beeld zijn uitspraak dat Van der Klaauw wellicht binnen het E.G.-overleg niet overtuigend genoeg zou zijn geweest (indien de E.G.-partners nee zouden zeggen was hij ook verlost van een maatregel waarin hij niets zag) is hiervoor illustratief. Anderzijds wilde hij ook geen kabinets­crisis riskeren. Binnen de Eerste Kamer bestond alleen de ‘rechter­vleugel’ van het CDA; de situatie was daar dus het meest stabiel. CDA-fractieleider in de Eerste Kamer Van Hulst ver­klaarde zich dan ook tegenstander van een eenzijdige olieboycot.

Op 26 juni volgde het Kamerdebat over het voorgenomen Kabi­netsbesluit. De PvdA-kamerleden Ter Beek en Waltmans dienden een motie in waarin de regering werd uitgenodigd de op 18 juni door de Kamer aanvaarde motie in zijn geheel uit te voeren. De motie werd aanvaard, en gesteund door dertien CDA-ers, namelijk De Boer, Scholten, Van Houwelingen, Buikema, Couprie, Dijkman, Faber, De Kwaadsteniet, Veerman, Borgman, Beinema, De Boer en Lansink. Tegen stemden: overig-CDA, VVD, SGP, GPV, DS’70.

Het Kabinet weigert hierop de motie uit te voeren. Het gevolg hiervan was een motie van afkeuring ingediend door PvdA-fractieleider Den Uyl. Deze motie werd verworpen met 74 stemmen tegen en 72 voor. Afwezig waren bij de stemming Dankert (PvdA), Geurtsen (VVD), Van Rossum (SGP) en Boer Koekoek (Boerenpartij). De motie werd gesteund door zes CDA-ers, namelijk De Boer, Scholten, Van Houwelingen, Buikema, Couprie en Dijkman.

Na het ternauwernood overleven van het Kabinet zegde de regering toe alsnog steun te zullen gaan zoeken voor sancties bij de BENELUX en de Scandinavische landen. Deze uiterste concessie was afgedwongen door Minister Albeda als gebaar naar de CDA-fractie en betekende mogelijk de redding van het Kabinet. Later zou blijken dat ook bij deze landen geen steun te vinden was voor een gezamenlijke olieboycot.

Conclusie.

De overwinning van het Kabinet zou een Pyrrhus-overwinning kunnen worden genoemd. Het Kabinet diende in het vervolg rekening te houden met de SGP, GPV en DS’70, om zeker van een Tweede Kamer-meerderheid te kunnen zijn. Van Agts positie was beschadigd: de machtsbasis van zijn Kabinet was verkleind, en hij had zich sterk vervreemd van de loyalis­ten. Ook binnen het Kabinet raakte zijn positie hierdoor aangetast. Ook vice-premier Wiegel had enigszins verloren: door de harde opstel­ling van de Tweede Kamer waren eenzijdi­ge sancties toch dichterbij gekomen. Ook fractieleider Lubbers verloor: hij was beetgenomen door Van Agt, hij kon uiteindelijk niet anders doen dan het kabinetstandpunt verdedigen, en Van Agt durfde het dus op een crisis aan te laten komen. De tweespalt in Lubbers’ Tweede Kamerfractie was definitief voltrokken.

Paper in het kader van de studie Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Universiteit Utrecht, februari 1992.

Verder lezen: