DE NEDERLANDS-BELGISCHE BETREK­KINGEN EN DE BELGI­SCHE STAATSHERVORMINGEN: het Nederlands taalgebied in het Eu­ropa der Regio’s

 

INLEIDING

 

De plaats van Nederland in de wereld is sedert het eind van de Koude Oorlog sterk gewijzigd. Tijdens de Koude Oorlog heeft de Atlantische traditie, waarbij Nederland vertrouwde op de rol van de Verenigde Staten in Europa om de machtsverschillen klein te houden goed gefunctioneerd. Nederland hoefde zich daardoor niet zo veel te bemoeien met de landen om zich heen, en kon zich afzijdig houden van de Europese machtspolitiek. De na de Duitse eenwording ontstane Frans-Duitse as, die nu de Europese machtspolitiek is gaan bepalen, heeft de Nederlandse positie onzeker gemaakt. Bij de opvolgingscrisis rond het voorzitter­schap van de Europese Commissie is gebleken, dat Nederland ook de kleine landen niet heeft kunnen mobiliseren. De Britse relatieve afzijdigheid in het Europese samenwerkingsproces heeft een nieuwe positiebepaling van Nederland in Europa nog urgenter gemaakt. In een meer continentale Nederlandse diplomatie lijkt samenwer­king met België als eerste voor de hand te liggen, wegens de geografische en taalculturele nabijheid, en de sterke economische banden. Nu is de Belgische staatkundige constellatie de laatste jaren ingrijpend gewijzigd.

Wanneer dergelijke ingrijpende staatkundige veranderingen in een land optreden, worden andere landen vroeg of laat geconfron­teerd met deze verande­ringen. Zeker de buurlanden zullen in hun contacten met dit land in moeten springen op de nieuw ontstane situatie. Het federaliseringspro­ces zoals dat sedert 1970 door middel van een serie grondwetswijzigin­gen zijn beslag heeft gekregen in België, heeft dan ook niet alleen intern, maar ook met be­trekking tot contacten met derde landen verande­ringen tot gevolg gehad. De bijzondere aard van federalise­ring bestaat hierin, dat de Gemeen­schap­pen bepaalde exclusieve bevoegdhe­den hebben gekre­gen, die buiten de competen­tie van de nationa­le overheid vallen. Tevens hebben de Gemeen­schappen de moge­lijkheid gekre­gen verdragen te sluiten. Dit alles heeft voor derde landen tot gevolg dat ­nieuwe ge­sprekspartners in het internati­ona­le verkeer zijn ont­staan. Zo moet Nederland voort­aan niet meer voor aangele­genheden die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeen­schap vallen, aan­kloppen bij de Belgische overheid. In zo’n geval is men ge­noodzaakt met de Vlaamse overheid te spreken.

Een tweede punt van verandering heeft betrekking op de positie van Regio’s (zoals Vlaanderen) in de Europese Unie. Tot aan het Verdrag van Maastricht hadden regionale en lokale overhe­den geen stem in de EG. ‘Maastricht’ voorziet echter in de oprichting van het Comité van de Regio’s, een adviserend lichaam, samengesteld uit verte­genwoordi­gers van deze regiona­le en lokale overheden. Wordt Vlaanderen, dat bovendien ver­drags­luitende bevoegd­heden heeft, hier­door een aantrekkelijker partner voor Nederland, en waaruit blijkt dit?

De contacten tussen de Nederlandse en Belgische regeringen zijn tal­rijk. Ze zijn door middel van diverse ver­dragen aan elkaar gelieerd, zoals de Europese Unie, de NAVO, WEU, Neder­landse Taalunie en de Benelux. Maar ook daarbui­ten zijn de contacten legio. De gemeen­schappelijke taal geeft een uniek cachet aan deze rela­tie: voor de behartiging van de belangen daarvan zijn Neder­land en Vlaanderen bij uitstek op elkaar aangewezen. Bovendien zijn beide staten kleine Europese mogendheden, wat hun politieke belangen min of meer overeenstemmend zou moeten maken, en zijn ze econo­misch aan elkaar gelieerd, zowel in Europees als regio­naal verband. Uit de betrek­kingen tussen Nederland en België kan men aflezen welke prioriteit Neder­land geeft aan betrekkingen met kleinere staten in zijn algemeenheid. Immers, de relatie met een wille­keurige andere kleine staat zal niet snel die met België in innigheid overtref­fen.

Men zou verwachten dat twee buurvolken die zo overduidelijk wat betreft taal en cultuur aan elkaar verwant zijn, en van een gelijkwaardige politieke betekenis zijn, zelfs zouden streven naar een fede­ratief staatsverband. Daarmee zouden de belangen van de burgers immers met meer kracht verdedigd kunnen worden. Paradoxaal genoeg is echter nooit een duurzaam federa­tief staats­verband ontstaan, en men lijkt dit ook niet van plan.

Nu hebben zich in België staatsrechtelijke veranderingen voorgedaan. In welke mate is Nederland in staat geweest tijdig op de verande­rin­gen in de Belgische staatkundige situatie in te spelen, waarmee de positie van Nederland in Europa direct geraakt wordt?

De vraag die hier, toegespitst op de relatie Neder­land-Vlaan­deren, aan de orde gesteld wordt, is: hoe kunnen de tegenwoor­dige betrekkingen tussen Nederland en België cq. Vlaanderen gekenschetst worden, en brengt het proces van de Belgi­sche staatsher­vormin­gen en de instel­ling van het Europese Comité van de Regio’s veranderin­gen teweeg in de richting van diepere samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen?

Om de aard van de huidige onderlinge betrekkingen te kunnen analyseren, is het allereerst nodig om de traditie en historische achtergronden van deze betrekkingen aan te geven. Daarom zal allereerst de geschiede­nis van de Neder­lands-Belgische relatie tot 1945 geschetst worden. Men kan de buitenlandse betrekkingen van een land onderverdelen in economische, politieke en culturele betrekkingen. In hoofd­stuk II komen daarom de Nederlands-Belgische politieke en economische verhoudin­gen aan de orde. Hoofd­stuk III handelt over de onder­linge culturele betrekkin­gen en het aspect van de taal-culturele identi­teit daarin.

Vervolgens komen de veranderende omstandigheden aan bod: in hoofdstuk IV worden de gevolgen van de Belgische staatsher­vormin­gen voor de Neder­lands-Vlaamse betrekkingen behan­deld; Hoofd­stuk V heeft betrek­king op het Europa der Regio’s. Hierna volgen de conclusies op de vraagstelling. Tenslotte wordt, bij wijze van toegift, een drietal scenari­o’s gepre­sen­teerd, die betrek­king hebben op de toekomst van de Neder­lands-Vlaamse relatie in het Europa der Regio’s.

 

IHISTORISCHE ACHTERGROND: GESCHIEDENIS TOT 1945 IN KORT BESTEK

 

“Bij hun komst brengen de jaren veel voor­delen met zich mee, en bij hun heen­gaan ontnemen zij er ook veel.”

(Horati­us)

 

Inleiding

 

De huidige betrekkingen tussen Nederland en België zijn het produkt van de geschie­denis van de relaties tussen beide landen. In dit hoofdstuk zal de geschiedenis van de betrekkin­gen tussen Nederland en België tot 1945 in vogelvlucht behan­deld worden, waarbij de al dan niet gemiste kansen tot samen­werking aan bod komen. Hierbij zal de vraag aan de orde komen, wat de betekenis was van de geschiedenis voor de tegenwoordige betrek­kingen. Tevens zal duidelijk worden waarom niet in het verleden al is gekozen voor fede­ralisme­.

In 1945 breekt de naoorlogse periode aan: deze periode zal in de overige hoofd­stukken aan bod komen, waarbij de betrek­kingen worden opgesplitst in politiek, econo­mie en cultuur. De eenmaking onder de Bourgondische hertogen wordt als begin­punt gekozen, niet omdat dit de allereerste keer zou zijn dat de Nederlanden zich in één staatsverband bevonden (dit was bijvoorbeeld tijdens Karel de Grote ook al het geval). In dit tijdvak vindt echter tevens een Europees proces plaats van het ontstaan van andere nationale staten uit feodale rijken, door vergroting van de koninklijke macht en de opkomst van de burgerij.[1]

Vanaf 1839 worden dan de betrekkingen tussen Nederland en België thematisch nagegaan, als in de overige hoofdstukken. Tenslotte wordt duidelijk waarom er geen federale eenheid van de Nederlanden is ontstaan, en zijn de gevolgen van de gemeen­schappelijke geschie­denis voor de onderlinge relatie duidelijk geworden.

 

1        Eenwording en afscheiding (1): 1384 – 1609

 

1.1     De Bourgondische hertogen en de Habsburgers

 

In het feodale tijdperk ontstond in de Nederlanden een groot aantal semi-onafhanke­lijke gewesten. Al deze gewes­ten maakten deel uit van het Heilige Roomse Rijk, met uitzonde­ring van Artesië en het Graafschap Vlaanderen, die onder Frank­rijk ressorteer­den. Aan de feodale ver­snip­pering van de Neder­landen kwam een geleide­lijk einde in de jaren 1384-1543, toen de Bourgon­dische herto­gen en hun opvolgers van het Habsburg­se Huis door huwe­lijkspoli­tiek en verovering alle gewesten onder hun gezag brachten, met uitzondering van het Prinsbisdom Luik, dat grofweg de huidige Belgische provincies Luik en Lim­burg omvatte. Het proces van vereniging van vorstendommen was overigens al langer bezig.[2]

De voor de ontwikkeling van een nationaal bewustzijn belang­rijkste Bour­gondische vernieuwing was waarschijnlijk de invoe­ring van statenvergade­ringen in alle gewesten die onder hun bestuur kwamen, en het vanaf 1464 bijeenroepen van de Staten-Generaal.[3] In 1529 werd met de Vrede van Kame­rijk aan de feo­da­le band die Vlaande­ren en Artesië met Frankrijk verbond een eind gemaakt: voortaan behoorden nu dus alle Nederlan­den tot het Heilige Roomse Rijk. In 1548 werd de eenwor­ding van de Lage Landen ge­nstitu­tiona­li­seerd door de oprich­ting van de ‘Bour­gondische Kreits’, waarmee de Neder­landen een afzon­der­lijk deel van het Duitse Rijk werden met een tamelijk grote mate van onaf­hanke­lijk­heid. De ‘Pragma­tieke Sanctie’ van 1549 regelde de opvol­ging van de landsheer in alle gewes­ten op identie­ke wijze. Op deze wijze werden alle gewesten onder Karel V onlosma­kelijk met elkaar verbonden.

Dit alles wilde nog niet zeggen dat de bewoners zich vanaf nu reeds daadwerkelijk ‘Nederlanders’ gingen voelen. In de eerste plaats voelde men zich verbonden met het gewest waarin men woon­de. De gewesten hadden immers allerlei afzonderlijke voorrech­ten, gewaarborgd door privileges, die aan dat gewest vrij­heid en een bepaalde onafhanke­lijk­heid ver­schaften. De Bourgondiërs deden er wel alles aan om de staatsinrichting van de gewes­ten op gelijke wijze te regelen, onder meer door het instellen van gemeen­schappe­lijke staatsinstellingen. Tijdens de regering van Karel V kreeg de Reforma­tie vooral onder de stedelijke bevolking van Brabant, Vlaanderen, Holland en Zeeland veel aanhang. Strenge maatregelen ertegen versterkten het ongenoegen onder de lokale overheden, die er een beperking van hun eigen zelfstandigheid in zagen.[4]

Er werd in deze periode geen tegenstelling gevoeld tussen Nederlands en Frans. De grenzen van de gewesten hadden uit­sluitend politieke betekenis, en waren niet gebaseerd op de taalgrens. Nadat in 1477 het Hertogdom Bourgondië voor de Hertogen verloren was gegaan, was de meerderheid in hun gebied neder­landstalig. Aan het hof te Brussel was Frans echter de voertaal.

In 1555 werd Karel V in de Nederlanden opgevolgd door zijn zoon Filips II. Onder zijn bewind kwamen sociaal-economi­sche, politieke en religieuze spanningen tot een uitbar­sting. Deze spanningen resulteerden in de tweedeling tussen het Noorden en het Zuiden. Hoewel de scheiding evenmin met de grens van de Reformatie als met de taalgrens samenviel, ligt de oorzaak voor de afschei­ding toch bij de Reformatie, in samenhang met een economi­sche depres­sie, die de nijverheid in Vlaanderen en Brabant trof. Dat de grens tussen Noord en Zuid uiteindelijk kwam te liggen waar hij lag, vond zijn hoofdoor­zaak in de wijze waarop de opstand zich in militair-strate­gisch opzicht ontwikkelde.

 

1.2     De Reformatie

 

Godsdienst was in deze tijd de kern van de samenleving, en dat hij louter privé-zaak zou zijn was volstrekt ondenk­baar. Godsdienstige verdeeldheid was dus automatisch een politieke verdeeldheid.[5] Het calvinisme trad tijdens het bewind van Filips II met name in het Zuiden sterk op de voorgrond.[6] Bij de Pacificatie van Gent (1576), ondertekend door alle gewes­ten, vormden de Nederlanden nog altijd een eenheid. Die eenheid werd verbroken door de Unie van Atrecht (1579), geslo­ten door de ‘malcontente’ gewesten Artesië en Hene­gouwen. Deze gewesten waren het vooral niet eens met de politiek van Willem van Oranje. Hoewel het hier wel de Waalse gewesten betreft, speelde de taalgrens opnieuw geen rol. Immers, vanaf 1576 had de opstand zich evenzeer hier afge­speeld, en het calvinisme was vanaf het begin ook in fransta­lige gebieden doorge­drongen geweest. De Unie van At­recht werd vooral tot stand gebracht door de diplo­matie van Parma, die sedert 1578 landvoogd was.

De Noordelijke gewesten, in de knel gekomen, sloten zich nauwer aaneen in de Unie van Utrecht (1579). De politieke en reli­gieuze tweede­ling die daarop ontstond was een gevolg van de Unie van Atrecht en de daarop­volgen­de Spaan­se veroverin­gen. De rivieren gaven de op­standelin­gen de mogelijkheid zich in het Noor­den te ver­schansen. De aan de verkeerde kant van deze ‘strategische slagboom’ gelegen zuidelijke gebieden konden betrekkelijk eenvoudig door Spanje terug­veroverd worden.[7] Het destijds overwe­gend katholieke Oost-Neder­land kon door de opstande­lingen gemakkelijk veroverd worden. In het Zuiden werd de Contra­re­formatie streng doorge­voerd, ter­wijl in het Noor­den het calvinisme min of meer tot staats­gods­dienst werd. Dit betekende dat vele Zuide­lijke protes­tan­ten naar het Noor­den uitweken. Na verloop van tijd ontstond zo de twee­deling van het overwe­gend protes­tantse Noorden tegen­over het katholieke Zuiden.

In 1585 viel het laatste bolwerk van de opstand in het Zui­den, Antwerpen. Voor de opkomst van Amsterdam als belang­rijkste havenstad was deze gebeur­tenis van doorslag­gevende beteke­nis. Aange­zien het Noorden er niet in slaag­de een geschik­te soeve­rein te vinden, werd uiteindelijk in 1588 de Republiek uitge­roe­pen.

Zo waren er dus twee staten in de Nederlanden ontstaan. Gedu­rende de zeventiende en achttiende eeuw was de Repu­bliek zowel economisch als politiek superieur aan het Zuiden. Van een gelijkwaardige relatie was geen sprake, het Zuiden vervul­de veelal de slachtofferrol in de mili­taire onderne­mingen van zijn (noorder)buren. “Twee natio­naliteiten ont­stonden in plaats van één. De Zuidelijke Nederlanden werden in bijna alle opzichten de echte, maar aan weers­zijden gesnoeide uitgroei van de Bourgondische staat. Zij vormden een staat en een nationa­liteit, maar zij misten twee en een halve eeuw het goed, dat staat en nationali­teit volwaardig maakt: de vrij­heid. De Noordelij­ke Nederlan­den vormden een nationaliteit, en in hogere zin dan hun buren, want zij hadden de vrijheid. Maar zij waren nauwelijks een staat te noemen, zozeer werden zij beheerst door het beginsel der provinci­ale zelfstandigheid.”[8]

In 1598 stierf Filips II. Hij had zijn dochter Isabella laten trou­wen met landvoogd Albrecht van Oostenrijk, die als bruids­schat de Zuidelijke Nederlanden kreeg, die hier­mee min of meer onafhanke­lijk werden. In de nieuwe staat zouden echter nog altijd enige Spaan­se troepen aanwezig blijven. Indien het huwelijk tussen de aartsher­togen Albrecht en Isabella kinder­loos zou blijven, zouden hun gebie­den weer onder Spaanse heer­schappij vallen. Deze politiek ontlastte Spanje van de kostba­re oorlog met de Republiek, die boven­dien met name gesteund werd door Frankrijk en Enge­land omdat hun opstand zich tegen Spanje richtte. Bovendien koes­terde men de hoop dat het Noor­den zich wellicht aange­trok­ken zou voelen zich te hereni­gen met een onafhanke­lijk gewor­den Zuiden, onder de rechtmati­ge soeve­rein.[9]

Daarvan kwam echter niets terecht, al was het maar omdat het Zuiden nog altijd sterk aan Spanje gebonden bleef. Bovendien was de Republiek zonder meer levenskrachtig geble­ken, waardoor men daar de noodzaak van een hereniging steeds minder ging inzien. Zonder de hulp van Frankrijk en Engeland was het hen echter ook niet mogelijk het Zuiden te veroveren. Het Bestand dat afge­sloten werd in 1609 bevestigde de bestaande toestand: de Repu­bliek werd de facto door Spanje en Brussel erkend.

De instabiele situatie die in de Nederlanden onder Filips II aan het licht trad was het gevolg van enerzijds de aanhang die de Refor­matie kreeg in vele steden en anderzijds van econo­mische pro­blemen. Deze problemen speelden zich bovendien af tegen de achter­grond van een bevolking die nog altijd gehecht en gewend was aan hun lokale autonomie. De opstand tegen het gezag van Filips II, die aanvankelijk vrij algemene aan­hang had, kon door politiek, strategisch en diplomatiek optreden van de Spanjaarden terug­gebracht worden tot het gebied ten Noorden van de grote rivie­ren. Deze tweedeling had op zijn beurt tot gevolg dat in het Zuiden de Contra­reformatie doorge­voerd kon worden, verge­zeld van een uittocht naar het Noorden van vele Zuidelijke protes­tan­ten. De uitoefening van het katholicis­me, aanvankelijk nog altijd in de meerderheid, werd in het Noorden bemoeilijkt. Op deze wijze ontston­den twee in religieus en politiek opzicht zeer verschil­lende staten in de Nederlanden, die langzaam van elkaar vervreemdden.

 

2        Een proces van vervreemding: 1609-1810

 

2.1     Noord en Zuid (1)

 

In 1621 overleed Aartshertog Albrecht zonder nageslacht, waardoor de Zuidelijke Nederlanden weer terug naar de Spaanse kroon gingen. Isabella bleef als landvoog­des het bewind voe­ren. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd de strijd hervat, waarbij stadhouder Frederik Hendrik Noord-Brabant, delen van Limburg en Zeeuws-Vlaan­deren als Generali­teitslanden (dus zonder eigen stem)[10] aan het grondge­bied van de Repu­bliek toevoeg­de. De Republiek onder­handelde ook met Frank­rijk over een verde­lingsplan van de Zuidelijke Nederlan­den, dat echter geen tastbare resulta­ten oplever­de.[11]

Nu het verbond met Frankrijk niet door ging, lag een vrede met Spanje binnen bereik. Spanje erkende de soevereiniteit van en gebiedsafstand aan het Noorden, en de sluiting van de Schelde. Over de godsdienst in Noord-Brabant werd niets beslist. De Vrede van Münster bevestigde de tweedeling, met het Zuiden in een onderge­schikte positie. De rijke Republiek beschouw­de het Zuiden als ideale bufferstaat tegen Frank­rijk, en beschermde het tegen Franse veroverin­gen, die in 1668 niettemin plaatsvonden.

Het gevoel van zekerheid door rijkdom en macht in de Republiek liep werd ernstig geschaad in 1672, toen Lode­wijk XIV hen de oorlog ver­klaarde. Een werkelijk anti-Franse politiek kon men gaan voeren, toen stadhouder Willem III de Engelse troon besteeg, waardoor de Neder­landse en Engelse politiek sterk met elkaar ver­bonden werden. Bij de Spaanse Successieoorlog (1700-1713) was er opnieuw gevaar dat het Zuiden aan Frankrijk zou komen. De grote mogendheden wisten dit te voorkomen. Vanaf 1706 werd het Zuiden be­stuurd door een ‘Anglo-Bataafs Bewind’, in af­wachting van een vredes­verdrag. Na de Vrede van Utrecht (1713) kwamen de Oostenrijkse Habsbur­gers in het Zuiden aan de macht. De Oostenrijkse Successie­oorlog (1740-1748) gaf de Fransen opnieuw de gelegenheid een groot deel van het land te bezetten (1744-1748). Uiteinde­lijk werd de oude situatie hersteld onder Maria Theresia.

Intussen kende het Zuiden een economische ontwikkeling die in het Noorden ontbrak. Rond 1750 had het Zuiden een grotere bevolking dan het Noorden, waar de bevolkings­groei stag­neerde. Het Zuiden kende ook een relatief vroege industriali­satie. Na de Franse tijd werden dan ook Zuidne­derlan­ders door buiten­landse diplomaten energieker en moderner ingeschat dan Noord­nederlanders.[12]

Franse invallen in Staats-Vlaanderen en Zeeland in 1747 brach­ten stadhou­der Willem IV aan het bewind, als eerste over alle gewesten in de Repu­bliek. Het stadhouderschap werd bovendien erfelijk verklaard, en kreeg sterk monar­chale kenmerken. Deze overwinning van de Orangisten op de regenten kon evenwel het machtsverlies van de Republiek niet doen afne­men. Willem V (1748-1795) wilde een neutrale politiek ten opzichte van Engeland en Frankrijk voeren, hetgeen hem door de anti-oran­gistische patriotten onmoge­lijk gemaakt werd. De Vierde Engel­se Oorlog verliep ramp­zalig en was tekenend voor het machts­verval van de Repu­bliek, waar interne partijstrijd hoogtij vierde.

Het soevereine Prinsbisdom Luik voerde intussen een traditionele neu­trali­teitspolitiek, met uitzondering van 1672, toen het de Republiek de oorlog verklaarde. Tot 1688 was haar politiek overigens wel enigszins aan Frank­rijk gelieerd geweest. Na betrokken te zijn geweest bij de Frans-Duitse oorlog van 1688, omdat Duitsland neutraliteit verbood aan elk lid van het Rijk, keerde het in 1714 terug tot die neutraliteit, en bleef het, afgezien van de regelmatig doort­rekkende buitenlandse legers, rustig in het Prins­bis­dom tot de Franse tijd.[13]

Jozef II, sedert 1780 in het Zuiden aan het bewind, onder­nam pogingen om het bestuur drastisch te moderniseren, door beper­king van de macht van de kerk, reorganisatie van het rechts­stelsel en beperking van de provincia­le macht. Verzet hierte­gen resulteerde in het verjagen van de Oos­tenrijkers in 1789 en de opstelling van een eigen grondwet in 1790: de Verenigde Belgisch Staten vormden nu een Republiek. Jozef II, die in datzelfde jaar overleed, werd opgevolgd door Leopold II, die het Oos­tenrijkse gezag binnen een jaar wist te herstellen.

 

2.2     De Franse Tijd

 

De Franse Revolutie bracht grote gevolgen met zich mee voor de beide Nederlanden en Luik, hoewel op zeer ver­schillende wijze. Het Zuiden en Luik werden in 1794 door Frankrijk veroverd en in 1795 geannexeerd, een situatie die gedurende twintig jaar zou blijven bestaan. Deze lange periode zou van grote invloed blijken op het verder uit elkaar groeien van de beide staten. Het bestuur werd geheel franstalig, overeenkomstig de Franse binnenlandse politiek van onderdrukking van streektalen.[14] Dit bracht met zich mee dat de bovenlaag van de burgerij ten noorden van de taalgrens geheel verfranste, waardoor men zou kunnen spreken van het ontstaan van een nieuwe, sociale taal­grens naast de geografi­sche taalgrens.

Nederland werd in 1795 wel door de Fransen veroverd maar pas in 1810 gean­nexeerd. De Bataafse Republiek (1795-1806) was, evenals het Koninkrijk Holland (1806-1810) een vazal­staat van Frankrijk. Het werd geleidelijk omgevormd van een statenbond tot een echte eenheidsstaat. Onder Raadpen­sionaris R.J. Schimmelpenninck (1805-1806) en koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) kende Nederland, op wens van Napoleon, voor het eerst een eenhoofdig bestuur.[15] De economie kende echter een sterke neergang, en van interna­tionaal-politieke macht was, na het verlies van de koloniën, niets meer te bespeu­ren. Het Noorden maakte slechts drie jaar deel uit van Frank­rijk, waardoor de verfran­sing hier echter oneindig veel minder diep­gang kende dan in het Zui­den.

Gedurende de bovenstaande perioden groeiden het Noorden en het Zuiden steeds verder uit elkaar. Het machtige en rijke Noorden had steeds minder behoefte aan hereniging met het Zuiden, dat als bufferstaat tegen Frankrijk stra­te­gisch goede diensten bewees. De verfransing in het Zuiden in de Franse tijd maakte de ver­vreemding tenslotte com­pleet, en er ontstond een bar­rière die hereni­ging in de weg zou staan.

 

3        Eenwording en afschei­ding (2): 1810-1839

 

Na de annexatie bevonden alle Nederlanden zich voor het eerst sinds Filips II weer in één staatsverband. De rege­ring van Napoleon kenmerkte zich in negatieve zin door uitbuiting en in positieve zin door de invoering van de Code Napoléon. De gouverneur-Generaal, Charles Lebrun, stelde, in tegen­stelling tot zijn voorganger koning Lodewijk Napoleon, het belang van het Keizerrijk op de eerste plaats.[16] Napoleons nederlagen in 1813 leidden tot de ineen­storting van het Franse gezag in het Noorden. Een ‘Voorlo­pig Bestuur’, onder leiding van Van Hogen­dorp, riep de zoon van Willem V, de latere Willem I, naar Nederland als Soeve­rein-Vorst.

 

3.1     Het Verenigd Konink­rijk

 

Na de val van Napoleon vonden de mogendheden dat er een sterke buffer­staat aan de Franse noordgrens moest komen. Uit deze idee werd het Verenigd Koninkrijk der Nederlan­den van Willem I geboren. Oostenrijk had liever gebiedsuit­breiding in Italië dan herstel van zijn gezag in de Zuide­lijke Nederlanden. Aanvankelijk werd voorgesteld om de linker Rijnoever van Keulen noordwaarts ook bij het Ko­ninkrijk te voegen, maar Pruisen verzette zich hierte­gen. Bij de Ministeriële Conferen­tie van Chaumont (3 maart 1814) werd Nederland zelfstandig toegelaten, waarmee Neder­land voor het eerst sinds de Franse Tijd officieel erkend werd.[17]

Hoewel het Zuiden economisch en demografisch ster­ker werd inge­schat, werd toch het Noorden tot de kern van het land gemaakt, omdat hier al een traditie van onafhan­kelijkheid bestond die het Zuiden niet kende. In België, aanvankelijk bestuurd door een Gouverneur-Generaal namens de mogendhe­den, openbaarde zich verzet na het bekend worden van de aanhechting bij het ‘protestantse Hol­land’. De onderhande­lingen waren echter zo weinig bekend, dat de bevolking eenvoudig voor een voldongen feit werd ge­plaatst. De vereni­ging, geregeld in de ‘Acht Artikelen’, ging in op 1 augus­tus 1814.[18] De defi­nitieve grenzen werden geregeld bij het Congres van We­nen. Op 15 maart 1815 werd het Konink­rijk der Nederlanden afgekon­digd.

Een Commissie tot herziening van de grondwet, bestaande uit 12 Nederlan­ders en 12 Belgen, in meerderheid antikle­rikaal, werd aangesteld. De bezwaren van de Belgen waren van politieke en godsdienstige aard: de samenvoeging van de staatsschulden (de Neder­landse was veel groter dan de Belgische), het gelijke aantal afgevaardigden in de Sta­ten-Generaal (België had 3,5 miljoen inwoners, Nederland 2 miljoen) en de grote macht van de koning, die de ministeriële verantwoordelijk­heid had afge­wezen. De Belgi­sche bisschoppen hadden bovendien bezwaar tegen de gelijk­stelling van de godsdiensten in België, omdat het katholi­cisme zo haar bevoorrechte positie kwijtraak­te, met name met betrekking tot het onderwijs. De grond­wet werd in de Staten-Generaal door de Belgen afgekeurd en door de Neder­landers goedgekeurd, maar de gezamenlijke meerderheid was vóór. De koning construeerde een Belgische meerderheid door de thuisblijvers en degenen die enkel vanwege de gelijkstelling van de godsdiensten tegen hadden gestemd, bij de voorstemmers te tellen.[19]

Door de verwerping van de volkssoevereiniteit in de grond­wet, werd een van de krachtig­ste middelen tot natievorming ­en integratie, namelijk een gezamenlijke politieke strijd, onmo­gelijk. Maar deze strijd zou dan ook als belangrijkste doel hebben gehad de afschaffing van het absolutisme en dus van diezelfde grondwet. De vorming van een nationale staat wilde de koning ophangen aan het liberalisme, als tegenge­stelde van fanatisme. Het bedwin­gen en hervormen van de kerken werd nagestreefd door een verlichte poli­tiek.

Willem I boekte successen bij het integreren van zijn rijk tot één econo­misch systeem. Wat Willems taalpo­litiek betreft: in 1819 zou de Franse taaldwang in het gerecht worden opgeheven, en vanaf 1823 was in de Neder­landstalige pro­vincies in be­stuur, gerecht en onder­wijs de volkstaal verplicht gesteld. De koning ging zich in de loop der jaren steeds meer bemoeien met godsdienst­kwes­ties, waarbij hij het katholicisme wilde hervor­men. In 1825 liet Willem I de klein-seminaries slui­ten, en stelde hij in plaats daarvan een ‘Filosofisch College’ ver­plicht voor elke katholieke theologiestu­dent. Het Concordaat met de Paus van 1827 (instelling van drie nieuwe bisdommen, een eigen kapittel en seminarie voor elk bisdom, bis­schopskeuze door het kapittel) werd niet uitgevoerd. Deze maatrege­len vormden het begin van het einde van het Ver­enigd Konink­rijk van Willem I.

De oppositie van Belgische Liberalen en Katholieken ver­enigde zich uitein­delijk in 1828. Hun gemeenschappelijke grieven[20] waren:

– de oneerlijke vertegenwoordiging van België in de Sta­ten-Generaal;

– de bevoorrechting van Hollanders bij het verkrijgen van openbare ambten;

– de samensmelting van de staatsschulden;

– de invoering van het Nederlands in de Vlaamse provin­cies (waar de burgerij vrijwel geheel verfranst was).

De grieven van de Liberalen waren:

– de autocratische regering van Willem I en de geringe invloed van de Staten-Generaal;

-de onttrekking van de controle over de financiën aan de Staten-Generaal;

– de drukpersvervolgingen;

– de regeringsdruk op de rechterlijke macht.

De Katholieke grieven tenslotte waren:

–  het Filosofisch College en de sluiting van de klein-seminaries;

– de niet-uitvoering van het Concordaat (1827);

– de regeringscontrole op bisschoppelijke corresponden­tie met de Paus;

– de opheffing van de kloosters (sedert Napoleon);

– de bevoorrechting van Protestanten en Liberalen bij benoemingen;

– het staatsmonopolie op het lager onderwijs.

 

3.2     De Belgische opstand

 

De koninklijke boodschap van 1829 bevatte veel concessies aan de Staten-Generaal, met name aan de Katholieken, waardoor de spanning afnam. In 1830 braken echter op vele plaat­sen en Europa revoluties uit.[21] De eerste beroering in België ontstond op 25 augus­tus,[22] opgewekt door Fransgezin­de republi­keinen. De rellen breid­den zich uit naar de straat. Hoewel de volgende dag de opstand toenam, bleven de autoritei­ten passief en werd er een burgerwacht ingesteld, gekleed in de Brabantse kleuren (zwart-geel-rood). Een vergadering van vooraanstaande burgers stuurde een deputatie naar Den Haag om met de koning te onderhandelen. Op 13 september riep hij de Staten-Generaal bijeen om te beraadslagen over de nodige hervor­mingen. De kroonprins gaf hij opdracht Brussel te bezet­ten. Toen de prins zag, dat dit in een bloedbad zou eindigen, trad hij in onderhande­ling met de Brusselaars. De burgerwacht beloofde de koning trouw te blijven, als de prins in Den Haag zich zou inzetten voor een bestuurlijke scheiding.

Maar na zijn vertrek kregen de radicalen de over­hand. Een poging tot bezetting van de stad mislukte (23 t/m 26 septem­ber). Nu sloeg de opstand ook over naar andere steden. De libe­rale leiders van Brussel wierpen zich op als Voor­lopig Bewind, riepen de onafhan­kelijkheid uit en riepen een Natio­naal Con­gres bijeen. Intussen hadden de Staten-Gene­raal, te laat, besloten tot een bestuurlijke schei­ding. Nadat Willem I tever­geefs om hulp van de mogendheden had gevraagd (Frankrijk gaf te kennen dat het geen prijs stelde op buiten­landse inmen­ging in deze kwestie), gaf hij de kroon­prins toestemming de kroon van België te aanvaar­den, als hem die zou worden aange­bo­den. Zo zou de eenheid bewaard blijven, als hij later ook in Neder­land zou opvol­gen. Dit gebeurde niet. Op de Conferentie van Londen werd het Verenigd Koninkrijk voor ontbonden verklaard (20 december).

De onderhandelingen met de Belgen, die op aanraden van Enge­land Leopold van Saksen-Coburg tot koning kozen,[23] verliepen niet naar de zin van Willem I. Hoewel reeds in oktober 1830 de Staten-Generaal verklaarden België niet terug te willen, besloot de koning geweld te gaan gebrui­ken. De Tiendaagse Veldtocht (2 t/m 12 augustus 1831) was redelijk succesvol, maar werd afgebroken toen Frankrijk dreigde in te grijpen. Uitein­delijk werd de status quo aanvaard.

De hereniging was mislukt door vele oorzaken, de belang­rijk­ste waren:

-het vasthouden door de koning aan zijn autocratische regeringswijze, in een tijdvak van demo­cratiseringen;

– de verfranste burgerij in België;

– de regering, die zich onwelwillend tegen de Katholie­ken opstelde;

– de mogendheden, die uit eigenbelang aan de scheiding meewerkten.

In 1838 was de koning pas bereid de regeling van 1831 te tekenen. Het eindverdrag van 1839 bevestigde de tweede scheu­ring van de Nederlan­den.

 

4        Gescheiden natievor­ming: 1839 – 1945

 

In Nederland was men in vrij brede kring blij met de scheu­ring. De protestantse klein-Nederlander trok zich terug in de oude Hollandse staats-natie, en stond vreemd tegenover de brede nationale bewegingen in Duits­land en Italië. De Neder­land­se onverschilligheid ten opzichte van de Vlaamse Beweging stond hiermee ook in verband.[24] Ander­zijds ge­raakte Neder­land in een identi­teits­crisis. Opeens was men een klein land gewor­den, en trad een zekere angst voor de macht van Duitsland op de voor­grond. In de loop der jaren verdween de vijandschap jegens België. Aanvanke­lijk be­schouwd als een parvenustaat, ging men België zien als een nuttige buffer­staat.[25]

België begon meer sympathie te voelen voor Nederland na 1848, toen de koningen zich verzoenden en de Franse drei­ging aan de dag kwam. Het Belgische nationaal bewustzijn werd gevoed door een Belgicistische ge­schiedschrijving, waarbij de Belgische staat teruggeprojecteerd werd tot in de Middel­eeuwen (en eerder). Het is de tegenhanger van de Klein-Neder­landse tradi­tie in het Noorden. De Belgen zagen hun liberale staat als modern en Nederland als ouder­wets.[26]

De betrekkingen tussen het conservatieve Nederland en het liberale België stonden gedu­rende de negentiende eeuw in het teken van geografische en economische factoren en de nationale gevoelens ten opzich­te van elkaar. De grens van 1839 was grillig, en de boven- en benedenloop van Maas en Schelde werden erdoor van elkaar gescheiden. Beide landen hadden hier verschillende belangen. Zeeuws-Vlaan­deren en Limburg waren Nederlandse voorposten die de situatie nog ingewikkelder maakten.[27] België heeft verscheidene malen geprobeerd in het bezit van deze gebieden te komen, alsme­de van Luxemburg. Tot aan het eind van de Eerste Wereld­oor­log is het Bel­gisch irre­den­tisme een af en toe terugke­ren­de factor in de betrekkingen met Nederland (en Luxem­burg) geweest.

 

4.1Noord en Zuid (2): de sa­menwer­king in kaart ge­bracht.

 

De samenwerking tussen Nederland en België in de periode tot 1945 zal beschreven worden aan de hand van de door hen met elkaar afgeslo­ten verdragen.[28] De verdragen zijn ten be­hoe­ve­ van de duidelijkheid enigszins thematisch gerang­schikt. Op deze wijze kan van elk terrein van samenwer­king een analy­se gegeven worden. Het overzicht is niet volledig: alleen de voor dit onderzoek relevante overeenkom­sten zijn opgenomen. Aan het slot van deze para­graaf worden conclu­sies getrokken met be­trekking tot het alge­meen karakter van de Belgisch-Nederlandse relatie in deze periode.

 

4.1.1Politiek

 

-[Afscheiding (15.11.1831)]

147Tractaat van Afscheiding (19.4.1839)

480(+ Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, Italië, Pruisen, Rusland) Verdrag tot herzie­ning van het Tractaat van 19.4.1839, voor zoveel Luxem­burg betreft (11.5.1867)

160Scheepvaart Zuid-Willemsvaart (6.11.1839)

177Tractaat tot regeling der wederzijdse rechten en belangen (5.­11.1842)

181Overeenkomst betreffende de Schelde, met loodsreglementen (20.5.1843), verbetering van de betonning en bebake­ning der Schelde (9.2.1881, nr. 657), verbe­tering van de verlich­ting (9.2.­1881, nr. 658)

182Overeenkomst wegens de uitwatering van Vlaanderen (20.5.1843)

185Overeenkomst betreffende de grensscheiding (8.8.­1843), in het Zwin (15.3.­1869, nr. 513), tussen de gemeen­ten Sas van Gent (Ned.) en Selzaete (Bel.) (28.6.­1900, nr. 939),  regeling toezicht over de be­plan­tingen op de oevers der Maas (22.4.­1852, nr. 253), grens­rege­ling tussen de beide landen in het kanaal van Gent naar Terneu­zen (5.1.1888, nr. 746)

197Overeenkomst nopens de daarstelling van een kanaal langs de Maas (12.7.1845), onder­houd en de bedie­ning der werken van het kanaal van Luik naar Maas­tricht, voor zoveel op Nederlands gron­dgebied gele­gen (5.9.­1850, nr. 222)

229Overeenkomst tot staking van de heffing der scheep­vaar­trechten op de gemeen­schappelij­ke Maas (8.5.­1851), rege­ling der wateraftappingen uit de Maas, met bijla­gen (12.5.1863, nr. 413), dalweg van de Maas bij Herbriche en Heppeneert (30.12.1864, nr. 451), bouw van een brug over de Maas te Maaseyk (7.4.1886, nr. 725)

239Verklaringen met reglementen voor het aftappen en schoon­houden der kanalen (3.10.1851)

414Tractaat nopens de afkoop van de Scheldetol (12.5.­1863), Proto­col (15.7.1863, nr. 418)

467Overeenkomst tot invoering van een nieuw stelsel van verlichting op de Wester-Schelde (31.3.1866)

541Overeenkomst betreffende de indijking van het Zwin (24.5.1872)

635Overeenkomst betrekkelijk de verbetering van het kanaal van Gent naar Terneu­zen en het naasten van de spoorwegen  van Antwerpen naar het Hollandsch Diep, met de zijtak van Roosendaal naar Breda (31.10.­1879)

678Verklaring betreffende de aanleg en het gebruik ener telegraaf­lijn tot het geven van berichten omtrent de was der Maas en ten behoeve der scheepvaart op de kanalen van Luik naar Maas­tricht en van Maas­tricht naar ‘s-Hertogen­bosch (10.8.­1882), het aanleggen ener inter­nati­o­nale telegraaflijn van Smeer­maas tot aan Grèvecoe­ur, langs de Zuid-Willemsvaart en de geka­nali­seerde Die­ze, in aanslui­ting aan de bestaan­de internatio­na­le telegraaflijn van Luik naar Smeermaas (10.4.1886, nr. 726)

709Verklaring tot vaststelling van regelen, in acht te nemen bij de schorsing der scheepvaart op de Neder­lands-Belgi­sche kanalen (2.8.1884)

765Overeenkomst tot regeling der wederzijdse uitlevering van misda­digers (31.5.1889), uitbrei­ding tot de Ne­der­landse koloniën (1­4.2.1895, nr. 851), uitbrei­ding ­tot de Belgi­sche Congo en het Mandaat­gebied van Ruan­da-Urundi (1.11.­1932, nr. 1741)

948Notawisseling houdende een Overeenkomst tot erkenning van scheeps­meetbrieven (8.5.1901), wederzijdse toepassing der wetten en uit­voe­ringsmaatrege­len betref­fende de veilig­heid van de zee­scheep­vaart (9.11.1922, nr. 1309)

1265(+ Engeland, Frankrijk, Italië) Protocol betreffende de toetre­ding van Nederland tot de wijzigin­gen, welke door het Verdrag van Versail­les zijn aangebracht in het Ver­drag van Mannheim van 1868 (21.1.1921)

2133(+ Frankrijk) Overeenkomst nopens verschillende vraa­gstukken betref­fende het stelsel toepasse­lijk op de Rijnvaart, met Protocol en briefwisselingen (3.4.­1939)

 

Al snel bleek dat de internationale betekenis van Nederland na de scheu­ring afnam. Zo werd Willem I nog in 1828 verzocht bij een grensge­schil tussen Engeland en de Verenig­de Staten als arbiter op te treden. De uitspraak van 1831 werd door Amerika echter niet aanvaard, mede omdat de koning inmiddels niet meer in dezelfde positie verkeerde, doordat hij meer dan de helft van zijn onderdanen is kwijtgeraakt.[29]

Het verplicht neutrale België verkeerde in de periode 1830-1870 in een onzekere internati­onaal-politieke situa­tie. Aan­vankelijk was er de bedreiging van de kant van koning Willem I en Willem II. Na de Februari-revolutie van 1848 brak een periode van reëel gevaar van de kant van Frankrijk aan, met name in de jaren 1860. Om deze redenen werd een actief buiten­lands beleid gevoerd, in tegenstel­ling tot wat in Nederland het geval was.[30]

In 1859 vond een toenadering plaats tussen Willem III en Leopold I, en verbeterden de betrekkingen aanmerkelijk. De landen hoop­ten hun Europese positie te verstevi­gen. In het voor de Belgische onafhankelijkheid hachelij­ke jaar 1866[31] deed België sterke toenade­rings­pogingen tot Neder­land. Na de ophef­fing van de Duitse Bond in 1867 was Limburg daar niet meer aan gebon­den, en was bovendien de positie van Luxemburg zwevend geworden. België had geen kans in het bezit ervan te komen, maar wilde verhinderen, evenals Pruisen, dat het aan Frankrijk zou komen. Uitein­delijk werd het geneutrali­seerd. Geruch­ten dat ook Neder­land geneutraliseerd zou worden leidde tot hoop bij Leo­pold II op een Belgisch-Nederlands-Luxemburgse confede­ra­tie. In zijn algemeenheid verbeterden de betrekkingen op­nieuw.

Aan het eind van de negentiende eeuw voorzag men al de massale inval van Duitse troepen, als mogelijkheid bij een Duitse agressie. Om de neutraliteit te beschermen, bleef België nauwe samenwerking met Nederland nastreven. Neder­land had echter geen behoefte deelgenoot te worden aan de Belgische bedreigde positie. Ook voerde men geen solidaire politiek. Toen de spannin­gen tussen Frankrijk en Duitsland in 1887 opliepen, weigerde Nederland met België te over­leggen over de situatie. Bovendien leidde Neder­lands-Belgische toenadering ertoe dat beide landen meteen in het Europese machtsspel werden betrok­ken: zo was er een cam­pagne om beide landen tot de Drie­bond (Duitsland, Oosten­rijk, Italië) te laten toetreden. Hierdoor werd men nog voorzichtiger. Gezamenlijke verdediging langs de grenzen kwam niet van de grond: noch in Limburg noch langs de Schelde. Ook buiten Europa steunde men elkaar niet.[32]

Terwijl Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog bleef, was België er op zeer ingrijpende wijze in betrokken, hetgeen gevol­gen had voor zowel de binnenlandse als bui­tenlandse poli­tiek van het land. België wenste na de oorlog, tenein­de zich in het vervolg beter te kunnen verdedigen, ophef­fing van zijn neutraliteit en samenwerking met Engeland en de Verenigde Staten. Nederland wilde neutraal blijven, maar werd geconfron­teerd met de Belgi­sche wens de Schelde en Limburg te incorpo­reren in de Belgische verdedi­ging. Dit uitte zich aanvankelijk in de Belgische wens tot annexatie van Limburg, Zeeuws-Vlaan­de­ren en Luxemburg. Neder­land was niet geliefd bij de geal­lieerden, vooral sedert de komst van Wilhelm II naar Neder­land, en de toegesta­ne terugtocht van 70.000 Duitse soldaten door Limburg. Uiteinde­lijk werden er geen territoria­le wijzi­gingen ten nadele van Nederland doorge­voerd, maar verslech­terde de rela­tie uiteraard wel.[33]

België was na de oorlog er niet in geslaagd enige concessies te krijgen van Neder­land, en verloor hierin ook de steun van de mogendhe­den. In 1924 zag België verder af van het streven naar een militaire overeenkomst met Nederland over de geza­menlijke verdediging van Limburg, en verbeterden de betrekkin­gen. Nederland zag zich wel genoodzaakt onderhandelingen te beginnen ter herziening van het Verdrag van 1839. In 1925 werd een Belgisch-Neder­lands traktaat getekend, dat voor België voordelig was met betrekking tot de rivie­ren en economische clausules. In 1927 verwierp de Eerste Kamer het echter, mede onder druk van de publieke opinie in Nederland, en kon het niet meer voor de Tweede Wereld­oorlog aangepast worden. Zo verslechterden de rela­ties op­nieuw. Tijdens de toenemende dreiging vanuit Duitsland in de jaren ’30 kozen beide landen wel voor dezelfde politiek: die van de neutraliteit. Nederland was neutraal gebleven, en België keerde tot de neutraliteit terug in 1936.[34]

Een specifiek, terugkerend thema in de Nederlands-Belgische betrekkingen (tot op de dag van vandaag) zijn de waterverdra­gen. De loop van de rivieren bracht allerlei problemen met zich mee van politieke, strategische en economische aard. De Maaskwestie was tot 1861 één van de problemen die de rela­tie tussen beide landen bepaalde. De grillige loop van de grens had als gevolg dat Belgische waterwerken klachten ver­oorzaakten over de grens. De klachten hadden betrekking op de scheepvaart en schade aan de landbouw. Tot 1859 werd een oplossing vooral door België in de weg gestaan. Nadien werd het oponthoud door de politieke situatie in Neder­land veroor­zaakt. Na verloop van tijd ging hier ook natio­naal prestige een rol spelen.[35]

De Scheldekwestie was een ander probleem. België maakte sedert 1846 bezwaar tegen Neder­landse plannen voor een spoorlijn van Vlissingen naar Breda. Deze lijn zou afdam­ming van het Sloe en een dam met een brug in het Kreekrak tot gevolg hebben, waar­door de scheepvaart in de Wester­schelde gehinderd zou worden. Ver­drags­rechtelijk had België recht op een bevaarbare Wester­schel­de. In 1852 besloot Nederland het Kreekrak af te dammen en een vervan­gend kanaal door Zuid-Beveland aan te leggen. Uiteindelijk werd in 1866 pas de Kreek­sluisdam aanbesteed en werd het Sloe in 1871 afgesloten; Nederland meende daartoe wel degelijk gerechtigd te zijn. De Schel­dekwestie bleef uiteinde­lijk nog tot 1963 voortduren.

De Schelde­tol was een derde kwestie. Neder­land was begon­nen deze te heffen na 1839. Na 1863 werd deze tol door België in zijn geheel af­gekocht.[36] In hetzelfde jaar werd ook de wa­ter­onttrek­king aan de Maas gere­geld. Het Maasverdrag werd aanvan­kelijk door Neder­land verworpen. Later in dat jaar werd de kwestie alsnog gere­geld. Over zaken die met de loop en het bevaren van de rivie­ren samenhan­gen zijn Neder­land en België tot op heden niet uitge­praat.

In tijden van crisis waren de betrekkin­gen op zijn best, terwijl in tijden van ontspanning in Europa de onder­linge betrekkin­gen juist ver­slechter­den. Dan kwam de nadruk te liggen op economische concurrentie, nationaal sentiment en grens- of rivierenkwesties. In de jaren ’30 werden de relaties weer vriend­schappelij­ker. In deze periode voerde Nederland een poli­tiek van onthou­ding, terwijl België meer vertrouwde op het verdragen­stelsel van de mogendheden. In 1936 werd België eveneens neutraal. Uitein­delijk werden beide neutrale landen zonder pardon door Duits­land ver­overd en gingen de regerin­gen in ballingschap.

 

4.1.2  Economisch

 

257Overeenkomst tot verbinding van de beide Rijken door ijzeren spoorwe­gen (9.7.1852), aanslui­ting van Has­selt en Maas­tricht (26.­9.­1854, nr. 286)­,­­ aanwijzing station Es­schen als over­gangs­station (18.­11.1911, nr. 1137)

415Handels- en Scheepvaartverdrag (12.5.1863)

770Verklaring hou­dende wijzi­ging van het regle­ment betref­fende de visserij en de vishan­del van 20.5.1843 (27.2.1890)

967Overeenkomst betref­fende de samenwerking van de Neder­landse Rijks­postspaar­bank en de Belgi­sche Algemene Spaar- en Pensioenkas (8.11.1902)

1130Verdrag tot regeling van het verkeer van gedistil­leerd over de grens tussen beide Rijken (19.7.­1911)

1752Vestigings- en arbeidsverdrag, met bijbehorende no­ta’s en proto­col (20.2.1933)

1753Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van enige andere belastingmaat­regelen, met slotprotocol (20.2.1933), fiscale behandeling van mo­torrij­tuigen (30.4.1938, nr. 2069)

2048Notawisseling houdende een voorlopige overeenkomst inzake betaald personen- en goederen­ver­keer per auto tussen de beide landen, met de daarbij behorende lijst van plaat­sen, waarvoor de regeling zal gelden (31.12.1937)

2183Notawisseling betreffende rechten op lading (20.7.­1940)

2215[BENELUX] Monetaire overeenkomst (21.10.1943), Douaneo­vereenkomst, met bijlage (5.9.1944, nr. 2230)

 

In economisch opzicht hadden Noord en Zuid tijdens het Ver­enigd Konink­rijk elkaar op vruchtbare wijze aangevuld. De deling had nadelige economi­sche gevolgen. De economi­sche ontwikkelingen leidden juist tot een gunstige positie voor grotere eenheden.[37] Dit wordt geïllustreerd door internationale ontwikkelingen, zoals de oprichting van de Zollverein (1819-1822).[38] Na de scheiding ontstond een sterke concur­rentie, waar met name Belgische bedrijven nadeel van hadden. Nederland vreesde aanvankelijk voor een Frans-Belgische tolunie: in 1845 sluiten zij echter een normaal handelstrak­taat af, waarbij het zou blijven.[39]

Van Belgische kant zijn er dan ook verschillende voorstellen voor een economische unie geweest. In 1851 werd Nederland hierover gepolst. Dit zou voor België ook politieke voordelen hebben gehad, aange­zien Neder­land België tegen Frankrijk zou bescher­men. De 19e eeuw was immers niet de veiligste tijd voor kleine staten. Ook is er onder Republi­kei­nen geijverd voor een geme­nebest tussen Bel­gië, Nederland en het Rijn­land.[40] De Belgen vonden meestal geen gehoor bij Neder­land. Econo­misch had Nederland geen behoefte aan een douane-unie en achtte het de interna­tio­nale situatie niet dreigend genoeg. Onterecht, want in een ontwerp-traktaat tussen Frankrijk en Pruisen uit 1866 werd België aan Frank­rijk toegewe­zen.[41] Bovenal hechtte Ne­der­land aan zijn zelfstandigheidspolitiek en wilde men België ook niet toela­ten tot de Gordel van Smaragd.[42] In 1863 werd wel een Neder­lands-Belgisch handels­verdrag gete­kend, waarmee de Neder­landse handels­po­sitie in België werd verbeterd. Aan een door België ge­wenste spoor­weg­verbinding van Antwerpen naar het Ruhr­gebied via Roer­mond werkte Nederland niet mee.[43]

In 1869 zagen twee Belgische voorstellen voor een economi­sche unie met Neder­land het licht, van Banning en Lamber­mont, die hiermee “geestelijke voorvaders van de Benelux werden”.[44] Overleg hierover leidde niet tot resul­taat. Nederland hechtte teveel aan zijn eigen soevereini­teit en België was om binnen­lands-politieke redenen niet bereid tot tariefconcessies aan Nederland. Uiteindelijk kwamen deze plannen dus te vroeg. Ook mili­taire en poli­tieke samenwerking kwamen niet uit de verf.

Tijdens de crisis van 1930 verdween veel van de verdeeldheid tussen het Belgi­sche protecti­onisme en het Nederlandse liberalisme. Ook dit bevorderde de mogelijkheden van een douane-unie, geformuleerd in het Verdrag van Ouchy (18 juli 1932), waarbij Nederland en de BLEU (Bel­gisch-Luxemburgse Economische Unie) zich verplichtten om in vier jaar tijd de onderlinge tarieven met 50% te verminde­ren. Het verdrag, dat open stond voor alle landen, is echter nimmer in werking getreden, omdat Engeland en de Verenigde Staten bezwaar maakten tegen de meestbegunstigings­clausule. De onderlinge betrekkingen verbe­terden niettemin.[45]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog tekenden de Neder­landse en Belgische regering in Londen al een monetaire en een douane-unie over­eenkomst (1944), waarmee de (BLEU) met Nederland werd uitgebreid.[46]

Uit de tendensen om de deling van 1830 ongedaan te maken, zou men kunnen conclude­ren dat deze economisch en politiek ongerechtvaardigd was. De scheiding bleek echter niet meer te overwinnen. De Belgische toenade­ringspogingen stootten op het streven naar maximale nationale zelfstandig­heid en optimale nationale belangenbehar­tiging. De relaties waren daarom vaak erg gereserveerd.[47]

 

4.1.3  Cultureel

 

  1. Mourik begint zijn verhandeling met de zin: “Wij hebben wel buitenland­se culturele betrekkingen, maar geen buiten­lands cultureel beleid.”[48] Nederland heeft dan ook geen traditie op dit gebied. Tijdens Lodewijk Napoleon (1806-1810) ont­stond het eerste buitenlands cultuurbeleid, vanuit de overwe­ging dat kunst een middel kan zijn om het prestige van de vorst te bevorderen. Deze gedachte stamt uit de Franse tradi­tie. Na de Franse tijd verdween deze overheidsbelangstelling voor cultuur bijna geheel. Dit paste in de conceptie van de nachtwakers­staat, waarbij de overheid zich zo terughoudend mogelijk dient op te stel­len. Deze gedachte werd door Thorbecke reeds ver­woord: “Kunst is geen regeringsaangele­genheid.”

Op regeringsniveau deed zich geen samenwerking op cultu­reel gebied voor. Voor de oorlog werden de Nederlandse culturele betrekkingen vrijwel geheel bepaald door parti­culier initia­tief.[49] Hieronder bevinden zich bijvoorbeeld de Vereniging Algemeen Nederlands, opgericht in 1895. De voornaamste doel­stelling is tegenwoordig “het behoud en de ontplooiing van de culturele en taalkundige identiteit van de Nederlanden in het toekomstig Europa van de regio’s”. Ook kan genoemd worden de Stichting Ons Erfdeel, die o.a. een gelijknamig cultureel maandblad publiceert, ter bevordering van de culture­le samen­werking tussen alle Nederlandssprekenden.

Een in 1927 gesloten verdrag (waarover sedert 1921 gesproken werd) betreffende wetenschappe­lijke en intellectue­le toenade­ring bleef een dode letter.[50] Een nieuwe factor in de jaren ’20 was het Vlaamse nationalisme, gekant tegen de Belgische staat, waardoor de zaak gecompliceerd werd. Nederland onthield zich volledig van deze interne proble­men en opteerde voor een sterke Belgische staat. De officiële betrek­kingen leden dus niet onder de Vlaamse kwestie. Hoewel cultu­re­le samen­werking met België voor de hand liggend lijkt, waren in deze perio­de culturele verdragen nog geen ge­woonte. Na de oorlog brak dus een nieuw tijdperk aan als het gaat om cultu­rele betrek­kingen.[51]

 

5        Conclusie

 

De grote periode waarin de Nederlanden in gescheiden staatsverbanden hebben geleefd, heeft van de idee dat Noord en Zuid onverenigbaar zijn, een ‘self-fulfilling prophecy’ gemaakt. De Bourgondische eenwording mislukte vanwege het ontstaan van een religieuze verdeeldheid, die, door de inmenging van een buitenlandse mogendheid, een tweedeling in de hand werkte. Bovendien was de bevolking destijds nog erg gehecht aan zijn lokale autonomie.

In de 17e Eeuw waren de beide delen onge­lijke partners, zowel in econo­misch als poli­tiek opzicht. De Republiek had geen enkel politiek of econo­misch belang bij eenwording. Na het machtsverval van de Republiek waren beide landsdelen rijp voor inlijving door Frankrijk. Het feit dat deze voor België veel eerder plaatsvond dan voor Nederland, werkte verdere ver­vreemding in de hand door sterke verfransing.

Het Verenigd Koninkrijk, dat door de mogendheden geschapen was als buffer tegen Frankrijk, mislukte wegens de auto­cratische regerings­wijze van de koning en de ongelijke positie van de Katholieken, waarna radicale franstaligen door het uitblijven van hulp van de mogendhe­den de oorzaak waren van een nieuwe deling. Deze deling betekende tevens een bevestiging van de gedachte dat de landsdelen op geen enkele manier verenigbaar waren, en had verdere vervreemding tot gevolg.

Internationaal-politiek waren de landen na de scheiding zwakker dan ervoor. Nadat dreiging van Frankrijk duidelijk werd, en wat oud zeer gezakt was, ontstond er dan ook enige toenadering. Beide landen verkeer­den echter in een natievormingsproces, waardoor men sterk hechtte echter aan de nationale zelfstandigheid. De grote rol van het nationaal prestige wordt door de problematiek van de waterverdragen geïllustreerd. Ook na de inzinking van de relaties na de Eerste Wereldoorlog, en de relaties in de jaren ’30 weer verbeterden, kwam zodoende geen nieuwe eenwording (al of niet in federatieve vorm) tot stand.

In economisch opzicht was de deling met name voor België nadelig. Daarom ondernamen zij ook herhaaldelijk pogingen tot oprichting van een douane-unie. Nederland had hier echter geen behoefte aan, wegens de verschillen in economische politiek. Nederland hechtte aan zijn economische soevereini­teit, en wilde bovendien, als voorstander van vrijhandel, lagere tarieven dan België. Gedurende de jaren ’30 werden de verschillen kleiner, en gedurende de Tweede Wereldoorlog kon de Benelux opgericht worden.

Ondanks de taal- en cultuurgemeenschap van een groot deel van de Nederlandse en Belgische bevolking zijn er op cultureel gebied ook geen federatieve samenwerkingsver­banden ontstaan. Cultuur was tot 1945 ‘geen regerings­aangelegenheid’, en samenwerking was bovendien gevoelig wegens de culturele tegenstellingen in België. De particuliere sector onderhield de contacten. Idealistische gedachten aan een ‘Groot-Nederland’ speelden, evenmin als nationalisme, een rol in de buitenlandse politiek ten aanzien van Vlaanderen.

     [1] Vgl. Kennedy [1989] p. 16-30.

     [2] Zie: Jansen [1987]: p. 36-46. Limburg was reeds sinds 1288 verbonden met Brabant, Henegou­wen sinds 1299 met Holland, en Vlaanderen sinds 1382 met Artesië.

     [3] In de meeste gevallen te Brussel. Zie: Wils [1992]: p. 44.

     [4] Kossmann-Putto & Kossmann [1987]: p. 21.

     [5] Wils [1992]: p. 59. In sommige gebieden in Europa is dit vaak nog steeds het geval (hoewel meestal ook historische factoren meespelen): vgl. bijvoorbeeld Noord-Ierland, of de oorlog in Bosnië.

     [6] De Beeldenstorm begon in Steenvoorde, West-Vlaanderen (1566).

     [7] Zie: Geyl [1958]: p. 97. De primaire oorzaak voor de situering van de grens tussen Noord en Zuid ligt dus niet in de volksaard o.i.d., maar in militair-strategische factoren.

     [8] Johan Huizinga, geciteerd in Wils [1992]: p. 75. (Zie in dit verband ook noot 30 in Hoofdstuk III).

     [9] Vgl. Fruin [1959], p. 259.

     [10] Zie in verband met de staatsinrichting van de Republiek: Jansen [1987]: p. 90-91.

     [11] Zie H. Houtman-De Smet, in: Schöffer [1988], p. 321-322.

     [12] Zie E.H. Kossmann [1993] in: Internationale Spectator, jrg. 47, p. 549.

     [13] H. Houtman-De Smet in: Schöffer [1988]: p. 417-418.

     [14] Zie: Nuyttens [1985]: p. 85-93.

     [15] Zie: Romein [1949]: p. 472-475.

     [16] Vgl. Schama [1989]: p. 713.

     [17] Vgl. Blok [1926] dl. 4, p. 201-202 en Commissaris [1956] p. 33-34.

     [18] Zie: Jansen [1987]: p. 151.

     [19] Zie: Commissaris [1956]: p. 37-38.

     [20] Ontleend aan: Commissaris [1956]: p. 50.

     [21] Zie: Anderson [1985]: p. 11-15.

     [22] In de Muntschouwburg, tijdens en na de opvoering van de ‘Muette de Portici’; Colenbrander [1936]: p. 12-16.

     [23] Vgl. Van Osta [1982]: p. 86-90.

     [24] Vgl. Boogman [1962]: p. 52-53. Zie ook Hoofdstuk III.

     [25] Vgl. Tamse [1973]: p. 208-212.

     [26] Zie Boogman [1962]: p. 63 en Tamse [1973]: p. 212-217.

     [27] Vgl. Tamse [1973] p. 188-193.

     [28] De nummering van de Verdragen is dezelfde als in Stuyt [1953] en het Tractatenblad. Alleen de nog van kracht zijnde verdragen worden hier vermeld. Partijen zijn Neder­land en België, tenzij anders ver­meld.

     [29] Zie: Jurriaanse [1974]: p. 37.

     [30] Zie: Boogman [1962]: p. 44-47.

     [31] Zie: Boogman [1962]: p. 44-45.

     [32] Vgl. Kossmann [1986]: Dl. 1, p. 356-360.

     [33] Zie: Van der Klaauw [1953]: p. 151.

     [34] Zie: Van der Klaauw [1953]: p. 151-152.

     [35] Zie: Tamse [1973]: p. 238-240.

     [36] Vgl. Tamse [1973]: p. 223-256.

     [37] Zie: Beltman [1985]: p. 26-27.

     [38] Vgl. Kalshoven: p. 19. Hier worden tevens negentiende-eeuwse tolunies met mini-staten als tussen Frankrijk-Monaco, Oostenrijk-Liechtenstein en Italië-San Marino genoemd.

     [39] Jurriaanse [1974]: p. 48.

     [40] Vgl. Boogman [1962]: p. 67.

     [41] Zie: Boogman [1962]: p. 44-45.

     [42] Zie: Tamse [1973]: p. 263-264.

     [43] Zie: Tamse [1973]: p. 257-307.

     [44] Tamse [1973]: p. 314.

     [45] Vgl. Van der Klaauw [1953]: p. 137-138 en Kalshoven: p. 25-26.

     [46] Zie § 5.1.4.

     [47] Zie: Beltman [1985]: p. 26-27.

     [48] Zie: Mourik, pag. 17.

     [49] Zie Mourik [1989]: p. 76, 80.

     [50] Zie: Nederlandse Taalunie [1988]: p. 27 (in voetnoot).

     [51] Vgl. Mourik [1989]: p. 76.

 

IINEDERLANDSE-BELGISCHE ECONOMISCHE EN POLITIEKE BETREK­KINGEN (1945-1970)

 

“Allow me to refrain from comparing the diplomatic positions of Belgium and the Netherlands. They are in conformity with tradi­tions which are not identi­cal. (…)

That the small states of the Community try to agree to unify if possible their points of view seems to me a good practise (…). But none of us has abdi­cated the smallest part of our sover­eignty in these matters.”[1]

 

Inleiding

 

In dit hoofdstuk komen de economische en politieke betrekkin­gen tussen Nederland en België in de periode tot 1970 (het jaar waarin de eerste staatshervorming plaatsvond) aan bod. Duidelijk zal worden op welke wijze en met welke intensiteit deze betrekkingen worden onderhouden. Meteen is dan duidelijk welke betekenis beide landen aan samen­werking op dit gebied hechten, en waarom de samenwerking niet op meer federalisti­sche wijze vorm heeft gekregen.

Paragraaf één behandelt de economische, paragraaf twee de poli­tieke betrekkingen.

 

1Nederlands-Belgische economische betrekkingen (1945-1970)

 

Zoals in hoofdstuk I is uiteengezet, heeft België in de loop van de negen­tiende en twintigste eeuw enige malen avances gemaakt richting Nederland om tot economische samenwerking te komen. Deze samenwerking heeft echter pas na de Tweede Wereld­oorlog gestalte gekregen, in de vorm van de Benelux. Later wordt de Benelux overvleu­geld door de EEG, en vindt Neder­lands-Belgische economische samenwerking alleen nog plaats binnen multila­terale kaders. Hier wordt geprobeerd antwoord te geven op de vraag naar de betekenis van de recente geschiede­nis van de econo­mische banden tussen beide landen voor hun onderlinge ver­houding. Om te beginnen worden de belangrijkste traktaten van economische aard geresumeerd.

 

2532Notawisseling betreffende de concessie van de spoor­weg Mechelen-Terneuzen (2.6.1948), afschaffing Essen als overgangsstation (10.9.1954, nr. 3264)

2762(+ Luxem­­­burg, Frankrijk, Engeland) Overeenkomst be­tref­fende grensar­beiders, met bijla­ge (17.4.­1950)

2573Overeenkomst tot voorkoming van dubbele aanslag inza­ke belastingen op het kapitaal (25.9.­1948), op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en vaststelling van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing (19.10.1970, nr. ’70-192)

2387Protocol tot verduidelijking en gewijzi­gde vaststelling van de tekst van de op 5.9.1944 gesloten Douane-Overeen­komst, met drie bijlagen en notawisse­ling (14.3.­1947), Overeenkomst betreffen­de de Voor-Unie, met bij­lagen (15.10.1949, nr. 2707), unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht, met protocol (18.2.1950, nr. 2745) Landbouw-pro­tocol (29.12­.1950, nr. 2847), eenvormi­ge wet betreffende het interna­tio­naal privaat­recht (11.5.1951, nr. 2883), coördinatie van de economi­sche en sociale politiek (24.7.1953, nr. 3130), instelling van een Advi­serende Inter­parle­mentaire Beneluxraad (24.7.­1953, nr. 3131), libera­lisering van het kapi­taal­verkeer (8.7.1954, nr. 3250), Arbeidsverdrag (7.6.1956, nr. 3437), instel­ling van de Benelux Economi­sche Unie (3.2.1958, nr. 3642), vaststelling van een nieuw tarief in­voer­rechten (25.7.1958, nr. 3691), vaststel­ling Benelux-tarief van invoer­rechten (15.6.1970, nr. ’70-193), verlegging van de per­sonen­con­trole naar de buitengrenzen van de Benelux (11.4.1960, nr. ’60-40), samenwerking inzake regeling van in-, uit- en doorvoer (16.3.1961, nr. ’61-44), Verdrag betreffende de rechterlijke be­voegdheid, betreffende het faillisse­ment­­ en betreffende het gezag en de tenuitvoer­leg­ging van rechterlijke be­slissingen, van scheids­rech­terlijke uitspraken en van au­thentieke akten (24.11.1961, nr. ’61-63), Benelux-verdrag inzake de warenmerken (19.­3.1962, nr ’62-58), uitlevering en rechts­hulp in strafza­ken (27.6.1962, nr. ’62-97), instelling en het sta­tuut van een Benelux-Gerechtshof (31.3.­1965, nr. ’65-196), Op­heffing monetaire overeenkomst dd. 21.10­.1943 (26.9.1968, nr. ’68-179), Eenmaking Benelux-douanegebied (29.4.1969, nr. ’69-125), afschaffing controles en formalitei­ten aan de binnen­grenzen van de Benelux en ophef­fing van de belemmeringen van het vrije verkeer (29.4.1969, nr. ’69-126), Eenmaking Benelux-accijnsgebied (10.6.1970, nr.’70-106)

2243(+ Luxemburg, Frankrijk) Economische Overeenkomst tot onderling overleg (20.3.1945)

2345Notawisseling houdende een overeenkomst inzake de­blokke­ring (4/12.10.1946)

2414(+ Luxemburg, Frankrijk) Overeenkomst betreffende de oprichting van een Internationaal Octrooibu­reau (6.6.1947)

2513Verdrag nopens de samenvoeging van de douane-behande­ling aan de Nederlands-Belgische grens (13.4.1948), Klein-Ternaaien internatio­naal douanekantoor (1.7.19­50, nr. 2785)

2696Leningsverdrag, met bijlagen (7.9.1949), aflossing van de op 1.1.1951 uitstaan­de schulden (15.6.­1951, nr. 2902)

2822Verdrag tot vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen (23.10.1950)

65-157Overeenkomst betreffende toepassing van art. 43, alinea (d) van verordening nr. 3 van de Raad van de EEG inzake sociale zeker­heid van migrerende werkne­mers (12.7.1962)

 

De tijdens de oorlog begonnen Benelux-samenwerking werd uitge­breid. In 1945 werd een Comité van Belgisch-Neder­lands-Luxem­burg­se Samenwer­king ingesteld. Op 1 januari 1948 trad de ta­riefge­meen­schap van de Bene­lux-douane-unie in wer­king. Het gemeen­schappelijk tarief werd door de Neder­land en de BLEU echter voor verschillende doelein­den gebruikt. Neder­land wilde bijvoorbeeld lagere landbouwtarieven dan de BLEU. Er was dus geen overeenstemming over de handelspolitiek.[2] In 1949 trad de Voor-Unie in werking. Alle kwantitatieve handels­beperkingen werden hiermee in beginsel afgeschaft.[3] Na ver­loop van tijd was nog maar een derde van het onder­linge han­delsver­keer aan beperkin­gen onder­hevig.

Na dit voortvarend begin ontstonden vanaf de jaren 1952 ver­schillen tussen de Belgische en Neder­landse politiek, vanwege de ver­schil­len in de economi­sche situatie van beide landen. Aanvankelijk volgde België een liberaler economische politiek dan Neder­land. Na de oorlog had Nederland een groot tekort op de han­dels­balans met de BLEU. België had echter de rol van Duits­land als grond­stoffen­leve­rancier kunnen oppakken en stond er dus veel gunsti­ger voor. In de loop van de jaren ’50 wist Neder­land zijn positie te verbeteren, ter­wijl België een achter­stand opliep: met name vreesde de indus­trie de Nederlandse concur­rentie. Nederland gebruikte de Benelux aanvankelijk om natio­nale problemen op te lossen. Het tijdelijke ver­lies van de Duitse markt vroeg om alternatieven. België was wat dat be­treft echter minder inte­ressant dan Duits­land. Nederland zocht daarom in België een oplossing voor handelsproblemen, probeer­de Belgische leningen en Ameri­kaanse hulp te krijgen en ver­sterkte middels de Bene­lux de internati­o­nale onderhandelings­positie van de kleine lan­den. Nadat Neder­land economisch sterker werd dan België (vanaf 1952), probeer­de men via de Benelux zijn positie te stabilise­ren. Nederland blokkeerde Belgische initiatie­ven tot coördina­tie van intern beleid, hetgeen bewijst dat Nederland geen integra­tionistische idealen had.[4] Het Nederlandse Beneluxbeleid stond in het teken van het veroveren  en behouden van exportmarkten. De Benelux moest de terugkeer naar delibera­lisatie in tijden van recessie voorkomen.[5]

De Bene­lux werd voorloper en wegbereider voor de Euro­pese samen­werking. In mei 1955 pleitten de drie landen in het Benelux Memorandum voor Euro­pese integratie op terreinen, verbonden met dat van de EGKS, zoals transport en nucleaire energie. Hiervoor achtten zijn een Europese Economi­sche Ge­meenschap noodzakelijk. De Benelux-landen pleitten voor de oprich­ting van gemeenschappelijke instellingen, samen­gaan van de nationa­le economieën, een gemeenschappelijke markt en de harmonisatie van sociaal beleid. Deze ideeën zouden besproken moeten worden door de EGKS-landen, geassocieerde landden en eventueel alle OEES-landen. Op 1 juni 1955 kwamen de Zes bij elkaar te Messina om de plannen te bespreken. Een Commissie onder leiding van Spaak ging vervolgens aan het werk, en koos in zijn rapport van april 1956 voor een gemeen­schappelijke markt, niet voor sector-integratie, behalve voor wat betreft atoomenergie. Nog geen jaar later waren de EEG- en Euratomver­dragen een feit.[6]

De ideeën van dit memorandum pasten in de Neder­landse politiek van het tegengaan van pro­tectionis­me. Veel succes binnen de GATT en de OEES was nog niet ge­boekt, maar binnen de Europese Zes had men de steun van België en Luxem­burg. Boven­dien hoopte men dat men de tarieven middels een douane-unie ook in de toekomst laag zou kunnen houden.[7] Na onder­han­delin­gen, die tot 1957 doorlie­pen, werd zo de basis gelegd voor het Verdrag van Rome (1958), de Ge­meen­schappelijke Markt en Eur­atom.

Hoewel de Benelux zichzelf hiermee steeds minder onmisbaar maakte, werd de samen­werking nog uitge­breid: in 1955 werd de Raadgevende Interparle­men­taire Beneluxraad opge­richt.

Op 3 februari 1958 tenslotte werd het Benelux Unie-Verdrag onderte­kend, die echter pas in november 1960, na afslui­ting van de ratificatiepro­cedure, in wer­king kon treden. Dit lijkt vreemd, aangezien het Verdrag van Rome de Benelux overbodiger had gemaakt. Voortzetting van de Benelux was echter verstandig om redenen:[8]

-Benelux was een vangnet, indien de Europese samenwerking zou mislukken;

-economische integratie van de kleinere Benelux zou dieper kunnen gaan dan in de bredere Europese opzet;

-de Benelux-ervaringen waren nuttig bij de opbouw van de Europese samenwer­king;

-strakkere Benelux-samenwerking zou met zich meebrengen dat de drie onder voordeliger omstandigheden het Europe­se integratieproces in zouden gaan. De kleine drie moes­ten een blok vormen tegen de grote drie.

Binnen Benelux-kader is te­vens een groot aantal niet zuiver economi­sche zaken gere­geld: er zijn bij­voorbeeld juri­dische overeen­komsten en over­eenkomsten op het gebied van natuurbe­heer. Overigens kon wegens gebrek aan een­vormigheid van de regels op het gebied van onder andere belas­tingen, de handel niet volle­dig worden vrijge­maakt.

De Benelux heeft als wegbereider van de Europese samenwerking gefun­geerd, maar is daarna door de Euro­pese integratie ‘inge­haald’ en ging lang­zaam een sluime­rend bestaan leiden. De Belgisch-Nederlandse economische samenwerking vond in het vervolg vrijwel geheel binnen de kaders van de E.G. plaats. Bovendien heeft de Benelux zich nooit supranationale doelein­den gesteld. Tenslotte zorgde de interne Belgische strubbelin­gen voor stagnatie van de Benelux: samenwerking met Nederland ligt immers in het licht van de Waals-Vlaamse tegenstelling gevoelig.[9] In de landbouwpolitiek, altijd al een geschil­punt tussen Nederland en de BLEU,[10] is het een saillant detail dat de landbouw vooral in Vlaanderen geworteld is, tegenover het industriële Wallonië.

In de jaren ’70 werden nog wel resultaten ge­boekt, zoals het monetair arrangement van 1971, en de eenma­king van het douane­gebied en de unificatie van accijnzen. De Benelux als geheel zou aanspraak kunnen maken op een plaats in de G-7: tot 1974 was de Benelux de derde groot­ste handels-‘staat’ (na de Ver­enigde Staten en de Bondsrepu­bliek Duits­land), daarna werd hij naar de vierde plaats ver­dron­gen door Japan.[11]

 

2          Nederlands-Belgische politieke betrekkingen (1945-1970)

 

2241Overeenkomst betreffende de repatriëring van tenge­volge van de oorlog verplaatste onderdanen (2.1.1945)

2500(+ Engeland, Frankrijk, Luxemburg) [Pact van Brussel] Verdrag tot regeling van de samenwer­king op econo­misch, sociaal, en cultureel gebied, alsmede van de collectieve zelfverdediging (17.3.1948)

2620(+ Amerika, Engeland, Frankrijk, Luxemburg) Protocol betreffende de westelijke grenzen van Duitsland (22.­3.1949)

2744[Zuid-Willemsvaart] Wijziging van de Overeenkomst inzake de scheep­vaart op het kanaal van Maastricht naar ‘s-Hertogenbosch van 6.11.1839 (17.2.1950)

2787Regeling­ betreffende de loodsdiensten voor en op de Westerschelde en op het ka­naal van Ter­neuzen (géén ver­drag) (5.7.­1950), verbetering van de vaarweg bij Walsoor­den (13.5.1970, nr. ’70-87), verbetering van het Kanaal van Terneuzen naar Gent (20.6.1960, nr ’60-105)

2857Notawisseling inzake de vereffening van wederzijdse militaire vorde­ringen (15.3.1951)

3020(+ Luxemburg) Verklaring bij ondertekening van het Noord-Atlantisch Verdrag (19.6.1951)

3521Compromis grensgeschil (7.3.1957)

3609Wijziging reglement van 20.5.1843 betreffende het loods­wezen en het gemeenschappelijk toezicht op de Schelde (24.10.1957)

3643Briefwisseling inzake maatregelen, genomen ten behoe­ve van de be­staande Rijnvaart-premies van de Belgi­sche zeehavens (3.2.1958)

61-46Verbetering verbinding tussen Julianakanaal en Al­bertkanaal (24.2.1961)

63-78Verdrag betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn (13.5.1963)

 

De politieke situatie na de Tweede Wereldoorlog was volle­dig veranderd. De Nederlands-Belgische neutraliteit was verdwenen en multilate­rale samenwer­king wordt uitgebouwd. De Benelux-lan­den gingen na de oorlog een allian­tiepolitiek voeren, in tegen­stelling tot hun vooroorlog­se traditie. Tot halverwege de jaren ’50 trad de Benelux bij internati­onale onderhandelingen als eenheid op, hoewel er intern de nodige onenigheid bestond. Met name de Belgi­sche diplomatie, die traditioneel actiever was dan de Neder­landse, probeer­de de economische integratie van de Benelux te gebruiken om ook politieke samenwerking te verwezenlij­ken. Zo stelde de Belgi­sche regering voor gezamen­lijk op te treden op de GATT-onderhandelingen en de Confe­ren­tie van Londen (1947) over de International Trade Organisati­on.[12]

Bij de conferentie van 1947 van de Marshall-hulp ontvan­gende landen en bij de daaruit voortko­men­de OEES eiste de Benelux een gelijkwaardige positie als Groot-Brittan­nië en Frank­rijk op, en kreeg die ook. De Benelux-oppositie tegen Frans-Britse ontwerpen voor het Europees herstelprogramma was succesvol. Frequent contact met de Verenigde Staten bleef echter nog wel voorbehouden aan Frankrijk en Groot-Brittannië. Ook aan de wens om Duitsland bij het herstel in te schakelen werd geen gehoor gegeven.[13] Het gezamen­lijk optreden was dus gedeelte­lijk succesvol, maar verschafte de drie landen in elk geval een onderhandelingspositie waar zij afzonderlijk nooit aan­spraak op hadden kunnen maken. Over het Duitse vraagstuk diende de Benelux-landen een nota in (26.11.1947), maar zij werden niet gehoord. In 1948 werd de Benelux toch toege­laten bij de Amerikaans-En­gels-Franse confe­rentie over de Duitse posi­tie.[14] Dit was waarschijnlijk te danken aan het feit dat men deelname aan het Pact van Brussel afhankelijk had gemaakt van het Duitsland-beleid.[15] Ook bij deze bespre­kingen over het Pact van Brussel, later de Westeu­ropese Unie (WEU), trad de Benelux met succes op. Dit was met name te danken aan de goede naam die de Bene­lux bij de Ver­enigde Staten had, die Europese samenwerking toejuich­ten. Hiermee zat men echter in de klem: Amerikaanse steun kon verkregen worden door als gidsland in de Europese samenwerking op te treden.[16] De Benelux was echter opgezet vanuit de gedachte van eigen belan­genbehartiging. Bovendien betekende meer Euro­pese samenwerking dat de betekenis daarvan groter dan de Benelux zelf zou wor­den. In elk geval betekende dit een stimu­lans voor het berei­ken van de Economische Unie.[17]

Vanaf 1950 verminderde het gezamenlijk optreden. Dit kwam enerzijds omdat de Duitse kwestie geregeld was. Binnen de OESO had het Benelux-model van economische samenwerking niet veel aanhang. Europese samenwerking naar Frans model bleef (met name voor België) over als alternatief.[18] Bij de besprekingen over het Plan-Eden, over uitbreiding van het Verdrag van Brussel met Duitsland en Italië, (nadat de Europese Defensie Gemeenschap door Frankrijk was verworpen) trad men weer geza­menlijk op. Angst voor terugkeer van bilateralisme deed ten­slotte het Benelux-memorandum van mei 1955 het licht zien, waarmee de basis voor de EEG en Euratom werd gelegd.

Een van de laatste gelegenheden waarbij de Nederland en België gezamen­lijk van zich lieten spreken was bij de behandeling van het Fouchet-plan, betreffende de Europese Politieke Unie. Nederland en België weigerden akkoord te gaan indien Groot-Brittannië geen deel van de Gemeenschap zou uitmaken. Dit was voor Frankrijk echter onaanvaard­baar, waardoor het plan ten grave werd gedragen.[19] Het Britse lidmaat­schap van de EEG verzwakte echter de positie van de kleinere landen.

Gestructureerde politieke samenwerking bleek moeilijk te realiseren. Een van de oorzaken hiervoor was, dat besluitvor­ming met eenparigheid van stemmen gerealiseerd moest worden. In geval van Nederlands-Belgische onenigheid, zou Luxemburg de doorslag geven, hetgeen door niemand gewenst werd.[20]

De legitimatie van deze manier van idealistische poli­tiek bedrijven lijkt in wezen sterk op die van de neutra­liteit van voor de oorlog en zo is men min of meer terug bij af.

Bestaande overeenkom­sten op het terrein van de waterverdragen werden gemoderni­seerd of verbeterd. Enkele water­staatkundige ver­bin­dingen worden verbe­terd, zoals het kanaal Gent-Terneuzen. In 1963 vindt de Scheldekwestie einde­lijk een oplossing. België maakte zich zorgen over de gevolgen van het Nederlandse Delta-plan voor de Antwerpse haven, en verzette zich tegen elke mogelijke beperking van de scheep­vaart op de Westerschel­de. Deze vrees is een constante in de Belgische betrekkingen met Nederland.[21]

Na de Tweede Wereldoorlog heeft geen politieke eenwor­ding, die een middel­grote mogendheid zou creëren, plaats­gevon­den, ter­wijl er toch geen permanente essenti­le menings­ver­schillen bestaan tussen de Benelux-landen. Hiervoor zijn de volgende redenen aan te wijzen:[22]

-samenwerking met Nederland ligt voor België gevoelig ten aanzien van Wallonië, dat zich al enigszins in de ver­drukking voelt door de Vlamingen. Tegen een blok van 20 miljoen nederlandssprekenden zou dit helemaal het geval zijn;

-de Belgische buitenlandse politiek is traditioneel prag­matischer, actiever en minder idealistisch en dogmatisch dan de Nederlandse;

-de noodzaak tot politieke eenwording is niet groot ge­noeg. De Benelux kan nooit een effectieve wereldmo­gend­heid zijn. Hun veiligheid is al gegaran­deerd door de NAVO. De EG leverde al een forum voor politie­ke samen­werking met grotere landen, waardoor de Benelux-landen soms ook niet één lijn trokken. Alleen voor de beharti­ging van de belangen van kleine landen zijn zij wel bij uitstek op elkaar aange­wezen.

 

3          Conclusie

 

Zoals al tijdens de 19e eeuw duidelijk werd, waren er initiatieven tot diepere economische samenwerking, wegens de voordelen die aan schaalver­groting verbonden waren. De oprichting van de Benelux na de Tweede Wereldoorlog had dan ook alles te maken met het eigenbelang van de partijen. Deze belangen liepen echter uiteen. Nederland had geen integratio­nistische idealen. Hierdoor kon verdieping van de Benelux-samenwerking slechts stap voor stap plaatsvinden. Om deze reden bleef de samenwerking ook intergouverne­menteel: de Benelux is geen voorbeeld van zuiver federa­lisme. Na de sluiting van het Verdrag van Rome werd toch het Benelux-Unie-Verdrag nog verwezenlijkt. De redenen hiervoor waren politiek en opportunistisch van aard; zij zijn hierboven aangehaald. De Benelux geraakte in een neerwaartse spiraal door de overlap met de EEG. Deze is door henzelf, min of meer uit lijfsbehoud opgericht, maar maakte de Benelux tevens overbo­dig. Een tweede reden voor de neergang van de Benelux zijn de interne Belgische problemen.

De beide kleine landen, maar vooral Neder­land, wilden na de oorlog opnieuw een idealistische buiten­landse poli­tiek voeren, maar nu in de vorm van alliantiepolitiek. Om nu ook de steun van de grote lan­den te krijgen, moest middels de Benelux de eigen invloed vergroot worden. Zolang de doelstellin­gen overeen kwamen, en er internati­onaal-politieke mogelijkhe­den bleven, werkte dit. De samenwerking kon om deze reden natuurlijk niet gestructu­reerd worden, en bovendien niet wegens de nog altijd aanwezige hang naar nationale zelfbeschikking, zoals die tot uitdrukking kwam in het feit dat besluitvorming met eenparigheid van stemmen moest plaatsvinden. Dit wordt bij de waterver­dragenproble­matiek opnieuw duidelijk. Nederland was uitslui­tend geïnteresseerd in samenwerking met de Zuiderburen, indien het eigenbelang ermee gediend werd. Sporen van idealisme wegens de taalcultu­rele gemeenschap zijn vrijwel afwezig.

De verschillen in politieke cultuur, de interne Belgische situatie en het verdwijnen van de internationaal-politieke noodzaak tot samengaan, maakte eenwording van het Beneluxge­bied onmogelijk.

     [1] De Belgische minister van Buitenlandse Zaken Harmel in Le Soir, 6.2.1968, geciteerd in: Weil [1970]: p. 231.

     [2] W. Asbeek Brusse: De tariefpolitiek van de Beneluxlanden 1948-1955, in: Bloemen [1992]: p. 102-103.

     [3] Zie: Kalshoven: p. 35-36.

     [4] Zie: Boekestijn [1990]: p. 45-46.

     [5] Zie: A.J. Boekestijn: Een nagel aan Adam Smiths doodskist; de Benelux-onderhandelingen in de jaren veertig en vijftig, in: Bloemen [1992]: p. 165.

     [6] Zie: Jansen & De Vree [1988]: p. 141-143.

     [7] Zie Griffiths [1990]: p. 187.

     [8] Zie: Colijn [1977]: p. 83-85.

     [9] Zie: Beltman [1985]: p.66-67.

     [10] Vgl. W. Asbeek Brusse in: Bloemen [1992]: p. 99-100.

     [11] Vgl. Voorhoeve [1985]: p. 157.

     [12] Vgl. Kersten [1982]: p. 5-6.

     [13] Vgl. Kersten [1982]: p. 6-7 en Kossmann [1986]: p. 262.

     [14] Kossmann [1986]: p. 262.

     [15] Zie: Kersten [1982]: p. 9.

     [16] Vgl. Kersten [1982]: p. 9-10.

     [17] H.M. Hirschfeld, secretaris-generaal van Handel, Nijverheid en Scheepvaart achtte politieke samenwerking met België belangrijker dan economische. Hij vroeg zich af of “voor een succesvolle politieke samenwer­king met België op internationaal gebied een economische unie nodig” was. Vgl. Kersten [1982]: p. 10.

     [18] Zie: Kersten [1982]: p. 10.

     [19] Zie: Jansen & De Vree [1988]: p. 181-185, 197-198.

     [20] Zie: J. van der Harst: Nabuurstaten of uniepartners? Aspecten van het defensiebeleid van de Benelux-landen, 1945-1954, in: Bloemen [1992]: p. 139-140.

     [21] Zie: Tamse [1973]: p. 189-192.

     [22] Zie: Voorhoeve [1985]: p. 158-160.

 

IIINEDERLANDS-BELGISCHE IDENTITEITSBELEVING EN CULTU­RELE BETREK­KIN­GEN (1945-1970)

 

… dat Nederland en België “steeds scha­kels van eenzelfde keten, steeds één zul­len zijn in hunne verhouding tot andere Natiën.”

(Thor­becke, 1839)[1]

 

Inleiding

 

Met de oprichting van de Benelux werden de (meeste) bewoners van het Neder­lands taalgebied voor het eerst sedert 1830 weer verenigd in een samenwerkings­verband. Voor de culturele be­trekkingen is de Benelux overigens maar van beperkte betekenis geweest. Om de aard van de culturele betrekkingen tussen Nederland en Vlaanderen te kunnen begrij­pen, zal vooraf worden stilgestaan bij de rol van nationale identiteit, en vooral bij de rol van de gemeen­schappelijke taal in de onder­linge rela­ties. De vraag of nauwe culturele samenwerking noodzakelijk is, hangt immers samen met de vraag naar de mate van verwant­schap tussen de Noord- en Zuidnederlandse cultuur. Ook zal duidelijk worden of de culturele betrek­kingen tot 1970 in één of andere federalistische vorm zijn geïnstituti­onali­seerd.

 

1Taal en nationale identiteit in de Nederlanden

 

Het begrip natie lijkt in de loop der tijd bepaald te zijn geweest door vier belangrij­ke criteria: taal, gods­dienst, afstamming en gemeen­schap­pelijke geschie­denis. In het algemeen lijkt taal in het tegen­woordige West-Europa de be­lang­rijk­ste onder­schei­dende factor te zijn. Men zou ook kunnen zeggen de mo­dernste factor, want in het verle­den waren hier op de eerste plaats religieuze factoren en vervolgens histori­sche factoren van betekenis. De reli­gieuze factor heeft in West-Europa aan betekenis ingeboet. Dat dit buiten West-Europa anders kan liggen, blijkt bijvoor­beeld in Joegoslavië. Hier speelt taal juist geen rol van beteke­nis: alle partijen spreken Servo-Kroa­tisch.

Nationalisme bestaat ook in het Westen, hoewel het op het eerste gezicht minder opvalt. Kijk bijvoorbeeld naar ultra-rechts in verschillende landen. Het Deense ‘nej’ tegen het Ver­drag van Maas­tricht was onder andere een duide­lij­ke uit­drukking van nationaal zelfbewust­zijn. In Neder­land lijkt nationaal gevoel uitsluitend levensvat­baar te zijn tijdens voetbal­wedstrij­den, maar de Belgische boedel­schei­ding en ook de situatie in Québec illustreren bij­voorbeeld hoe de taal ook in het Westen als bindende en scheidende factor op kan treden.

Deze gebeurtenissen maken de vraag interessant welke positie de per­ceptie van ethniciteit inneemt in de Lage Landen. Tradi­tio­neel wordt tot de Nederlan­den globaal het grondge­bied van de huidige Benelux gerekend. Tezamen met enkele omlig­gende streken, vormde dit gebied in de Middel­eeuwen een in cultureel (niet in taalkundig) opzicht betrekkelijk homo­geen gebied.

Aan de hand van verschillende criteria kan men tot verschil­lende conclu­sies komen ten aanzien van de vraag welke naties dit gebied bewonen. Uitslui­tend de staatkun­dige indeling bekijkend kan gesteld worden, dat in de Lage Landen Neder­lan­ders, Belgen en Luxem­burgers wonen. Uitsluitend de taal als uit­gangspunt nemend, ontdekken we ‘Nederlanders’, ‘Fransen’ en ‘Duit­sers’ (en eventueel ook nog Luxemburgers en Friezen). Bij godsdienst als onderscheidende factor kan het gebied glo­baal gesproken verdeeld worden in een katholiek en een pro­tes­tants volks­deel. Uitsluitend op het ge­meen­schap­pelijk verleden afgaand, kan men tot vele conclusies komen, afhankelijk van de tijds­periode­. Gesproken kan worden van Vla­mingen, Hollan­ders, Braban­ders, Friezen etce­tera, of van Nederlanders en Belgen, of zelfs van één volk.

Evenals in de rest van West-Europa heeft ook in de Nederlanden de religieuze factor sedert de ontzuiling sterk aan betekenis ingeboet, dus met name vanaf 1968: religie is enkel nog een marginale poli­tieke factor en is goeddeels tot de privésfeer terug­gedron­gen. Taal moet tegen­woordig echter sterk meege­wo­gen worden, evenals de huidige staatkundi­ge inde­ling van het gebied, die immers reeds meer dan hon­derd­vijf­tig jaar onveran­der­lijk bestaat en een produkt is van het verle­den. De meest gespro­ken en exclu­sie­ve taal in de Lage Landen is het Neder­lands. Met name de vraag of we Neder­landers en Vla­mingen tot één volk mogen rekenen is voor dit onder­zoek daarom van be­lang.

De nederlands­talige ethnici­teit kan onderver­deeld worden in een Neder­landse en een Vlaamse. Deze Vlaamse identiteit vinden we bovendien in de zogenaamde West­hoek (Duinkerken en omstre­ken) in Noord-Frank­rijk. In het kort zal hier de vorming van de respectieve­lijke nationa­litei­ten aangestipt worden. Wie kenmerken van naties wil noemen, begeeft zich op glad ijs, omdat men dan in gemeen­plaatsen verzeild raakt die nauwelijks in relatie tot de werkelijkheid staan. Dit zal daarom alleen op zeer algemene wijze geprobeerd worden.

 

1.1       Nederlandse identiteit

 

Op grond van litera­tuurstudie zijn als ty­pisch Nederland­se ken­merken naar voren gekomen: “tole­ran­tie, mora­lisme (vroom­heid), utilitarisme, effici­ntie en ijver, zacht­zin­nigheid; egoïsme en een gebrek aan emotie; sympa­thie en gevoel voor anderen.” Buiten­landers zien Nederlan­ders als “behulpzaam, vriendelijk en ambi­tieus, (de hoog­ste score van alle landen), wetenschappe­lijk en efficiënt, emotio­neel (hoog­ste score), onafhan­ke­lijk en eerlijk.”[2] Volgens Europe­se studenten Neder­lands heet een Nederlander typisch Jan de Vries, is hij lang en smal, heeft blond haar en gaat ge­kleed in vrije­tijdskle­ding. In discussies hebben Nederlanders meest­al gelijk, al­thans dat denken ze. Verder zijn Nederlanders politiek tole­rant.[3]

De Nederlandse identiteit is in oorsprong niet homogeen. De meest duidelijke tweedeling bestaat tussen de protes­tantse, Noord-Neder­landse, Hollandse identi­teit, die gedomineerd heeft in de geschie­denis van de Nederland­se staatsvorming. Vervol­gens was er de katholieke, meer ‘Bour­gondische’ Bra­bants/­Lim­burgse/Zeeuws-Vlaamse iden­titeit, die als Gene­raliteits­landen geen ge­lijk­waardige staat­kundige positie hadden. Hierin kwam pas vanaf Franse Tijd geleide­lijk veran­de­ring. In Limburg[4] koos men in 1830 nog partij voor de Belgische opstand. Tot en met de 19e eeuw kende Limburg nog separa­tisti­sche stromingen, die streefden naar aansluiting bij België, Duits­land of ver­zelfstandiging. Het Limburgse verzet tegen de Belgische annexa­tiepoging van Limburg na de Eerste Wereld­oor­log liet zien, dat ook de Limburgers Nederlanders geworden wa­ren.[5] Halverwege de negen­tiende eeuw emanci­peer­de dus ook het katho­lieke volks­deel, waarmee ook zij geleidelijk deelge­noot werden van deze Noord-Nederlandse identiteit.

Ten­slotte zijn er ook de Friezen, die inmiddels hun eigen taal door de over­heid erkend hebben gezien en binnen de Neder­landse natie ook een eigen plaats inne­men. In 1806 verdween de Friese taal uit het lager onder­wijs door de centralisatie ervan. De verminde­ring van de rol van het Fries leidde tot het ontstaan van een Friese Beweging. Men streefde niet naar politieke autonomie, maar wel naar ruimte voor de Friese taal in recht­spraak, gemeentebestuur en onderwijs. Immigratie van niet-Friezen na de Tweede Wereldoorlog en de komst van de televisie drongen het Fries nog verder terug. Toch werd naar aanleiding van het rapport van de Commis­sie Friese taalpolitiek van 1970 besloten het Fries als verplicht vak op de lagere scholen in te voeren. In 1953 verkreeg men het recht het Fries te gebrui­ken in openbaar bestuur en rechtspraak.[6]

Volgens sommigen zijn Friezen geen Nederlanders die toevallig Fries spreken: volgens hen bestaat er in Nederland “een over­blijfsel van het Friese volk, dat zich echter door historische omstandigheden niet tot Friese natie heeft kunnen ontwikke­len.”[7] Hoe het ook zij, Friesland neemt binnen het Nederlandse staatsverband een eigen plaats in.

Nadat in de Republiek de Nederduits Gereformeerde Kerk geves­tigd was, ontstond er een interne strijd tussen de Remonstran­ten en de Contraremon­stranten, de ‘rekkelijken’ en de ‘precie­zen’. Tijdens de nationale synode van Dordrecht (1618-1619) behaalt de ortho­doxie de overwinning, en werd met alle ‘rekke­lijkheid’ afgerekend. Vanaf dit moment kregen de Noord-Neder­landers hun puriteinse inslag en had er een definitieve wijzi­ging in het volkskarakter plaats. Oude volksgebrui­ken, als paaps of heidens beschouwd, verdwe­nen.[8]

Vanaf het einde der achttiende eeuw ontstaat er een burgerlijk nationaal besef in Neder­land. Genootschappen als de Maatschap­pij tot nut van ’t Algemeen stelden zich verbrei­ding van een nationale burgercultuur ten doel, die over de standsgren­zen heen zou gaan. Zij moesten echter opereren echter binnen de tegenstellingen tussen Patriotten en Orangis­ten. Vanaf de jaren 1770 ontstaat in Nederland een gevoelsmatige, nog a-politieke vader­landsliefde. In de jaren 1780 werd dit gepoli­tiseerd nationalisme in de strijd tussen Patriotten en Orangisten. In de Franse tijd verdwenen deze tegen­stellingen geleidelijk en kon natievor­ming ontstaan. Na 1813 keert het vaderlands gevoel terug, onder invloed van het gemeenschappe­lijk verleden, de taal en cultuur als samenbindend element.[9] De nationale cultuur werd bepaald door verlicht humanisme, na 1848 door liberalis­me.[10]

De Belgi­sche af­schei­ding gaf overigens een nieuwe stimu­lans aan het Noordneder­landse, calvi­nis­tische natie­ge­voel. Men beschouwde het gebeurde uiteindelijk als winst voor beide landen. De afscheiding werd hiermee geen directe psychologi­sche belemmering voor vriendschappelijke diplomatieke betrek­kingen met België, maar intensieve samenwerking werd erdoor verhinderd.[11] Men kan in het ver­band van het Klein-Neder­lands nationali­teitsgevoel wijzen op zowel een schaa­l­verklei­ning van het natie­be­grip (uit­slui­ting van het Zuiden) als vergro­ting (van lokale naar landelij­ke identi­teit).[12] Na de afscheiding be­kreun­de niemand in Neder­land zich om de verfransing en de emancipatiepogingen van het Nederlands cultuurgebied over de grens. Dit heette ‘een inwen­dige zaak ener bevriende buurstaat, waarmee Nederland niets te maken mag hebben’. In de diplomatieke betrek­kin­gen met België bleef men zich tot enkele jaren voor de Tweede Wereld­oorlog van het Frans bedienen.[13]

Ook door de toene­mende migratie, en de opkomst van de verzor­gingsstaat werd dit proces bevorderd, waar­door de natievor­ming (hoe­wel regio­nale verschillen, zoals dialec­ten, nog altijd voortbe­staan) nu nagenoeg voltooid is. Aan de andere kant kan men zeggen dat tijdens de verzui­ling elke zuil zijn eigen opvattingen had over wat een Nederlander was of zou moeten zijn. Na de ontzui­ling ontstond hierdoor juist een identi­teitsvacuüm, waardoor het onduidelijk is wat de Nederland­se identiteit is.[14] Het Neder­landse nationale besef heeft een duidelijk staatkundige signatuur, terwijl de culturele compo­nent erin altijd zwak is geweest.[15]

In vergelijking met de matige aandacht voor de Vlaamse Bewe­ging, gaf de Boerenoorlog (1899-1902) een opmerkelijk groot engagement van de Neder­landse bevolking te zien voor de strijd van een stamverwant volk. Dit is te verklaren uit het feit dat het hier een acute crisissituatie betrof, die daarom sterk in de publieke belangstelling stond. De situatie in België was chronisch van aard, en daarmee onopvallender voor de publieke opinie. De Boerenoorlog leidde tot een sterk anti-Britse stemming. Onder druk van de publieke opinie wordt de Neder­landse neutraliteit wel zeer ruim geïnterpre­teerd: in 1900 wordt, als de toestand voor de Boeren hachelijk wordt, een oorlogs­schip gestuurd om President Krüger naar Europa te brengen. Krügers bezoek aan Nederland wordt een zegetocht: de Engelse koning Edward VII echter, wordt in 1901, op doorreis door Nederland, zeer on­vrien­delijk ontvangen: de menigte heft bij zijn aankomst in Vlissingen het Trans­vaalse volkslied aan.[16]

Tot aan de Tweede Wereldoorlog was het met name België waar­tegen Nederlan­ders zich afzetten. Tijdens de Eerste Wereld­oorlog was men ofwel pro-Duits: wegens directe belangengemeen­schap of conserva­tieve voorkeur voor de degelijke Duitser boven de Engelsman-van-de-Boerenoor­log. Ofwel men was pro-geallieerd: uit voorkeur voor de Latijnse cultuur en afkeer van Duits militarisme. Men beklaagde het lot van de Zuiderbu­ren.[17] Na de Tweede Wereldoorlog had Duitsland de Nederland­se antipathie: de grote buur van wie men econo­misch vrijwel geheel afhanke­lijk is, maar met wie bij elke voetbal­wedstrijd nog een rekening vereffend moest worden, een reke­ning die zowel be­trekking had op de oorlog als op andere verloren voet­bal­wed­strijden. De negatie­ve affini­teit met Duits­land lijkt een sterk kenmerk van de Neder­landse identi­teit te zijn gewor­den.[18]

Voor Nederland zijn handelsbelangen altijd superieur geweest aan het uitdragen van de eigen taal en identiteit. Duidelijk is dit te zien met betrekking tot Indonesië: het Neder­lands speelt hier vrijwel geen enkele rol van betekenis meer. Als men dit vergelijkt met de positie van het Engels in bijvoor­beeld India, is het verschil duidelijk. Nederland heeft nooit reden gezien om iets van zijn eigen taal en cultuur op de Indonesiërs over te brengen. Ook deze houding is een opvallen­de karakter­trek van Nederlan­ders, in vergelij­king met andere nationaliteiten.

De machtsverschillen in de Nederlandse samenleving zijn klein. Van oudsher had de adel een relatief zwakke positie, in tegen­stelling tot de burgerij. Om deze reden kreeg het staatsbestel aanvankelijk een sterk federatieve grondslag, die pas onder druk van buitenaf werd gewijzigd in een meer centralistisch bestel. De geringe machtsverschillen hebben gezorgd voor stabiliteit. Het staatsbestuur heeft een vrij grote legitimi­teit.[19]

Het open karakter van de Nederlandse samenleving heeft een zwak ontwik­keld nationalis­me tot gevolg gehad. Nationale symbolen zoals vlag en volkslied zeggen de gemiddelde Neder­lander, in vergelijking met het buitenland, weinig.[20]

 

1.2       Belgische identi­teit

 

Een Belgische identiteit is nog minder homogeen dan de Neder­landse. De verschil­len tussen de bevolkingsgroepen zijn hier veel groter dan in Nederland. Wel zou men kunnen spreken van een cultuurgemeenschap, gevormd door 150 jaar gemeen­schappe­lijke geschiedenis. Deze cul­tuur uit zich bijvoorbeeld in een bepaald gedragspa­troon of eetcultuur. De Belgische eenheids­staat ontstond vanuit de fransta­lige boven­laag. De eenheids­staat werd dus gesticht vanuit een frans­talige identiteit. Met de emanci­patie van Vlaande­ren is die verdwenen en is de voor­naam­ste identificatiepool de taalgroep gewor­den.

Aanvankelijk kenmerkte het Belgische nationale bewustzijn zich door een anti-Neder­landse houding. Dit veranderde na 1848, toen België Frans annexionisme begon te vrezen, en er toenade­ring tot Nederland plaats­vond.[21]

De machtsverschillen in zijn in België traditioneel veel groter dan in Nederland. Van oudsher heeft de adel hier een veel machtiger positie. De machtsverschillen werden daarbij vergroot door regionale verschillen, tussen het meer burger­lijke, op Nederland gerichte Noordwesten en het feodale, op Frankrijk gerichte Zuidoos­ten.[22]

Wanneer zich een gemeenschappelijke vijand voordeed, zoals tijdens de Wereldoor­lo­gen, traden de Belgen uiteraard eensge­zind op, maar het Belgisch zelfbeeld ontbreekt nage­noeg. In plaats daarvan bestaat een Vlaams of Waals zelfbeeld.[23] Een uitzondering kan men maken voor de Brusse­laars: doordat hier de taal­groe­pen door elkaar leven en deze stad het bestuur­lij­ke centrum van het land is, zou men kunnen zeggen dat hier de ‘echte Belgen’ wonen.

 

1.3De Vlaamse Beweging

 

Strikt genomen duidt de naam ‘Vlaanderen’ uitsluitend op het vroegere Graafschap Vlaanderen. Tegenwoordig wordt er echter het gehele Neder­landstalige deel van België mee bedoeld. Historisch gezien is dat even onjuist als alle inwoners van Nederland ‘Hol­landers’ noemen. Niet­temin is de term Vlaams in voor­noemde betekenis inmiddels geïnsti­tutio­naliseerd middels de Belgische staatshervor­mingen. Het Vlaams zelfbewustzijn wordt aangeduid met de term Vlaamse Beweging.

Dit zelfbewust­zijn ontstaat in de tweede helft van de achttiende eeuw. In de Oostenrijk­se Nederlan­den heerste toen grote geestelijke armoede. Veel kader was gedurende de oorlog naar het Noorden vertrokken. Het landsbe­stuur hanteerde de Franse taal. Letterkun­dige en weten­schappelij­ke produktie in het Neder­lands bestond nagenoeg niet. Daarnaast bestond er een grote verfransing van de adel en burgerij (die overigens overal in Europa bestond, het Frans was de internatio­nale taal bij uitstek). Vanaf 1750 is er enig intellectueel ontwaken.

Tijdens de Franse tijd (het Zuiden was, anders dan het Noor­den, gedurende 20 jaar onderdeel van Frankrijk), nam de ver­fransing een hoge vlucht in de hogere kringen van de burgerij. Men zou kunnen zeggen dat er naast de geografi­sche taalgrens een tweede, sociale taalgrens ontstond: tussen de bovenlaag van de bevolking en het kleine volk in de steden en op het platteland. Dit is een belangrijke oorzaak voor de Belgi­sche afscheiding in 1830. Deze Revolutie werd onder meer geboren uit onvrede van zowel de franstaligen ten Zuiden van de taal­grens als de verfranste bovenlaag in Vlaanderen met de taalpo­litiek van Willem I, die het Nederlands wilde bevorderen, omdat hij hierin een instru­ment van natievor­ming zag.[24]

De nieuwe Belgische staat werd dan ook een volledig frans­talige staat. Uit het verzet hiertegen werd de eigenlijke Vlaamse Beweging (als politiek-maatschappelij­ke beweging) geboren. Het ‘petitionne­ment’ van 1840 (dat vroeg om herstel van de positie van het Nederlands als tijdens het Ancien Régime) is het begin van verzet, ijverend voor de tot­stand­koming van de taalwetten. De Vlaamse Beweging groeide zo langzaam uit van een literaire tot een politieke beweging. Bij de volkstelling van 1846 werd voor het eerst gevraagd naar de dage­lijks gebruikte taal. De eerste taalwet was die van 1873, waarin het Neder­lands in strafzaken werd toege­staan. In 1878 werd het Nederlands mogelijk in het centraal bestuur, in 1883 in het onder­wijs. Voor de toepas­singswet­ten moest nog tot 1910 gestre­den worden. De Gelijkheidswet van 1898 tenslotte bepaal­de de wettelijke gelijk­heid van het Frans en het Neder­lands.[25]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond een nationalisti­sche stroming die een eigen staatkun­dige positie voor Vlaanderen wenste, de activisten. De passivisten wilden de Belgische een­heidsstaat behouden. De Duitse overheid heropende in 1916 de Gentse Universiteit met Nederlands als voertaal, en zij paste het activisme in haar ‘Fla­menpoli­tik’. Dit werkte sterk polari­serend, zowel tussen de taalgroepen als binnen de Vlaam­se Beweging zelf. Na de oorlog raakte het activisme in diskre­diet en in haar kielzog ook de gehele Vlaamse Beweging. Tij­dens de jaren twintig maakte het Vlaams-nationalis­me weer opgang, met sterk katholieke inslag. Er werden in deze periode weer enige taalwetten verwezenlijkt, mede doordat men in Wallo­nië, vrezend voor tweetaligheid in de eigen regio, de franstaligen in Vlaande­ren en Brussel enigszins in de steek liet.[26] In 1932 werd het gebruik der talen in be­stuurszaken bij wet geregeld, in 1935 in gerechtszaken.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd door het Vlaams-nationa­lisme gecolla­boreerd met de bezetter. Na 1945 legde dit een zeer grote hypotheek op de Vlaamse Beweging. Tijdens de ko­ningskwestie, die in 1950 leidde tot het aftreden van Leopold III, kwam duidelijk een Waals-Vlaamse tegenstel­ling aan het licht: Vlaanderen stemde duidelijk voor Leopold, Wallonië tegen. In het hele land kreeg Leopold een kleine meerderheid, maar toch trad hij af. In de jaren zestig spitste de taal­strijd zich sterk toe op vaststelling van de taal­grens. In 1963 werd het taalge­bruik in het onderwijs en in bestuurszaken opnieuw bij wet geregeld, en werd de taal­grens definitief vastgelegd. Langs de taalgrens liggen diverse gemeenten met facilitei­ten voor taalkundige min­derheden. Ook in Wallonië ontstond een streven naar (eco­nomi­sche) autonomie, sterk beïnvloed door de steeds ster­kere positie van Vlaanderen in het land.

Voor Brussel gaat het voorgaande verhaal voor een groot deel ook op. Het grote verschil met de rest van Vlaanderen behelst echter de totaal andere wijze van verfransing die Brussel heeft gekend. Anders dan in de rest van Vlaanderen, is in Brussel sprake ge­weest van een zeer grote immigratie van franstaligen, waardoor het Nederlands de taal van de minder­heid geworden is. Vóór de Franse tijd (1794) was in Brussel ongeveer 85% Nederlandsta­lig.[27] Tijdens de Franse bezetting wordt een sterke verfransingspolitiek inge­zet. In 1821 zou de stad toch nog voor tweeder­de Nederlandsta­lig zijn. Er zijn echter ook nog zo’n 10.000 vreemde­lingen, voor een aan­zienlijk deel Franse refugiés. Het is de fransta­lige bovenlaag (die ook in andere steden bestond), aangevuld met deze groep die de vernederlandsingspoli­tiek van Willem I lieten mislukken. Met name doordat een zeer groot deel van de franstalige Brusse­laars nooit tot de nederlands­talige traditie heeft behoord, heeft de ontwikkeling van het Vlaamse identi­teitsgevoel op de meerderheid van de Brusse­laars geen vat gekregen.

In 1963 werd het taalge­bruik in bestuursza­ken bij wet gere­geld. In 1970 ont­staan de taalge­meen­schappen met eigen compe­tenties. Deze competen­tie werd bij de staats­hervor­mingen van 1980 en 1988 verder uitge­bouwd. Het economi­sche zwaartepunt in België is inmid­dels nadruk­kelijk in Vlaan­deren komen te lig­gen. Men kan stel­len dat de Vlaamse emancipatie binnen de Belgische staat voltooid is. Er gaan echter reeds stemmen op voor nog een stap verder: die zou moeten leiden tot opsplit­sing van de Belgische staat. Vlamin­gen kenmerken zich momen­teel met name door een groot (volgens sommigen te groot) zelfbe­wustzijn. In vergelij­king met Neder­landers zou men de Vlaming in zijn algemeen­heid gezagsgetrou­wer, ‘katho­lie­ker’, romaanser en meer geneigd tot romantisme kunnen noemen. Aan de andere kant is er een zeker wantrouwen ten opzichte van het (centraal) gezag. Gematigde vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid zijn zeer normaal. Het improvisatievermogen is sterk ontwikkeld, in tegenstelling tot bij Nederlan­ders, die liever alles en detail in regels vastleggen. Vlamingen hebben een zekere achter­docht voor alles wat uit Nederland komt, hoewel er ook een toenemend streven naar samenwerking met het Noorden is.[28]  Vol­gens Europe­se studenten Neder­lands heet een Vlaming typisch Guido de Vlae­minckxs. Een Vlaming is kleiner dan een Nederlan­der (ca. 1.70 meter), hij laat zich gemakke­lijk verleiden tot een gesprek over de Belgi­sche taalpro­blema­tiek en hij eet graag goed en drinkt bier.[29]

 

1.4       Synthese

 

Op de vraag of Nederlanders en Vlamin­gen één natie vor­men, is niet één antwoord te geven. We aarzelen niet om te spreken over Italianen, hoewel de verschillen tussen een Siciliaan en een Milanees groter zijn dan tussen een Amsterdammer en een Antwerpenaar. Evenzeer noemen we een Beier en een Nedersaks beiden Duitser. Zo be­schouwd kan men de stelling volhouden dat Nederlanders en Vlamin­gen één volk zijn, dat door de grillen van de geschiedenis niet de kans heeft gehad zich tot een enkele natiestaat te ontwikkelen, zoals Duitsland en Italië. Anderzijds heeft die gescheiden geschiedenis ervoor ge­zorgd dat er toch duidelijke verschillen zijn ont­staan, die het benoemen van meer dan één natie kan rechtvaardi­gen.[30]

Vastgesteld moet echter worden, dat de overgang van Hol­lander naar Vlaming niet langs de scherpe lijn van de staatsgrens plaatsvindt, maar langs het overgangsge­bied van Noord-Brabant en Limburg, waarvan de bevolking pas laat deelgenoot is gewor­den van de Noord-Nederlandse natie. Voor Limburg geldt dit bij uitstek: voor Noord-Nederlanders was het nog tot ver in de 19e eeuw “een ellendig strookje land”, dat men graag aan de Duit­sers had willen overdragen.[31] Bovendien bestaan er vele grensover­schrijdende culturele contacten tussen de bevol­king van de Zuidelijke provincies en de Vlamingen. Ook de respec­tievelijke televisiezenders zijn over de grens tegenwoordig goed te ontvan­gen. Hierdoor wordt de culturele integratie bevorderd.

Conclu­derend: of men het Nederlands taalgebied nu wil beschou­wen als be­staande uit één of uit twee naties, in beide geval­len moet men voor ogen houden dat deze natie(s) dan niet homogeen is (zijn), en niet scherp afgebakend worden door nationale grenzen. Hoewel vele particuliere organi­saties op idealistische wijze vormen van samenwerking ontwikkelen, politiek gezien leven de ideeën van een ‘Groot-Nederland’ geheel niet.

 

2Ee­n­h­eid en ve­r­de­el­d­h­eid van de Nederlandse taal[32]

 

De eenheid van de Nederlandse taal is een gegeven dat stamt uit de vroegste Middeleeu­wen, hoewel de taal des­tijds meestal genoemd werd naar de naam van het gewest waar het gesproken werd. De benaming ‘Neder­lantsch’ komt voor het eerst voor in een incunabel uit 1482. Ondanks grote staatkundige, religieuze en sociale versnippering in het gebied van de Lage Landen is een groei naar eenheid waar­neembaar: in 1574 wordt bij Plan­tijn in Antwerpen het ‘Dictionarium’ uitgegeven, met een weten­schap­pelijke beschrij­ving van de toen in het Nederlandse taal­gebied in gebruik zijnde woorden. In 1584 verschijnt de ‘Twe-spraack van de Nederduyt­sche letterkunst’, waarin gepoogd wordt orde te scheppen in de verschil­lende schrijfge­woonten. Ook de Staten­vertaling van de Bijbel uit 1637 is een belang­rijk symp­toom van de ontwikkeling naar de eenheid in de taal.

De staatkundige tweedeling van 1648 heeft deze eenheid in belangrijke mate belem­merd. Reeds tijdens de Tachtig-jarige Oorlog vestigden vele letterkun­digen uit het Zuiden zich in de Repu­bliek, waardoor de Zuid-Nederlandse lette­ren voor eeuwen naar het tweede plan werden verdron­gen. In 1804 kwam in de Bataafse Republiek de eerste officiële spellings­re­geling tot stand. Hieruit ontstond het ‘Woor­denboek voor de Nederduit­sche spelling’ (1805), dat in Noord en Zuid gebruikt werd tot 1864.

Tijdens het Verenigd Koninkrijk pro­beerde de regering de posi­tie van het Neder­lands in het Zuiden te versterken. De ver­schillen bleken echter niet gemakkelijk te overkomen. Na de afscheiding gingen zelfs stemmen op te komen tot een autonome Vlaamse taal. In 1863 werden de ‘Grondbeginse­len der Neder­land­sche spelling’ van Te Winkel en De Vries gepu­bliceerd, en deze spelling werd in België een jaar later ver­plicht gesteld. Neder­land volgde pas in 1883. In 1898 kreeg in België bij de ‘Ge­lijkheidswet’ het Neder­lands dezelfde rechts­kracht als het Frans. In de daarop­volgen­de jaren werden in België vele taal­wetten aangenomen ter verneder­landsing van bestuur, onderwijs en rechtspraak in Vlaanderen.

De in 1883 bereikte eenheid van spelling werd in 1934 doorbro­ken door de invoering in Nederland van de spelling-Marchand. In 1947 werd de eenheid in de spelling weer hersteld.[33] In 1953 ver­scheen de ‘Woorden­lijst der Nederlandse taal’, ‘het Groene Boekje’, onder auspi­ciën van beide regerin­gen. In 1973 werd in België offi­cieel de term ‘Nederlands’ ingevoerd: voorheen werd de taal ook met ‘Vlaams’ aange­duid. De positie van het Nederlands is in Neder­land en België nogal verschil­lend: in Neder­land wordt de taal voorname­lijk bedreigd door slordig gebruik, overdreven overne­ming van anglicismen etcetera, terwijl België in taal­kundig op­zicht een duidelijke frontlijn­staat is, waar het taalkundig bewustzijn veel groter is.

 

3Nederlands-Belgische culturele betrekkingen (1945-1970)

 

De opkomst van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoor­log bracht enige verande­ring teweeg in het Nederlandse buitenlands cultureel beleid. Het Belgisch-Neder­lands Cultureel Akkoord (BNCA), het eerste in de reeks culturele verdragen die door Nederland later met andere landen gesloten zouden worden, werd pas in 1946 onder­te­kend, hoewel er reeds vanaf 1921 over werd gesproken.[34]

 

2312[BNCA] Verdrag betreffende de culturele en intellec­tuele betrekkingen tussen Nederland en België (16.5.­1946)

 

Sinds­dien is het aantal van dergelijke akkoorden tot over de dertig gegroeid. In 1956 werd het Nederlands Instituut voor Internationale Culturele Betrekkingen ingesteld, in grote lijnen naar voor­beeld van de British Council, maar met het verschil dat men geen eigen vertegenwoordi­gingen in het buitenland zou hebben. In 1959 werd het NIICB weer opgehe­ven, waarna haar activitei­ten werden overgeheveld naar het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen. De politieke en publieke belangstel­ling voor buitenlands cultuur­beleid was en is gering. Cultuur­beleid in Nederland is hoofd­za­ke­lijk subsidiebeleid.[35] Sa­men­werkingspro­jec­ten lopen voor het merendeel via particu­liere organisaties.

Een van de resul­taten van het BNCA was bij­voor­beeld een spel­lings­over­eenkomst in 1958. Verder behelst de samen­wer­king onder andere de sectoren onder­wijs en cultuur, podiumkun­sten en sociaal-cultureel werk.[36] In 1962 werd beslo­ten om “nieuwe institutio­nele voorzieningen op te richten die de wedertotstandkoming van de culturele eenheid binnen het Neder­lands taalgebied zouden bevorderen” (citaat commissiever­slag 1962). In 1974 besluiten de Ministers tot de oprichting van culturele centra in elkaars hoofdsteden: het Vlaams Cultu­reel Centrum ‘De Brakke Grond’ in Amsterdam werd in 1981 geopend. België (cq. Vlaanderen) ging evenals in 1921 voort­va­render te werk dan Nederland: toen verstrekte Nederland na vijf jaar een offi­cieel antwoord. Een Nederlands Cultureel Centrum in Brus­sel bestaat nog altijd niet.[37]

De motieven voor buiten­lands cultureel beleid liggen op het terrein van het algemene buitenlands beleid. Buitenlands cultureel beleid komt op zichzelf neer op uitdragen van de eigen culturele identiteit, waarbij uitwisseling plaatsvindt met de samenwerkingspart­ners.[38] Dit ligt echter niet in de Nederlandse volksaard. Het BNCA heeft voor Neder­land dan ook geen prioriteit en er is geen echt samenhangend beleid. Dit verklaart tevens waarom Vlaanderen veel meer ziet in culturele samenwerking: men is zich daar veel bewuster van zijn culturele identiteit.

 

4Conclusie

 

Beleving van nationale identiteit is in West-Europa vooral op de taal gericht, naast culturele verwantschap. De Nederlandse taal is langzaam naar een eenheid gegroeid, die nu (men in achtneming van dialectverschillen) officieel is. Het Nederlands taalgebied wordt bewoond door Nederlanders en Vlamingen, waarbij aangetekend moet worden dat de overgang tussen beiden via het tussenstadium van Brabant en Limburg verloopt. Ook overigens zijn beide groepen niet homogeen: er zijn grote regionale verschillen te consta­teren. In Nederland is de identiteitsbe­leving nagenoeg onbewust, hij wordt niet als zodanig sterk gevoeld. In Vlaanderen ligt dat geheel anders: hier is de eigen identiteit bevochten, waardoor men zich er erg bewust van is. De taalgroep is in België de belangrijkste identificatiepool.

Aan culturele samenwerking wordt in België als gevolg van deze omstandig­heden meer belang gehecht dan in Nederland, waar dit geen prioriteit heeft.

     [1] Tamse [1973]: p. 209.

     [2] Nijmeegs onderzoek, aangehaald in: Goddijn [1991].

     [3] Zie: Van de Poel [1993]: p. 374-377.

     [4] Behalve Maastricht.

     [5] Vgl. Nouwen [1990]: p. 71-78, 99-102, 109-110.

     [6] Vgl. Knippenberg & De Pater [1990]: p. 169-171.

     [7] Zie: Scheps [1981]: p. 44.

     [8] Zie: Van Overzee [1948]: p. 131-133.

     [9] Vgl. Van Sas [1989]: p. 473, 476, 482-483, 486-487, 494.

     [10] Vgl. Te Velde [1991]: p. 174-176.

     [11] Zie: Tamse [1973]: p. 204-205.

     [12] Zie: Knippenberg [1990]: p. 21.

     [13]  Men accepteerde zelfs dat Belgische gezanten naar Nederland gestuurd werden, die het Nederlands niet machtig waren; Van Overzee [1955]: p. 131, 138.

     [14] H. Righart, geciteerd in: Van Cleef en Meeus [1991].

     [15] Zie: Couwenberg [1981]: p. 9.

     [16] Zie: Oud [1954]: p. 196.

     [17] Zie: Romein [1949]: p. 654.

     [18] De ‘Ik ben woedend’-kaartenactie (1993), op touw gezet uit protest tegen de aanslag op buitenlanders in Solingen, zou men kunnen interpreteren als een uiting van Nederlands nationalisme: het uitdragen van de Nederlandse morele superioriteit jegens de Duitsers.

     [19] Zie: Kapteyn [1991]: p. 154.

     [20] Vgl. Knippenberg & De Pater [1990]: p. 213-214.

     [21] Zie: Tamse [1973]: p. 213-214.

     [22] Zie: Kapteyn [1991]: p. 154.

     [23] Duidelijk is die verdeeldheid te zien bij bijvoorbeeld chançonniers: Nederlandstaligen gaan naar Amsterdam, Franstaligen naar Parijs.

     [24] Zie: Elias [1973], p. 17-18.

     [25] Zie: Elias [1973], p. 22

     [26] Zie: Elias [1973], p. 30.

     [27] Vgl. De Ridder [1984], p. 92.

     [28] Vgl. Janssens: p. 44-45.

     [29] Zie: Van de Poel [1993]: p. 374-377.

     [30] “The formation of the Dutch nation is a case of the division in two of a community which, with an economy and a culture as advanced as any in Europe, was growing into a single modern nation; but religious division, foreign military power and new economic opportunities in distant seas pulled and kept the two halves apart, making one into a nation and leaving the other in uncertain status.” (Hugh Seton-Watson, Nations and States, 1977, geciteerd in Couwenberg [1981]: p. 9).

     [31] Donker Curtius gebruikte deze term in 1848 in de Ministerraad: Boogman [1962]: p. 52.

     [32] Vgl. Nederlandse Taalunie [1988].

     [33] Het in 1946 ondertekende Cultureel Akkoord heeft geen betrekking op taalaspecten.

     [34] Zie: W. Lerouge in: Nederlandse Taalunie [1989]: p. 19.

     [35] Vgl. Schmid, Hfdst. 2

     [36] Vgl. Mourik [1989]: p. 76.

     [37] W. Lerouge in: Nederlandse Taalunie [1989]: p. 19.

     [38] Vgl. Mourik [1989]: p. 48.

 

IVDE BELGISCHE STAATSHERVORMINGEN EN DE GEVOLGEN VOOR DE RELATIE MET NEDERLAND

 

Allen die hem vroegen: “Wat is de beste con­sti­tu­tie?” antwoord­de Solon: “Voor wie en op welk mo­ment?”

 

Inleiding

 

In dit hoofdstuk zullen allereerst de Belgische staats­hervor­mingen en hun voorge­schiede­nis behandeld worden. Vervolgens wordt gekeken op welke wijze de betrekkingen met Nederland sedert 1970 hierdoor beïnvloed zijn, en of het staatshervormingsproces diepere samenwerking tot gevolg zal hebben.

Hiertoe wordt met name stilgestaan bij het Taalunieverdrag, omdat hier Vlaanderen namens België uitvoer­der van het Verdrag is, en omdat het betrekking heeft op het belangrijkste punt van gemeenschappelijkheid van Nederland en Vlaanderen: de Neder­landse taal. Tevens zal blijken in hoever­re Neder­land en Vlaande­ren in staat zijn op bepaalde thema’s een gezamen­lijk buitenlands beleid te ontwik­kelen: de mate en vorm waarin dit tot stand komt, geven immers mede een indicatie in hoeverre er gedacht wordt in termen van federalisme en supranationaliteit. Dit zullen we toetsen aan het beleid ten aanzien van de positie van de Neder­landse taal als werk­taal in de Euro­pese in­stellingen. Tenslotte zal duidelijk worden welke visie Neder­land heeft op de betrekkin­gen met het staatkundig veranderde België.

 

1          De Staatshervormingen

 

1.1Voorgeschiedenis

 

De discussie over de staatshervormingen, die in 1961 begon, kende al een lange voorge­schiedenis. Kort na 1830 gingen al stemmen voor Vlaamse autonomie. Vanaf 1890 namen de Walen het thema van federalisering op. Dit was enerzijds een reactie op de taalwetge­ving die het Nederlands ook rechten toekende, ander­zijds door politieke factoren. Men probeerde de macht van de katholieke partij te doorbreken, die vooral in Vlaanderen geworteld was, en van 1884 tot 1917 aan de macht was. In 1917 voerde de Duitse bezetter op aandrang van Vlaamse activisten een bestuurlijke scheiding door. Hierdoor kwam de federale gedachte in een extreem daglicht te staan, een erfenis die het nog lang met zich mee zou dragen. Extreme stromingen droomden van een Vlaanderen dat, verenigd met het Noorden, een Groot-Nederland zou vormen.[1] In 1936 werd de katholie­ke partij gesplitst in een Waalse en een Vlaamse vleugel, waarbij de Vlaamse vleugel het federalisme in zijn programma opnam.[2] Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten sommige Vlaamse federa­listen opnieuw met de Duitsers mee. De Waalse federalisten deden dit juist niet: voor het was de Waalse Beweging een soort verzetsbeweging. Dit bracht hen na de oorlog uiteraard in een voordelige positie. Vele Wallingan­ten bepleit­ten overi­gens aansluiting bij Frankrijk.[3]

De koningskwestie deed de Vlaams-Waalse tegenstelling opnieuw oplaaien. In 1954 werd de Vlaamse Volksunie opgericht. Deze partij sloot aan bij de vooroorlogse Vlaams-nationale partij­en, maar nam afstand van Groot-Neder­landse en fascistoïde denkbeelden. Het hoofdpunt van haar programma was federalisme. Ook de Vlaamse Volksbeweging (1956) oefende als pressiegroep veel invloed uit. Hun aanhang kwam vooral van de katholieken. De liberalen en socialisten waren toen nog tegen federalisme. De Eenheids­wet, die premier Eyskens in 1960 aan het parlement voorlegde, werd het voorwerp van ongekende agitatie in België. Voorgenomen bezuinigingen in de openba­re sector gaven aanlei­ding tot stakingen, waaraan uiteindelijk 750.000 mensen, vooral in de kwetsbare Waalse industrie, deelnamen. De rege­ring won uiteinde­lijk, maar kondigde een periode van Waalse onvrede aan. Één dag na de aanvaarding van de Eenheidswet kwamen enkele honderden prominente Waalse socialisten, die zich de Staten-Generaal van Wallonië noemden bijeen, en ver­zochten de koning om een staatshervorming om Wallonië van het conservatieve Vlaanderen te bevrijden.[4]

Intussen werden de meeste overige politieke partijen opgesplitst in Vlaamse en Waalse vleugels. De Vlamingen richtten nu hun aandacht op de Leuvense Universi­teit. Deze was in hoofdzaak Franstalig gebleven, hoewel Leuven een Vlaamse stad is en de studenten intussen in meerderheid Nederlandstalig waren. Plannen voor uitbreiding van de franstali­ge voorzie­ningen van de univer­siteit leidden in 1968 tot felle studentenprotesten, die vreesden voor een nieuwe tweetalige stad in Vlaams-Brabant, naast Brussel. Uiteindelijk zou de franstalige afdeling worden verhuisd naar Waals-Brabant, waar in de jaren ’70 Louvain-la-Neuve zou verrijzen. Zo werd, door de grote, naar het scheen structurele onrust uiteindelijk de tijd rijp voor staatsrechtelijke veranderin­gen.[5]

Specifieke problemen deden zich voor in taalgrensgemeenten als Voeren (bij Luik of Limburg te voegen?) en Komen en Moeskroen (bij West-Vlaanderen of Henegouwen?). In belangrijke mate werden dergelijke gemengde gemeenten het voorwerp van een prestige­strijd tussen Walen en Vlamingen, waardoor de spanning toenam.[6]

Het Belgische staatsbestel werd in den beginne, onder druk van buitenaf, centralis­tisch opgezet. De problemen tussen de bevolkingsgroepen waren aanvankelijk klein. Het Franstalige gedeelte domineerde in economisch en politiek opzicht, waar­door de tegenstel­lingen niet tot uitdrukking konden komen. Naarmate de positie van het noordwestelijke, Vlaamse deel van het land sterker werd, werden de problemen groter. Het centra­le apparaat was niet in staat gezag van bovenaf af te dwingen, omdat het te zeer partij in de tegenstellingen was. Zo begon de erosie van de staat die de invoering van een federatief stelsel tot gevolg had.[7]

Normaal gesproken ontstaat federalisme wanneer zelfstandige delen zich willen verenigen in een staatsverband. De Belgische federalisering verenig­de echter niet, maar­ scheidde, en kwam voort uit afkeer en vijandschap. Het Belgisch federalisme lijkt hierdoor op een voorbode van separatisme.[8] De socioloog W. Urwin betoogt dat na de Tweede wereld­oor­log een ‘tweede golf van nationale bewegingen’ ontstond, uit bewustwording van economi­sche verschillen, anders dan de negentien­de eeuw. Deze economische mobilisatie steunt dan op een culturele en meestal etnische identiteit, en is verbonden met irrelevant geworden historische factoren.[9]

 

1.2De grondwetswijzigingen

 

Een nieuwe, federalistische weg werd zodoende ingeslagen met de grond­wetswijzi­gin­gen. Deze voltrok zich in vier fasen:

– 1970: erkenning van de cultuurgemeenschappen (een Neder­landstalige en een Franstali­ge);

– 1980: operationalisering van de Gewesten. ­De cultuurge­meen­schappen werden omge­doopt in Gemeen­schap­pen met eigen regerin­gen en wetgevende bevoegdhe­den. De Duits­talige gemeenschap kreeg dezelfde positie. Het Vlaam­se en het Waalse gewest kregen een regering en een parle­ment met wetgevende bevoegdhe­den. De regeringen van het Vlaamse gewest en de Vlaamse ge­meenschap werden samen­gevoegd.

– 1988: de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen worden uitgebreid. Financiële verantwoordelijkheid voor de landsdelen. Oprichting van Brussel Hoofdstede­lijk Gewest.

– 1992: Sint Michielsakkoord van 28 september: België wordt een volwaardi­ge federale staat. Recht­streekse verkiezing van de raden van de deelstaten, uit­breiding van hun bevoegdheden, hun financiële middelen en financiële verant­woordelijkheid, afschaffing van het dubbelmandaat (tegelijk zitting hebben in zowel het nationale als het gemeen­schaps- of gewestparlement). Internationale erken­ning van de deelsta­ten, vaststelling van de exclusieve be­voegd­heden van de natio­nale overheid en vast­leggen van de residuaire bevoegd­heden. De Gemeenschappen en Gewesten krijgen het recht verdra­gen met andere landen te slui­ten.

Artikel 1 van de Belgische Grondwet luidt nu: “België is een federale staat, samengesteld uit de Gemeen­schappen en de Gewesten.” De soevereiniteit is gespreid over drie bestuurs­li­chamen: de federale overheid, de Gewesten en de Gemeen­schap­pen. De­ze ingewik­kelde constructie was nodig vanwege Brussel, dat de Walen aan Wallonië wilden toevoe­gen maar dat de Vlamin­gen niet wensten prijs te geven. Zo ressorteren de Brus­selse Vla­mingen nog onder de Vlaamse Gemeen­schap, en de Fransta­lige Brusselaars onder de Franse Gemeenschap.

“België omvat vier taalgebieden: het Neder­lands taal­ge­bied, het Frans taalgebied, het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en het Duits taalge­bied. Elke ge­meente van het Rijk maakt deel uit van één van deze taal­gebieden. In de grenzen van de vier gebieden kan geen verandering of correc­tie worden aangebracht dan bij een wet (…).” (artikel 3bis). Het Nederlands taalge­bied bestaat uit de provincies Lim­burg, Antwerpen, Oost-Vlaan­deren, West-Vlaanderen, en de arrondissementen Leuven en Halle-Vil­voorde van de provin­cie Brabant. Het Frans taalgebied bestaat uit de provin­cies Luxem­burg, Namen, Henegouwen, Luik (behalve het oostelijk deel) en het arron­dissement Nijvel van de pro­vincie Brabant. Het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bestaat uit de 19 gemeenten van het administratief arron­disse­ment Brussel-Hoofdstad. Het Duits taalgebied omvat het oosten van de provincie Luik.

De taalgebieden vormen elk een gemeenschap. “Er is een Raad en een Executie­ve[10] van de Vlaam­se gemeen­schap en een Raad en een Executie­ve van de Franse gemeen­schap.(…) De Raden zijn samenge­steld uit verko­zen mandata­rissen (…) De Gemeenschaps­raden regelen, ieder wat hem be­treft, bij decreet: de culture­le aangelegenheden, het onderwijs, de sa­me­n­we­r­k­ing tussen de Gemeenschappen, alsook de inter­nationale samenwerking, met inbe­grip van het sluiten van verdragen (…). De Gemeenschaps­raden regelen (…) bij decreet de persoonsgebonden aangele­gen­heden, (…) het gebruik van de talen voor de bestuursza­ken, het onder­wijs, de sociale betrekkingen tussen de werkge­vers en hun perso­neel (…).” (artikel 59bis). Dit artikel regelt de culturele autonomie van de ge­meenschap­pen. De Ge­meenschap­pen zijn bevoegd voor de cultu­rele aangele­genhe­den, het onder­wijs, en de persoons­gebon­den aangelegenhe­den. Het gevolg is een overdracht van bevoegd­he­den van het centraal gezag naar de samenstellende delen van het land. Dit bete­kende dus een meer algemene staats­hervorming.

“België omvat drie gewesten: het Vlaamse gewest, het waalse gewest en het Brusselse gewest (…)” (arti­kel 107qua­ter). Met de erken­ning van de drie gewesten werd de decen­trale inter­pretatie van artikel 59bis bevestigd. De uitvoering van deze bepaling werd echter overgelaten aan de wetgever. De Gewesten zijn bevoegd voor de ruimte­lijke ordening, het leefmilieu, de landinrichting en natuurbe­houd, huisves­ting, waterbeleid, de economie, energiebe­leid, de onderge­schikte (lokale) besturen, werk­gelegen­heid, openbare werken en vervoer.

“Voor de bij de Grondwet bepaalde gevallen, wor­den de gekozen leden van elke Kamer in een Ne­derlandse en een Franse taal­groep ingedeeld op de bij de wet vast­gestelde wijze.” (artikel 32bis). Elke parlementariër behoort dus per definitie tot één van de taalgroepen.[11] Belangencon­flicten tussen de overheden worden behan­deld in het over­legcomité Federale Regering/Ge­meenschaps- en Gewestrege­ringen. Het beginsel van de federale loyali­teit is ook in de Grondwet opgenomen. (artikel 107ter-bis).

België is in minder dan dertig jaar veranderd van een unitaire in een federalistische staat. Dit federalisme heeft als bij­zonderheid, dat de deelre­geringen op bepaal­de terreinen exclu­sieve bevoegdheden hebben, en op deze gebieden dus ook zelf­standig met het buitenland overeen­komsten kunnen sluiten. Er bestaat geen hiërarchie tussen de nationale overheid en de deelregeringen. De staatshervormin­gen hebben er dus daadwer­kelijk voor gezorgd dat Nederland voor wat betreft deze exclu­sieve be­voegdheden twee ‘nieuwe’ buur­landen gekregen heeft, namelijk Vlaanderen en Wallo­nië.

De samenhang van het federale buitenlands beleid wordt als volgt gewaar­borgd: indien een deelregering voornemens is onderhandelingen te gaan beginnen, wordt de federale regering op de hoogte gesteld. Onderhandelin­gen kunnen dan worden opgeschort in de volgende gevallen:

– de verdragspartner is door België niet erkend;

– België heeft geen diplomatieke betrekkingen met de onderhan­delingspart­ner;

– de betrekkingen met het land zijn verbroken, geschorst of bemoeilijkt;

– het verdrag is strijdig met de internationale verplich­tingen van België.

De vrijheid van de Gemeenschappen en Gewesten is dus groot. Internatio­naal blijft België echter aansprakelijk indien een deelregering zijn ver­dragsverplichtingen niet nakomt. Hier ligt de beperking van hun internatio­nale rechtspersoonlijk­heid.[12]

 

Samengevat, kan de Belgische staatshervorming als volgt worden geschematisee­rd[13]:

 

 

═════════════════════════════════════════════════════════════════════════════════════­══════════­═════════════════════

KAMER                                           KONING                                         SENAAT

(Brussel)                                       NATIONALE REGERING                             (Brussel)

(Brussel)

─────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────­───────────────────────────────

VLAAMSE[14]                BRUSSELSE               FRANSE                  WAALSE                 DUITS­TA­LI­GE

Raad                    Hoofdstedelijke         Gemeenschapsraad        Gewestraad en          Gemeenschapsraad

en Executieve           Raad en Executieve      en Executieve           Executieve            en Executieve

(Brussel)               (Brussel)               (Brussel)               (Namen)                (Eupen)

─────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────­───────────────────────────────

[     Vlaamse gemeenschap     ][                Franstalige gemeenschap                       ][ Duitstalige   ]

gemeenschap

[   Vlaamse Gewest     ][  Brusselse Gewest    ][                       Waalse Gewest                            ]

─────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────────­───────────────────────────────

9 PROVINCIES

589 GEMEENTEN

═════════════════════════════════════════════════════════════════════════════════════­═══════════════════════════════

 

In een interview met ‘La Libre Belgique’ (11 januari 1993) pleitte de Vlaamse premier Van den Brande voor verdere op­splitsing van België in een confederale staat. De laatste staatshervorming zou niet het einde betekenen van het fede­ralise­ringsproces. De federale overheid zou dan nog slechts bevoegd zijn op defensie en monetair beleid: België als “go-between” tussen de deelgebieden en Europa. In Wallonië heeft men echter niet de wens nog verder te federaliseren. Het einde van België is nog niet in zicht maar wel is België steeds moeilijker te karakteriseren. Daardoor zoeken Vlaanderen en Wallonië internatio­naal naar een identiteit.[15]

 

2Buitenlands beleid van Vlaanderen

 

Sedert het aantreden van Van den Brande als voorzitter van de Vlaamse regering (zelf prefereert hij de titel minis­ter-presi­dent) in 1992 is de Vlaamse regering voortvarend van start gegaan. Men wil een zo autonoom mogelijk buitenlands beleid voeren. Dit leverde bijvoorbeeld het ambitieuze plan ‘Vlaande­ren-Europa 2002’ op.[16] Een van de doelstellin­gen ervan is het ont­wikkelen van een Vlaamse eigenheid in België, Europa en de rest van de wereld. In een aantal passages wordt een ver­band gelegd tussen cultuur en economie: de Vlaamse regering dient resoluut prio­riteit te geven aan cultuur. Dit draagt bij tot grotere ont­plooiingskansen, sterkere bewustma­king, een mense­lijker samen­leving, meer zelfres­pect en een grotere uitstra­ling van Vlaan­deren in Europa en de wereld. “Bovendien heeft zo’n beleid positieve afgeleide economische effecten voor gevolg”.[17] “De economi­sche structuren in Vlaanderen zijn grotendeels het produkt van onze mentaliteit en cultuur. Uit diverse studies blijkt dat cultuurrelevante factoren in be­langrij­ke mate onze concurrentie­kracht in het eengemaakte Europa zullen bepalen. De versterking van deze culturele onder­bouw van onze economie is dan ook prioritair. Omgekeerd is economische beslissings­macht nodig om de Vlaamse culturele eigenheid te bewaren”.[18]

Vlaanderen wil de cultu­rele samenwerking met Nederland uit­breiden middels concre­te samenwerkingsprojecten. Voorts wil de Vlaamse regering met de andere kleine culturen in de EG de cul­tuurparagraaf uitbreiden en de autonomie van de regio’s nog sterker in de EG-verdragen doen veranke­ren. De kern van de Vlaamse culturele eigenheid is de Nederlandse taal. De samen­werking met Nederland moet via de Nederlandse Taalunie en via gemeen­schappelijke projecten worden uitge­breid. Dit met het oog op versterking en een betere uitstraling van de gemeen­schappe­lij­ke cultuur in Europa, maar tevens met respect voor de eigen­heid en de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. De contac­ten met andere middelgrote en kleinere culturen moeten worden uitgebreid om het ‘Europa van de cultu­ren’ op te bou­wen.[19] Aan de ene kant ziet Vlaanderen zich dus als een zelfstandi­ge culturele regio, anderzijds ziet men het gehele Neder­lands taalgebied als cultuurregi­o. De laat­ste optie biedt uiteraard strategisch de meeste voor­delen voor Vlaande­ren.[20]

De prioriteiten van Van den Brande liggen bij de volgende punten: een zo groot mogelijke autonomie voor Vlaanderen, een verdieping van de Europese samenwer­king, de invulling van een gezamenlijke Belgische ruimte vanuit twee deelsta­ten: het Brusselse Gewest zou dan op termijn bij Vlaanderen moeten worden getrokken. Hij is tegen een Vlaamse munt of defensie, en ook dient er een coherent buiten­lands beleid gevoerd te worden. Vlaande­ren moet in dat buitenlands beleid echter een gelijk­waardige rol spelen. De post externe betrekkingen in de begro­ting van 1993 werd dan ook met een kwart verhoogd.

Het met het Verdrag van Maastricht inge­stelde Comité van de Regio’s, dat geraad­pleegd moet worden bij onderwerpen van regionaal belang, vergroot de Vlaamse actiera­dius: het Europa van de Regio’s kan als hefboom funge­ren voor een buiten­lands beleid naar Vlaamse snit. Van den Brande voorziet een ‘rugge­graat’ van sterke regi­o’s met bijvoor­beeld Schot­land, Wales, een drietal Duitse Länder, het departement Rhône-Alpes, Lom­bardije en Catalo­nië als partners. Er zijn samenwer­kingsak­koorden ondertekend met onder meer Baden-Württemberg, Nord/Pas-de-Calais, Noordrijn-Westfa­len, Québec, Alberta, Hongarije en Tsje­chië. Multilateraal zijn bijvoor­beeld de Euroregio (Kent, Nord/Pas-de-Calais, Vlaanderen, het Waalse Gewest en Brussel) en de vergadering van de Europese Regio’s (ARE), waarbij Vlaanderen ook is aangesloten.[21]

Ook met Neder­land wordt ge­streefd naar een “gelijk­waar­dig en volwaardig partner­schap”.[22] Vlaanderen streeft naar een glo­baal sa­men­wer­kingsver­band ten aanzien van alle domeinen waar­voor Vlaan­deren bevoegd is.

 

3          Nederlands-Vlaamse politieke betrekkingen (1970-1994)

 

Een groot deel van de Nederlands-Belgische samenwerking vindt plaats binnen multilate­ra­le fora, waarbij uitsluitend de staat België partij is. De federalisering heeft bijvoorbeeld geen consequenties voor de samenwerking binnen de VN, NAVO, WEU of CVSE. Middels vooroverleg kunnen eventuele problemen voorko­men worden. Anders ligt dit met betrekking tot de EG/EU. Vele in de Raad van Ministers te behandelen onderwerpen vallen binnen de competentie van de deelre­ge­ringen. Dit vergt grote coördi­natie van de Belgische overheid, omdat interne Belgische meningsver­schillen een Neder­lands-Belgische coalitie zouden kunnen verzwakken.[23]

Gezamenlijk buiten­lands beleid van Nederland en Vlaanderen kan zich alleen afspelen op gebieden waarvoor Vlaande­ren be­voegd is. Voor het overige spreken we dus van gezamenlijk beleid met België. Ook hiervan worden de belang­rijkste thema’s uitge­licht.

De thema’s van Vlaams-Nederlandse samenwerking en gezamenlijk buiten­lands beleid zijn ook hier weer ondergebracht onder de noemers politiek, economie en cultuur.

 

3.1Inleiding: contacten op regeringsniveau

 

Tijdens het bezoek van de Vlaamse minister-president Van den Brande aan Neder­land, op 25 maart 1993, werd gesproken over de nieuwe positie van Vlaanderen in het Belgische staatsbe­stel, de Taalunie, samenwerking op het gebied van de buiten­landse cultuurpolitiek, samenwerking binnen de EG, de grensge­bie­den en de waterverdragen. Van den Brande streeft naar een perma­nent gelijkwaardig overleg met Nederland. Geen herstel van de Zeventien Provinciën: “De Vlaamse regering zal eerder een deelregering van Europa worden dan van Nederland”, aldus van den Brande.[24]

Tijdens het bezoek was er de nodige discussie met be­trek­king tot het niveau waarop de Vlaamse premier ontvangen diende te worden: zijn Waalse collega Spitaels was in Parijs inge­haald door Mitterand als “le président” van de Waalse rege­ring. Dit impliceerde volgens sommigen dat Van den brande ook als staatshoofd, dus door koningin Beatrix ontvangen zou moeten worden. Volgens de Rijksvoor­lichtings­dienst was Vlaan­deren echter geen onafhanke­lijke staat en dus werd Van den Brande door Lubbers ontvangen.

Premier Lubbers bracht in juni 1993 een tegen­bezoek. In okto­ber 1993 bracht de Waalse premier G. Spi­taels een bezoek aan Den Haag, waar hij de Waalse visie op de staatshervormin­gen kwam verduidelijken. Koning Boude­wijn en koningin Fabiola brachten in mei 1993 een offi­cieel bezoek aan Nederland. Er werd nadruk gelegd op de bijzon­dere band en de lotsver­bonden­heid tussen Neder­land en België.

 

3.2Waterverdragen

 

In 1975 ondertekenden Nederland en België drie waterver­dragen, betreffen­de het Baal­hoekkanaal, de afsnijding van de Bocht van Bath (beide met betrekking tot de Schelde) en de gega­randeer­de levering van een hoeveel­heid Maaswater van vol­doende kwali­teit voor drinkwaterproduktie. België legde deze verdragen echter nooit aan het parlement ter goedkeu­ring voor. In de jaren ’80 zag België af van de afsnijding van de Bocht van Bath en wenste daartegenover verdieping van de Westerschelde. In 1987 werden de onderhan­delingen heropend. De schonere Maas was in de onderhande­lingen dus gekoppeld aan de uitdie­ping van de Wes­terschelde. Vanaf juli 1988 waren vertegenwoordigers van de Gewesten en Gemeenschappen betrokken bij de Belgische onder­handelings­delegatie. De nieuwe situatie in België was de belang­rijkste oorzaak van het stagneren van de onder­handelin­gen: pas in 1990 konden de onderhandelingen werke­lijk begin­nen.

In januari 1991 schortte Nederland het overleg op, omdat “de Belgen” weigerden het Maaswater voldoende te zuiveren. De Nederlandse onderhan­delaar Biesheuvel weet de situatie aan “interne Belgische perikelen”. De belangen waren inderdaad verschoven: Wallonië had er geen belang bij te investeren in een schone­re Maas in ruil voor de verbete­ring van de Vlaamse haven van Antwerpen­. Het gevolg was een patstel­ling waar men niet uitkwam. Eind april 1991 werden de Belgische Gewesten door Nederland uitdrukkelijk als gesprekspartner erkend. Er werd een aparte Maascommis­sie en Schelde­commissie ingesteld. De onderhandelingen raakten echter opnieuw vertraagd en werden weer heropend na de staatshervorming van 1993, die duidelijk­heid ver­schafte over de internationale verdragsbe­voegd­heden van de Gewesten en Gemeenschappen.[25]

Begin 1993 werd eindelijk de koppe­ling losgela­ten. Boven­dien werd Frank­rijk in de onderhandelin­gen betrokken. Op 27 april 1994 konden te Parijs twee verdra­gen worden ondertekend die de schoonmaak van de Maas en de Schelde moeten waarborgen. Vlaan­deren was de grote afwezi­ge. Het weigerde te tekenen uit protest tegen de Neder­landse weigering bilateraal de uitdie­ping van de Wester­schelde met het Vlaamse Gewest te regelen. Men verweet Nederland dat het inzake deze kwestie een koppe­ling legde met de vaststel­ling van een tracé voor de Hoge Snelheids-Lijn (HSL). De Nederlandse Minister Maij sprak echter niet van een koppeling, maar van een ‘parallelli­teit’, die volgens haar op voorstel van de Vlamingen tot stand was geko­men.[26]

Deze geschiedenis laat in feite zien hoe Nederland aan den lijve de nieuwe situatie in België heeft moeten ondervin­den. In 1993 ontdekte men, door het falen van de koppe­ling, dat België geen unitaire staat meer is en dat men bij het leggen van koppelingen tussen onderhandelings­thema’s Vlaanderen en Wallonië moet beschou­wen als twee aparte staten.

 

3.3Overige politieke samenwerking en de betrekkingen tussen lage­re overheden

 

In juni 1994 kwamen de Nederlandse en Belgische ministers van defensie overeen nauwer te gaan samenwerken op het gebied van de marine. De commandocentrales van beide marines worden samengevoegd in Den Helder. De reden voor de samenwerking is bezuinigingen. De marines hebben reeds vaker samengewerkt, bijvoorbeeld in de Golfoorlog, toen zij gezamenlijk mijnen veegden in de Perzische Golf. Om dezelfde financiële redenen werd in augustus 1994 besloten dat ook de luchtmachten zouden gaan samenwer­ken.

Op provinciaal en lokaal niveau bestaan er intensieve contac­ten tussen Vlaanderen en Nederland. De Conventie Grensover­schrijdende samenwerking van de Benelux en het Europese, soci­aal-economisch gerichte, Interreg-subsidie­programma gaven belangrijke impulsen aan deze samenwer­kingsvor­men. De Euregio Schelde­mond kent sinds 1993 op basis van de Conventie Grens­over­schrijdende Samenwerking een pu­bliekrechtelijk orgaan in de vorm van de Schelde­mondraad. De Euregio Schelde­mond, opge­richt in 1989, bestaat uit de provincie Zeeland en de Noorde­lijke gemeen­tes van de provincies West en Oost-Vlaanderen. De Euregio Maas-Rijn werd in 1976 opgericht. Deze bestaat tegen­woor­dig uit de beide Limburgen, de provincie Luik, Aken, en de Duits­talige Gemeen­schap in België. Geïnspireerd door de Inter­reg-programma’s gingen ook de provincies Noord-Bra­bant en Antwer­pen samenwer­ken in IGRES (Interregionale Grensover­schrijdende Economi­sche Samenwerking). Het IGRES-Secreta­riaat begeleidt de Interreg-projecten in het Bene­lux-Middenge­bied, bestaande uit Antwerpen, Noord-Brabant, de beide Limbur­gen, en het arron­dissement Leuven. Tenslotte be­staan er op provinci­aal niveau nog contacten tussen Oost en West-Vlaanderen en Zeeland (cul­tureel), de Vlaamse gemeenschap en Noord-Brabant (milieu en cultuur), en Nederlands en Bel­gisch Limburg.

Op 21 januari 1992 beslisten de drie Zuidnederlandse provin­cies om een permanent overleg met Vlaanderen op gang te bren­gen. In de toelichting bij de verklaring worden als doelstel­lingen onder meer genoemd: “De beoogde interpro­vinciale samen­werking in relatie tot de overheden in Vlaanderen richt zich in hoofdzaak op versterking van de regionale rol en positie in de zich ontwikkelende Europe­se samenwerking.”[27]

Op gemeentelijk niveau zijn de contacten nog talrijker. Naast de talloze zogenaam­de ‘jumelages’ en multilaterale samenwer­kingsverbanden, verdient hier het reeds in 1967 opge­richte Belgisch-Neder­lands Grensoverleg (BENE­GO), bestaan­de uit 34 gemeenten, nog ver­melding. Sedert 1980 is de organisatie steeds belangrijker geworden. Sinds 1993 heeft ook BENEGO een publiekrechtelijk statuut op basis van de Beneluxconventie.[28]

 

3.4Gezamenlijk optreden: de opvolging van het voorzitterschap van de Europese Commissie

 

De crisis rond de opvolging van Jacques Delors heeft op pijn­lijke wijze laten zien, hoe het uitblijven van een gecoördi­neerd Neder­lands-Belgisch beleid kan leiden tot een volledige mislukking. België en Neder­land kwamen beide met een eigen kandidaat, Dehaene en Lubbers, en kwamen vervolgens beide met lege handen staan.[29]

Nadat de Deense kiezers het Verdrag van Maastricht hadden afgewezen, besloot men Delors voor een derde termijn te benoe­men. Men kwam daarbij tevens overeen dat de volgende kandidaat een conservatief uit een klein land moest wor­den. De Belgische premier Martens leek toen de ideale kandidaat en hij werd door Lubbers gesteund. Na zijn opvolging als premier door Dehaene namen Martens kansen af. Onder de indruk van Dehaenes optreden tijdens het Belgische EG-voorzitterschap en als premier, vroeg Kohl Dehaene zich kandidaat te stellen. Martens kreeg niet de steun van de Belgische regering, en Lubbers was voor Kohl taboe. De Britse kandidaat Brittan was voor Frank­rijk onaan­vaardbaar.

De betrekkingen tussen Kohl en Lubbers waren niet goed. Tij­dens de Duitse eenwording had Lubbers zijn bedenkingen met betrekking tot de snelheid waarmee Kohl deze wilde doorvoe­ren. Tijdens de NAVO-top in Brussel in januari 1993 ver­klaarde de Spaanse premier González, die geen kandidaat wilde zijn, dat hij Lubbers’ kandi­datuur steun­de. Toen Lubbers campagne voerde voor de vesti­ging van het Euro­pees Monetair Instituut in Amsterdam (tegen Frank­furt), ver­klaarde hij dat Duitsland zijn rol als ‘betaal­mees­ter van de EG’ overdreef en dat hij de gulden een even veilig anker achtte als de D-Mark. Kohl heeft een hekel aan Lubbers onaf­hankelijk­heid. Eind 1993 vroeg Kohl Lubbers of hij het voor­zitterschap am­bieerde, het­geen Lubbers niet uitsloot. Lub­bers wilde zich echter nog altijd niet vastleggen vanwege de Neder­landse parlements­verkie­zingen. Dit gaf Duits­land en Frank­rijk de kans om Dehae­nes kandidatuur te gaan promo­ten. Frankrijk en Duits­land wilden liever geen onafhanke­lijk opere­rende machtige voorzit­ter en Dehaene paste in dat profiel. Toen de Frans-Duitse samenwer­king uitlekte, hulde Dehaene zich in stilzwijgen.

Lubbers zat nu met het probleem dat hij formeel de kandi­datuur van Martens steunde, achter de schermen zelf cam­pagne voerde en intussen ingehaald werd door Dehaene. Onmiddellijk na de verkiezingsuitslag maakte hij zijn eigen kandidatuur openbaar en ging hij campagne voeren. Hoewel Lubbers te laat kwam, slaag­den Frankrijk en Duits­land ook niet in hun opzet. De andere landen zagen hun stand­punt als een dictaat. Bij de eerste stemming op Korfu kreeg Lubbers drie stemmen (Spanje, Italië en Neder­land) en Brittan één stem (Groot-Brittannië). Dehaene kreeg de overige acht stemmen. De stemming eindigde met elf stemmen voor Dehaene en een veto tegen Dehaene van Groot-Brittan­nië. De uitslag was derhalve dat er nieuwe kandi­daten nodig waren. Uiteindelijk was de Luxemburgse premier Santer een compromiskandidaat.

Deze geschiedenis laat zien, hoe Nederland zijn internati­onale machtspositie overwaar­deert. Hoewel Lubbers een geschikte kandidaat was, slaagde Nederland er niet in om een succesvolle campagne te voe­ren. Nederland ontleende aan zijn positie als groot­ste van de kleine landen een leidersrol en probeerde aldus tegen de grote landen in te gaan. Het resul­taat was echter alleen maar dat het daarbij eenvoudig gepas­seerd werd, en dat daarbij zelfs de relatie met België onder druk kwam te staan.[30] Nederland verzet zich zelfs nog tegen de Frans-Duitse as, nadat deze door de Duitse hereniging versterkt is. De Belgi­sche campagne werd met veel minder bravoure ge­voerd. België voert traditioneel een be­scheidener politiek. Dit leverde hen de steun op van Frankrijk en Duits­land. Dat Dehae­nes kandida­tuur ook niet slaagde, was vervolgens te wijten aan de machtspoli­tiek van de grote lid­staten, waarbij Groot-Brit­tannië geen Frans-Duits ‘Diktat’ wilde accepteren. Zo blijkt dat men geen campagne kan voeren door uitsluitend te wijzen op het feit dat men de beste kandi­daat heeft, en verongelijkt tegen de grote landen in te gaan. Door de eigen positie te kennen en vandaaruit het spel mee te spelen, is de kans op succes groter.

Premier Dehaene vatte de zaken aldus samen: “… in de verhou­ding tussen Groot-Brittannië en België zal dit geen sporen nalaten, omdat dit onderwerp geen bilaterale kwestie is. (…) Dat vind ik een van de fouten die men in Nederland heeft begaan, om van de kandidatuur van Lubbers een nationale kwes­tie te maken en een bilaterale kwestie tussen Nederland en Duitsland. (…) Ik heb vaak de indruk gehad dat Lubbers een opstelling had van: het is zo evident dat men mij zal komen vragen, dat ik gewoon kan zeggen dat ik daar geen kandidaat voor ben (…). Als klein land kun je op verschillen­de manie­ren reageren. In Nederland had men verwacht dat alle kleine landen zich achter de kandidatuur van Ruud zouden scharen. Men was verwonderd dat dat niet is gebeurd. Dat ik juist de steun had van alle kleine landen, zou tot nadenken moeten stemmen.”[31]

De steeds zwaarder wordende rol van Duitsland in Europa, en de Neder­landse verbonden­heid met Duitsland maken, dat Nederland een meer conti­nentale natie is geworden. Dit noopt de Neder­land­se diplomatie tot intensie­vere contacten met de buurlan­den van Duitsland. Het feit dat Nederland de kleine landen niet heeft kunnen mobiliseren, illustreert dat dit noodzakelijk is. Dit brengt tevens de Nederlandse positie meer in overeen­stem­ming met de Belgische, die altijd al een meer continentale politiek hebben gevolgd.[32] Het kan bovendien het grotere succes van de Belgische diplomatie in de opvolgingskwestie verkla­ren.

 

3.5De Nederlandse politieke visie op de gevolgen voor de eigen positie van de Belgische staatshervormingen

 

Dat we langzaam beginnen te wennen aan meer contacten tussen Vlaanderen en Neder­land, wordt geïllustreerd door het feit dat we niet verbaasd meer staan over het optreden van talloze Vlaamse presentatoren op de Nederland­se televisie. Tien jaar geleden zou dit veel bevreemding hebben opgewekt. Dit lijkt in zijn algemeen­heid te passen in het vergrote Vlaamse zelfbe­wustzijn.

Het proces van de Belgische staatshervormingen is echter vrijwel volledig langs Neder­land heengegaan. Ten eerste is Nederland gewend zich als natiestaat uitslui­tend te spiege­len aan andere natiesta­ten, zoals Duitsland en Engeland. België is wat dat betreft een onherken­baar land en bovendien klein. In Europees verband is Nederland de laatste jaren enkele malen afgestraft voor de overschatting van de eigen bete­kenis. Dit bleek bij de afslui­ting van het Verdrag van Maastricht en de opvolgings­kwes­tie van Delors. Deze ervarin­gen leidden tot een grotere inte­resse voor België en wat zich daar afspeelde, zoals bleek bij het ‘staatsbezoek’ van Van den Brande aan Den Haag.

Ten tweede is Nederland een unitaire staat en reageert het onwennig op verande­rende staatsverbanden. Dat de Neder­landse gereserveerde reactie op de Duitse eenwording nog niet verge­ten is bleek opnieuw bij de opvolging van Delors. Het Neder­land­se beleid ten aanzien van België is ook weinig coherent: de diverse ministeries voeren allemaal eigen onderhan­delingen in Brussel en de rol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is daarbij beperkt. Indien Vlaande­ren echter wel een samenhan­gend beleid ten aanzien van Nederland gaat voeren, zal Neder­land daarbij moeten aan­sluiten. En voor het beharti­gen van de Vlaamse belangen in Europa kan Nederland een belangrijke partner zijn.[33]

De voorbereiding van de Europese besluitvorming wordt door de Belgische staatsrechtelij­ke situatie niet eenvoudiger, met name op het gebied van taal, cultuur en onderwijs. Een oplos­sing zou zijn deze problemen voor te bespreken in het Comité van Ministers van de Taalunie. De Taalunie kan niet zelf­stan­dig als onderhandelingspartner opereren, omdat zij daartoe niet bevoegd is. Het Taalunie­verdrag legt wel de verplichting op tot het voeren van een gemeenschappelijk beleid.

De Belgische federalisering gaat minder ver dan de desin­tegra­tie van verschillende Oost-Europese landen, maar de gevolgen voor Nederland zijn groter. België wordt als partner minder belangrijk, maar Nederland krijgt er een nieuwe partner bij, met wie Neder­land een grotere homoge­niteit deelt. En deze homogeniteit is niet alleen etnisch bedoeld, maar tevens voor wat betreft politieke belangen. Nederland had aanvankelijk natuurlijk meer belang bij een sterke Belgische staat. De realiteit is echter, dat deze staat door de Belgen zelf is verzwakt. En dan lijkt Vlaanderen als partner voor Nederland van grotere betekenis dan Wallonië, omdat in Wallonië de Franse invloed veel groter zal zijn. Voor Vlaanderen geldt, dat zijn hoofddoelstel­ling versterking van zijn autonomie is. Dit kan ten eerste bereikt worden door de medewerking van Wallo­nië bij het omvormen van België tot een confederatie. Wallo­nië heeft echter te kennen gegeven hier niet voor te voelen. Zij zouden hierdoor immers hun economi­sche banden met Vlaande­ren verliezen. Voor Vlaanderen rest dan slechts uitbreiding van zijn internatio­nale activiteiten, om zijn autonomie te vergroten. Op dit punt vinden de Nederlandse en Vlaamse belan­gen el­kaar.

Dit alles is van invloed op de interna­tionale positie van Neder­land zelf. Immers, wanneer twee systemen homoge­ner zijn, delen zij ge­meenschappelij­ke belangen en wordt het eenvoudiger om deze belangen in samenwerking met meer kans op succes te beharti­gen.[34]

 

4Nederlands-Vlaamse economische betrekkingen (1970-1994)

 

4.1Benelux

 

Vanaf vrijwel het begin van de jaren ’70 verliest Wallonië zijn enthousiasme voor de Benelux, en houdt verdere ver­dieping tegen. De staatshervormingen hebben immers de zeggenschap van de gewesten op economische aangele­genheden uitgebreid. Voor­dien was dit uitsluitend een bevoegdheid van de Belgi­sche rege­ring. De Waalse minister-presi­dent G. Spitaels op 29 april 1992 in een interview met ‘De Standaard’: “Bene­lux, forget it. Op een totaal van onge­veer 23 miljoen inwoners zijn er daarin slechts 3 miljoen franstali­gen. In de Benelux hebben wij het statuut van de Italiaans­spreken­de Zwitsers, die op het Meer van Lugano pedde­len.”[35] Bij zijn bezoek aan Den Haag herhaal­de Spitaels dit standpunt. Het samen­gaan van de KLM en Sabena werd vanuit frans­ta­lige kringen tegenge­houden, waarna Sabena in de handen van Air France terechtkwam. Zo werden ook de samen­werking van de AMRO Bank en de Generale Bank­maat­schap­pij, evenals van de ING en de BBL tegengehou­den.[36] In Vlaan­de­ren achten sommigen het wense­lijk om de Bene­lux om te vormen tot een Neder­lands-Vlaams forum. Op veel gebie­den waarin niet in het bijzonder met Vlaanderen overlegd wordt, leidt de Benelux een slapend en kunstmatig be­staan.

Toch zijn er nog wel resul­taten aan te wij­zen, zoals de op­stel­ling van het Benelux Enig Docu­ment (1984), waarmee het tijdver­lies bij grens­controles binnen de Benelux tot ca. 5 minu­ten is terugge­bracht, en de Conventie Grensover­schrij­dende Samenwerking, waarmee lagere overheden in staat zijn om grens­overschrij­dende samenwerking een publiek­rechte­lij­ke basis te geven.[37]

Tegenwoordig gelden als doelstellingen: de vorming van een economische unie, beharti­ging van de belangen van de drie landen in de Europese Gemeenschap, en het verzorgen van het secretariaat van het Schengenver­drag (waarbij tevens zijn aangesloten: Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Portu­gal; zie onder § 4). De organen van de Benelux zijn:

-Comité van Ministers (Buitenlandse zaken, Financiën en Econo­mische zaken);

-Ministeriële werkgroepen (overige departementen);

-Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (49 le­den);[38]

-Economische en Sociale Raad van Advies;

-Benelux-Gerechtshof.

In de toekomst wil de Benelux zijn taken uitbreiden op het gebied van onder andere vervoer, ruimte­lijke ordening en milieubeleid.

Toch is de toekomst van de Benelux weinig hoopvol. De belangen blijken ver uiteen te lopen. De vaste geschilpunten zijn milieu, handelspoli­tiek, en landbouw. Vergroting van de Euro­pese Unie kan misschien, door de hieruit voortvloeiende gerin­gere rol van Nederland, het enthousiasme voor de coördinatie met België weer doen toenemen.[39]

 

4.2Gezamenlijk buitenlands economisch beleid

 

Neder­land en Vlaanderen werkten op econo­misch gebied reeds onder meer samen bij de overname van de Boelwerf door Begemann, de redding van DAF door Vlaamse parti­cipatie en bij de proble­men van Philips. Economie blijft niette­min nog altijd een preroga­tief van de centrale Belgi­sche over­heid. Dit betekent automa­tisch dat de staatshervormin­gen geen directe invloed op een gemeenschappelijk economisch buitenlands beleid uitoefe­nen. Het gemeen­schappelijk economisch Benelux-beleid beperkt zich tegenwoordig groten­deels tot de gemeenschappelijke uitvoering van EG-maatregelen, en af en toe een voorbeeldfunctie op terreinen waar de EG niet tot samenwer­king komt.[40] Nederland en België ver­schil­len van mening inzake het bestaansrecht van een Benelux-handelspolitiek na het voltooien van de interne markt en eenmaking van de EG-handels­politiek. België ziet hiervoor nog wel ruimte, Nederland niet.[41]

Sedert 1985 vinden de onderhandelingen betreffende het Schen­genverdrag plaats via het Benelux-secretariaat. De doelstel­ling is om, vooruitlopend op de ontwikkelingen in de Europese Gemeenschap, een volledig vrij personen­verkeer te realiseren, door de controles aan de binnengrenzen af te schaffen. In april 1994 bereikten Nederland en België een overeenkomst betreffende een gezamenlijke aanpak van het asielzoe­kerspro­bleem. Het plan behelsde oprichting van een ‘Mini-Schengen’, bestaande uit de Benelux en Duits­land. Onderdelen van de overeenkomst zijn: het tegengaan van het zogenaamde ‘asielhop­pen’ (een afgewezen asielzoe­ker probeert het nog eens in een ander land) en het tegengaan van mensenhandel. Verder wil men de procedures nauwer op elkaar aansluiten en eensgezind optre­den tegen landen die hun onderda­nen niet terug willen nemen. Schen­­gen zou oor­spronkelijk in 1993 in werking tre­den, maar dit werd steeds uitgesteld. Het asielbeleid van de landen verschilt te zeer en het Centrale Schengen Infor­matie Systeem (CSIS), een politiecomputersys­teem, is nog altijd niet ge­reed.[42]

Tevens wil de Benelux helpen bij het vormen van soortgelijke samenwerking tussen de Baltische staten alsmede de Višegrad-landen (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarij­e).[43]

 

5Nederlands-Vlaamse culturele betrekkingen (1970-1994)

 

De Vlaamse Ge­meen­schap is sedert 1980 bevoegd inter­natio­naal op te treden onder meer in culturele aange­legen­heden. Ook binnen de Neder­landse Taalunie is Vlaande­ren namens België uit­voer­der van het verdrag. België heeft in totaal 46 cultu­rele akkoorden met het buitenland.

Een gezamenlijk Vlaams-Nederlands buitenlands cultureel beleid kan plaats­vinden middels de Taalunie of het BNCA maar ook daarbuiten. Projectmatige samenwer­king heeft bijvoorbeeld plaatsgevonden met betrekking tot de Frank­furter Buchmes­se en de tweejaar­lijkse kunstmanifestatie Biënnale van Venetië (1993). Op de Buchmesse was het Neder­lands taalgebied ‘Schwer­punkt’. Dit was iets nieuws: voorheen waren alleen staten dit. Niet samenge­werkt werd er bij de manifestatie ‘Les Belles Etrangères’, waar Nederlandse schrijvers hun werk in Frankrijk konden presenteren (1993). De Franse organisatoren realiseer­den zich blijk­baar niet dat het Nederland­se taalge­bied voor wat betreft literatuur als een eenheid beschouwd moet worden. De Vlaamse cultuurminister Weckx protesteerde bij minister d’Anco­na dat zij dit de Fransen niet had duidelijk ge­maakt.[44]

Nederland is, naar ad­vies van de Commissie Gevers, van plan om een vereniging voor Interna­tionale Cultu­re­le Betrek­kingen op te richten, die ook open zou moeten staan voor Vlaamse deelname. Een instituut zou een te zware en kostbare construc­tie zijn.[45]

 

5.1Het Belgisch-Nederlands Cultureel Akkoord

 

Het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag van 1946 ver­loor om twee redenen vanaf 1980 enigszins aan belang. Ten eerste bewoog het nieuwe Taalunieverdrag[46] zich op een aantal terreinen die voorheen onder het BNCA vielen. Ten tweede was een gevolg van de staatshervormin­gen, dat België geen buitenlands cultu­reel beleid meer kon voeren, waar­door het logischer zou zijn een Nederlands-Vlaams, een Nederlands-Waals en een Nederlands-Duitstalig Cultureel Verdrag op te richten. Dit is formeel nooit gebeurd, maar in de praktijk is het Verdrag wel in drie luiken opgesplitst. Sinds 1982 wordt met Vlaanderen apart over de sectoren onderwijs en cultuur, in het bijzonder podiumkun­sten en sociaal-cultureel werk, onder­handeld. Met de Vla­mingen wordt in de Vaste Gemengde Commis­sie (VGC) ter uitvoering van het Verdrag eenmaal per jaar onder­handeld, met de Walen en de duitstaligen om de twee jaar. Ook zou men het Taal­unie­ver­drag kunnen uit­brei­den tot een Vlaams-Neder­lands Cultureel Ver­drag. De Alge­meen Secreta­ris van de Taalunie is reeds toehoorder bij verga­derin­gen binnen het kader van het BNCA.

Vlaanderen zou graag het Verdrag uitbreiden tot alle terreinen waarvoor Vlaande­ren bevoegd is. Nederland zou graag het Ver­drag hertekenen, maar liever niet zo breed opgezet als de Vlamingen zouden wensen. Nederland ziet voor zichzelf immers geen dringende redenen om het Vlaamse autono­miestreven te ondersteunen. Men is wel bereid met Vlaanderen op korte ter­mijn een nieuw Vlaams-Neder­lands Cultureel Verdrag te tekenen. In de praktijk lijkt het BNCA al steeds meer een Vlaams-Neder­lands Verdrag te wor­den.[47] In 1991 werd het Ver­drag geëvalu­eerd. Deze evaluaties hebben ideeën over samen­smelting met de Taalunie afgewezen, maar wel afstemming van het beleid aanbe­vo­len.

In 1981 werd in Amsterdam het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond geopend. Zijn functie is het bevorderen van de culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen. Het VCC beschikt over onder andere een theateraccom­moda­tie, een ten­toonstellingszaal, vergaderzalen en een bibli­otheek. Het VCC ressorteert onder de Vlaamse Gemeenschap. Nederland nam zich aanvankelijk voor een soortgelijk huis te stichten in Brussel, maar hiervan kwam niets terecht. Toch werd in het rapport ‘Cultuur zonder grenzen’ (1987) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de oprichting ervan prioritair ge­acht: “Dat zou (…) het gebrek aan slag­vaardigheid binnen de Nederlands-Vlaamse samenwerking verhelpen. Zulks is mede zinnig vanuit praktische overweging. De bevordering van cultu­rele samenwerking kan immers gepaard gaan met economische doelstellin­gen.”[48]

Op 31 oktober 1990 werd door de Nederlandse en Vlaamse onder­wijsministers het GENT-akkoord ondertekend. Dit programma voorziet onder andere in verhoging van de mobi­liteit van studenten, docenten en samenwerking op het gebied van onder­wijs en onderzoek. In 1992 werd het GENT-akkoord geëvalueerd en verbe­terd. In maart 1994 werd GENT 3 ondertekend.[49] GENT is een voorbeeld van geformaliseerde samenwer­king, waarbij zelfs van beleidsafstemming sprake is.

 

5.2Neder­landse Taalunie: bestuurder van het voertuig van de geest

 

5.2.1    Het Verdrag – de Instellingen

 

Op 9 september 1980 werd te Brussel het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie getekend. Het kan be­schouwd worden als de bekroning van de Vlaams-Nederlandse culturele samen­wer­king.[50] De Taalunie heeft tot doel de inte­gra­tie van Neder­land en de Neder­land­se gemeenschap in België op het gebied van de Neder­landse taal en lette­ren in de ruimste zin (artikel 2). Dit doel moet bereikt worden door: de gemeenschappelij­ke ont­wikke­ling van de Nederlandse taal; de gemeen­schappelijke bevo­rde­ring van de kennis en het verant­woor­de gebruik van de Neder­landse taal; de gemeenschap­pelij­ke bevordering van de Neder­landse letteren; de gemeenschappelijke bevorde­ring van de studie en versprei­ding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland (artikel 3).

De samenwerking op taal- en letterengebied werd nu dus pu­bliek­rechtelijk geïnsti­tu­ti­onaliseerd. Het werd gezien als een eerste stap op weg naar een bredere, culturele unie. In 1982 werd de Taalunie operationeel.

Hier volgen eerst enkele algeme­ne opmerkingen over de Neder­landse Taalunie als internationale organisatie.[51] De Neder­land­se Taalunie is een internationale, inter­gou­verne­mentele orga­nisatie, met een besloten karakter (taalcrite­rium). Het berust op een gemeen­schappelijke achter­grond en heeft een beperkte, functionele doelstel­ling. Op het internatio­nale niveau be­schikt de Taalunie over functio­neel beperkte bevoegd­heden, nodig om zijn doel­stellingen te verwe­zenlij­ken. Het taalunie­verdrag is meer dan een aanvulling op het Cultureel Akkoord, omdat het verder gaat: er wordt gespro­ken over “inte­gratie”. Het Taalunie­verdrag heeft enkele be­voegdheden van het BNCA overgeno­men. De Taalunie heeft niet de bevoegdheid zelf­stan­dig op te treden in internationale fora. Wel is er een ver­plich­ting tot het voeren van gemeenschappelijk beleid of ten minste overleg. Het andersta­lige deel van België neemt een aparte plaats in: het maakt geen deel uit van het toepas­sings­gebied, maar behoort wel tot het grondgebied van een der verdrags­luitende partijen. Dit vraagt om een apart Taaluniebe­leid ten aanzien van deze gebieden. De Taalunie is bevoegd verdragen te sluiten, maar tevoren dient dan wel toestemming gegeven te worden door de lid­staten. De Taalunie kan toetreden tot het Weens Verdragen­verdrag.

De Nederland­se Taalunie kent een viertal organen. Dit zijn:

-Comité van Ministers;

-Interparlementaire Commissie;

-Raad voor de Nederlandse taal en letteren;

-Algemeen Secretariaat.

Deze worden hieronder kort besproken.[52]

 

Comité van Ministers: het beleidsbepalend orgaan

Volgens artikel 7 is het Comité van Ministers (CM) het be­leidsbe­palende orgaan van de Taalunie. Hierin hebben van elke lidstaat minimaal twee regerings­le­den zitting, bij voor­keur die minis­ters die belast zijn met de zorg voor onderwijs en cultuur. Dien­tengevolge hebben in het CM zitting de Nederland­se Minis­ters van Onder­wijs en Weten­schap­pen en van Welzijn, Volksge­zondheid en Cultuur. Namens de Vlaamse Gemeenschap hebben de Minis­ters van Onderwijs en van Cultuur zitting. Er wordt vijf maal per jaar vergaderd.

Interparlementaire Commissie: het controlerend orgaan

De Interparlementaire Commissie (IPC) is bevoegd te verga­deren over alle zaken die op de Taalunie betrekking hebben en zich daarover tot het Comité van Minis­ters te richten. De IPC bestaat uit minstens veertien leden. De helft wordt gekozen uit en door de Cultuurraad voor de Nederlandse cultuurgemeen­schap in België en de andere helft uit en door de Staten-Generaal in Nederland. Dit gebeurt jaar­lijks. De verga­deringen worden bijge­woond door de Algemeen Secreta­ris met raadgeven­de stem.

Raad voor de Nederlandse Taal en Lette­ren: het adviesorgaan

De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (RNTL) werd ingesteld in 1983, en heeft tot taak aan het Comité van Minis­ters of derden advies uit te brengen of maat­regelen voor te stellen met betrekking tot de doelstellin­gen en beleidsvoorne­mens die in het Taalunie­verdrag zijn vastge­legd. De RNTL bestond aanvankelijk uit 45 leden, in 1988 terug­ge­bracht tot 27 ter verho­ging van de werkbaarheid. Door­gaans wordt twee­maal per jaar vergaderd. Het bestuur van de RNTL verga­dert eens per kwartaal. Binnen de RNTL be­staan een aantal Commis­sies, die op deelgebieden gespe­cia­li­seerd zijn. Tevens stelt de RNTL voor vier jaar een ‘Meerjarenperspectief’ op, waarin beleidslijnen en priori­teiten voor de langere termijn worden voorgesteld.

Alge­meen Secreta­ri­aat: het beleidsvoorbereidend en -uitvoerend orgaan

Het Algemeen secretariaat, gevestigd in Den Haag, staat ten dienste van het Comité van Ministers, van de RNTL en desge­wenst van de IPC. Aan het hoofd staat de Algemeen Secretaris. De structuur van het Alge­meen Secreta­ri­aat is sedert kort geheel gereorgani­seerd. Voorheen bestond er een pyrami­devormi­ge organisatie met een onder­scheid in hoofd-, beleids- en ‘gewone’ medewer­kers. Het aantal arbeids­plaatsen is nu terug­gebracht van achttien naar elf, in een ‘platte’ organisatie­struc­tuur, met de Algemeen Secre­taris aan het hoofd van tien mede­werkers.

 

5.2.2Taaluniebeleid

 

Hier wordt in het kort aangeduid wat de Taalunie aan activi­teiten onder­neemt ter uitvoering van haar doelstel­lin­gen.[53]

Beleid buiten het Nederlandse taalgebied

A: Promotie van het Nederlands als cultuurtaal in de gebieden buiten de Taalunie­regio

Belangrijke componenten zijn hier:

– culturele uitwisseling (met instellingen die gelijksoortige doelstel­lingen hebben, zoals de Alliance Françai­se; geza­menlijke presen­tatie van Nederland en Vlaande­ren op mani­festaties als de Frankfur­ter Buchmesse; uitwisseling van schrij­vers, lera­ren, studenten, etc.);

-het onderwijs van het Nederlands in de gebie­den buiten de Taal­unie (priori­teiten: het Nederlands dient op univer­si­tair niveau in alle lidstaten van de EU te worden gedo­ceerd.[54] Tweede prioriteit: Mid­den- en Oosteuro­pese landen. Ook het niet-univer­sitair onder­wijs van het Neder­lands heeft veel aandacht, vooral in de grens­gebie­den. Een belangrijk onderdeel van dit beleidsonder­deel is het ‘Certifi­caat Nederlands als vreem­de taal’, dat door de Taal­unie wordt uitge­reikt);

-een geïntegreerd vertalingenbe­leid.

B: Het Nederlands in Europese organisaties

Activiteiten op dit terrein zijn:

-Participeren in de Europese discussie over de erkenning van taalge­bieden en de erkenning van het taalcriterium als legi­tiem cultuurpoli­tiek uitgangs­punt (bijvoor­beeld inzake media­beleid, leenrecht en vaste boekenprijs);

-In de komende jaren bijdragen aan een betere afstemming tussen Neder­land en Vlaanderen van de terminologie ten behoeve van regel­geving en officiële publika­ties;

-In samenwerking met de marktsector streven naar een groot scala van hulpmidde­len, om aldus bij te dragen aan de verster­king van de positie van het Nederlands in het internatio­nale taalver­keer. Binnen dit beleidskader gaat de aandacht vooral uit naar de reali­satie van lexicografische ver­taalvoor­zienin­gen, gericht op de offi­ciële talen van de EG. Aangezien de voorzienin­gen van en naar de grotere talen (En­gels, Frans, Duits en Spaans) reeds door de marktsec­tor zijn inge­vuld, zal vooral aan­dacht worden besteed aan de andere Europe­se talen.

Beleid binnen het Nederlandse taalgebied

A: De zorg voor het taalsysteem

Hieronder vallen de aandacht voor spellingsregels, spraak­kunst, woorden­boeken, termino­logie etcetera, en de harmonisa­tie daarvan met Vlaanderen.

B: De bevordering van aanbod en gebruik

De Taalunie speelt een coördinerende rol bij het aanbod van Nederlandsta­lige cultuuruitin­gen door afstemming van over­heidsmaatregelen en samen­werkingsver­banden. Aandacht voor het gebruik van het Nederlands en nederlandstalige cultuur­uitingen uit zich in de beleidspunten taalzorg, onderwijs, leesbevorde­ring en evenementen als de Algemene Conferentie van de Neder­landse Taal en Letteren.

 

5.2.3Evaluatie

 

De volgende problemen zijn te constateren bij de werking van de Taal­unie:[55]

-de politieke wil en visie ontbreken om het Verdrag naar behoren te laten functio­ne­ren;

-de coördinatie tussen de nationale overheden en de Taal­unie verliepen moeizaam;

-het Comité van Ministers moest zich alleen met de grote beleidslijnen bezighou­den, niet met de praktische uitvoe­ring. De IPC zou bindende adviezen moeten uitbren­gen over inhoude­lijke aangelegenheden;

-het budget diende verhoogd te worden.

Op voorstel van het Comité van Ministers werd de Taalunie hierop in 1991 door een Evaluatie­commissie onder­zocht. De commis­sie benadrukte nogmaals dat het Verdrag alleen succesvol kon zijn indien daarvoor de politieke bereidheid be­stond. Het Taal­unieverdrag heeft namelijk een vrij ambitieuze integratio­nistische opzet, hetgeen in strijd is met het natuurlijke streven van natiestaten om hun soevereiniteit zo min mogelijk uit handen te geven.

Men stelde voor om mogelijke associ­atiepartners te zoeken. Hierbij werd gedacht aan bijvoor­beeld de Neder­landse Antillen en Aruba, die door diplomatieke notawis­se­ling met de Taalunie geasso­cieerd kunnen worden. Verder is gedacht aan landen “waar­van een deel van de bevolking gebruik maakt van de Neder­landse taal”, hetgeen op zowel Frankrijk als Zaïre betrek­king kan hebben. Na de hervor­mingen in Zuid-Afrika zou ook dat land voor associa­tie in aanmerking kunnen komen. Tevens kunnen Indo­nesië en Namibië hiervoor in aanmerking komen. Voor wat betreft Zaïre, Rwanda en Burundi zou gedacht kunnen worden aan afspra­ken omtrent onderricht in het Neder­lands aan de daar verblij­vende nederlandstaligen. De commissie achtte het niet verstan­dig de Taalunie en het BNCA te fuseren, maar vond logistieke onder­steuning van het BNCA door het Taaluniese­cre­tariaat wel een goed idee. Er werd een grotere betekenis van de IPC wense­lijk geacht. Boven­dien wilde men een eigen secre­tariaat voor de RNTL en een afgeslankt Algemeen Secretariaat dat project­matig moest werken.

Hierop werd het Algemeen Secretariaat doorgelicht door een professioneel bu­reau,[56] dat een Fl. 200.000,= kostend rap­port presenteerde. Zich hierop base­rend, besloot het Comité van Ministers tot, het ontslag van de Algemeen Secreta­ris, inkrimping van het personeelsbestand, en inhoudelijke beper­king van het Secre­tariaat tot louter uitvoerende taken: de beleidsvoorbereiding zou voortaan door de Nederlandse en Vlaamse overheid gebeuren.[57]

Deze maatregelen werden maar deels uitgevoerd. De Raad kreeg geen eigen secretariaat en het Algemeen Secretari­aat bleef zijn beleidsvoorbereidende taken behouden. De reorga­nisatie van het Algemeen Secreta­riaat heeft een drasti­sche personele inkrim­ping tot gevolg gehad, terwijl de taken nage­noeg gelijk bleven. Werd bij de op­richting van de Taalunie nog ver­wacht dat er op het Alge­meen Secretariaat ooit wel eens 120 mensen zouden werken, nu zijn dat er elf. ‘Inte­gra­tie’, waar­van het Verdrag spreekt, is boven­dien moei­lijk te realiseren gebleken wegens de ver­schillen in politieke cultuur en poli­tiek sys­teem.[58] Zodoen­de is er nog altijd geen gemeen­schap­pe­lijk beleid ten aanzien van leen­recht, vaste boe­kenprijs en subsi­dies voor au­teurs.[59]

Algemeen bestaat de overtuiging dat de Nederlandse Taal­unie een zeer nuttige en noodzakelijke organisatie is. Desalniette­min zou de Taalunie meer kunnen beteke­nen dan zij nu doet, indien de bereidheid tot politieke inspannin­gen groter zou zijn. Vaak krijgt men de indruk dat, vooral aan Nederlandse kant, het belang van samenwerking niet inge­zien wordt. Bureau­cratische traagheid kan een tweede oorzaak zijn.[60] Toch lijkt het, met name bijvoorbeeld bij de beharti­ging van de belangen van het Neder­lands in de Europese Unie, onont­beer­lijk zoveel mogelijk met één stem te spreken: 21 miljoen mensen leggen meer gewicht in de schaal dan 15 miljoen of 6 miljoen.

 

5.3Case Study: het Nederlands in de instellingen van de Europe­se gemeen­schap

 

Het vraagstuk van de positie van het Nederlands in de Europese instellin­gen lijkt er typisch een waarbij de Nederlandse en Vlaamse belangen synchroon zijn. Dit maakt het interessant te onderzoeken, of er, en zo ja welke, gezamenlijke initiatieven genomen werden om deze belangen te verdedigen. Allereerst wordt de huidige positie van het Nederlands be­schreven, en vervolgens wordt bij de toekomstige ontwikkelingen stilge­staan. Hierbij zijn de ontwikkelingen betreffende het Europees Merkenbu­reau en het Eurokorps verhelderend.

 

5.3.1Huidige positie van het Nederlands­

 

Het taalgebruik binnen de instellingen van de EG wordt gere­geld in ‘Verordening nr. 1’ van de Raad van Ministers uit 1958 ‘tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap’. Deze veror­dening werd aangenomen op basis van artikel 217 van het Verdrag van Rome (1958): “De regeling van het taalge­bruik door de instellingen der Gemeen­schap wordt, onver­minderd de bepalin­gen van het Hof van Justitie, door de Raad met éénparigheid van stemmen vastge­legd.” Veror­dening nr. 1 heeft kracht van wet en is recht­streeks toepasbaar in iedere lidstaat. De talen moeten in de correspondentie met de bur­gers, in verorde­ningen en andere stukken van algemene strek­king en het Publikatieblad op gelijk­waardige wijze gebruikt worden.[61]

Dat de talen in het Europees Parlement op gelijke wijze worden behandeld, is te danken aan het rapport-Nyborg uit 1982. Dit rapport heeft het taalge­bruik in het Parlement ondubbelzin­nig vastgesteld, waardoor in het Euro­pees Parlement Verordening nr. 1 vrij consequent naar de geest wordt uitgevoerd. Deze resolutie is alleen bindend voor het Parlement en niet voor de Raad en de Commis­sie. Het Parlement had destijds immers een louter adviserende functie. De resolutie kon dan ook de voorzitter van het Parlement alleen maar verzoe­ken de resolutie aan de Commis­sie en de Raad te doen toekomen en verder hopen dat deze instellin­gen deze richtlij­nen zouden overnemen, maar dat laatste is niet gebeurd.[62]

Op 14 juni 1990 ondertekenden alle Nederlandse en Vlaamse Europarlementa­riërs een samenwerkingsakkoord, waarin werd afgespro­ken dat zij voor zaken die de Nederlandse taal en cul­tuur aangaan eerst elkaar zouden raadplegen alvorens met een stand­punt in de Europese fora naar buiten te komen. Dit ak­koord heeft echter geen praktische invul­ling gekregen.[63] Het Rapport Galle over het recht op het gebruik van de eigen taal, dd. 6 mei 1994 toont het meest recente standpunt van het Europees Parle­ment inzake de taalrege­ling, waarbij nog altijd wordt aangedron­gen op een volledig gelijkwaardi­ge behandeling van alle officiële talen.

De positie van een taal in de Europese instellingen is te meten aan het aantal tolken en vertalers per taal. Immers, indien een taal minder gebruikt wordt, zullen er ook minder tolken en vertalers in die taalgroep zijn. Dit kon worden nagegaan voor het Europees Parlement, De Raad en de Commis­sie.

Het Europees Parlement

Vertaling: Iedere vertaalafdeling van het Europees Parlement heeft een ongeveer gelijk aantal verta­lers in vast dienstver­band. De normale gang van zaken binnen het EP is dan ook, dat alle documen­ten in de Nederland­se taal verkrijgbaar zijn.

Vertolking: Het aantal vaste tolken in ogen­schouw nemend, kon geconsta­teerd worden dat het Neder­lands niet onderdoet voor de andere talen. De grotere aantallen free-lancers voor Frans, Duits en En­gels, en in mindere mate Spaans en Italiaans, geven echter aan dat deze talen bij de meer kleinscha­lige vergade­ringen vaak de voorkeur moeten genie­ten.

Op het gebruik van het Nederlands in het Parlement valt glo­baal gezien weinig aan te merken. Echter, in parle­mentsde­lega­ties en in werkgroepen hangt het actieve en passieve taalge­bruik af van de houding van de betrokken ambtenaren. Wordt er in deze twee gevallen niet uitdrukke­lijk om vertol­king ge­vraagd dan is er geen, ook al heeft men er recht op. Wat ook voorkomt is dat men gebruik maakt van indirecte verta­lingen. Bij­voorbeeld: de Nederland­se en Franse cabines verta­len uit het Grieks en de andere cabi­nes vertalen de verta­ling. Dit kan natuur­lijk in bepaalde gevallen leiden tot verlies van nuance. De Nederlandse tolken­cabines beheersen gemid­deld meer talen (minimaal drie) dan bijvoorbeeld de Franse of Engel­se (mini­maal twee). Dit bete­kent dat Neder­landsta­lige parlementa­riërs minder vaak een indirecte verta­ling krijgen.[64]

De Raad van Ministers

De Raad beschikt alleen over een vertaaldienst. De vertol­king in de Raad wordt verzorgd door de tolkendienst van de Commis­sie. Bij de Raad van Minis­ters zijn drie niveaus te onder­schei­den: de werkgroe­pen, het Comité van permanente vertegen­woordi­gers en de Minis­ter­raad. Op het tweede niveau wordt omwil­le van de effi­ci­ntie doorgaans van een drietal werktalen gebruik ge­maakt (Frans, Engels en in mindere mate Duits). Op het niveau van de werkgroe­pen komt dit minder vaak voor en op het niveau van de minister­raad nauwe­lijks. Politiek gezien kan men het zich niet permit­te­ren op dat niveau de taal van een lid­staat te discri­mine­ren. Voor het Neder­lands in de Raad van Minis­ters kan dus gezegd worden dat zij op het lage niveau van de werk­groe­pen en het hoogste niveau van de Raad van Ministers vol­waardig mee­telt, maar in het Comité van Permanente Verte­genwoordi­gers, evenals alle andere talen behalve het Frans, Engels en Duits, een onderge­schik­te rol speelt.[65]

De Europese Commissie

Vertaling: Omwille van efficiëntie en uit financiële overwegingen beperkt de Commissie het aantal werktalen tot drie (Frans, Engels en in mindere mate Duits). De einddocu­menten worden wel in alle talen ter beschik­king ge­steld. Op grond van het aantal verta­lers kan duide­lijk een groep van grote en een van kleine talen worden onder­schei­den. Tot de groep van grote talen behoren het Frans, het Duits en het En­gels. Het Nederlands, het Deens, het Portu­gees en het Grieks vormen de groep van kleine talen. Het Spaans en het Italiaans vormen een midden­groep.

Vertolking: Op basis van het aantal vaste en tijdelijke tolken kunnen er drie groepen van talen worden onderscheiden:

1de groep van de grote talen (Frans, Engels en Duits);

2de groep van de middelgrote talen (Nederlands en Itali­aans) die er al sinds het ontstaan van de Gemeenschap in 1958 bij zijn en Spaans, dat pas sedert 1985 aanwezig is;

3de groep van de kleinere talen (Deens, Grieks en Portu­gees) die later tot de Gemeenschap zijn toegetreden. De laatste drie talen scoren bijzonder laag en worden blij­kens deze cijfers niet als volwaardige werktalen be­schouwd.

Betreffende de meertaligheid van de tolken kon bovendien worden afgeleid dat bij de beheersing van vier talen en meer de Neder­landse cabine het beste resultaat behaalt. Bovendien hebben beide cabi­nes weinig tolken die ‘slechts’ twee talen beheer­sen. Samenvattend mag men zeggen dat de Nederlandse en de Duitse cabine op het vlak van de meertaligheid van de tolken het beste rendement geven.

Indien men nagaat hoe de diverse officiële talen in de cabi­nes zijn verte­genwoor­digd, om zicht te krijgen op de service die de diverse talen theoretisch kunnen geven en krijgen, kon worden afge­leid dat de grote­re talen een bete­re servi­ce krijgen dan de kleine talen. Het Frans en Engels worden, afgerond, res­pec­tieve­lijk voor 91 procent en 97 procent in de andere cabi­nes verze­kerd. Het Duits volgt op af­stand met 56 pro­cent. Van de klei­ne­re talen wordt het Nederlands voor 20 procent bediend. Uit het feit dat het Frans, Engels en Duits veel beter be­diend worden dan de kleinere talen en dat de grote talen elkaar ook een voor­keursbehan­de­ling geven, kan indirect worden afgeleid dat de talen­combinaties in de cabines veelal beperkt zijn tot combinaties van twee of drie grote talen.[66]

De laatste tijd wordt er door de Tolkendienst bij de werving van nieuwe tolken als voor­waarde gesteld dat ze minstens ook in één kleinere taal kunnen tolken. Combinaties als Engels-Frans, Frans-Duits en Duits-Engels worden niet meer aanvaard.

Het is niet denkbeeldig dat de Commissie de toetreding van nieuwe lidstaten zal aangrij­pen om ook de Nederlandse tolken­cabine geleidelijk in te krimpen en op het niveau van het Grieks, Deens en Portugees te brengen. In 1984 heeft de Com­missie nieuwe richtlij­nen uitgevaardigd, die een zoveel mogelijk pragmatische aanpak voorstelden. De Commissie stipte hierbij aan dat deze pragma­tische benade­ring uitslui­tend uitgaat van reële behoeften en niet van de politieke behoef­ten, dat zij een doeltref­fende vertolking waar­borgt en geen enkele taal uitsluit. De tolkendienst gaf echter geen sluitende definitie van ‘reële behoeften’ en gaf toe dat reële behoeften en politieke behoeften wel eens kunnen samenvallen. Door het ontbreken van een sluitende defini­tie van een ‘reële behoefte’ kan het verzoek van iemand die vertolking wenst, door de Tolkendienst afgedaan worden als ‘geen reële behoefte maar een politieke behoef­te.’ De Tolken­dienst beschikt hier dus over manoeu­vreer­ruimte.[67]

 

5.3.2De toekomst van het Nederlands in de Europese Unie

 

Volgens de Vlaamse cultuurminister Weckx maakt het Verdrag van Maastricht de talige integratie van Nederland en Vlaanderen urgent. “Europa dreigt mettertijd de kleine talen uit te sluiten. Er gaan meer en meer stemmen op het aantal werktalen in de EG tot twee of vier te beperken. De verdediging van het Nederlands is een taak voor de Taalunie en geeft een zeer actuele waarde aan het Verdrag.”[68] De status van het Nederlands kan op het eerste gezicht vanuit twee hoeken bedreigd worden: van bui­tenaf door de EU-structu­ren en de invloed van de grote taalblok­ken daarin; intern door de verschillende mentali­teit in Neder­land en Vlaanderen, waardoor terzake geen eensgezinde opstelling bestaat. Hoe is de opstelling van de Nederland­se en Vlaam­se rege­ringen tegen­over deze problematiek? Willen Neder­land en Vlaande­ren terzake tot binden­de afspra­ken komen? Hieronder volgen de ingeno­men standpunten.

De Nederlandse en Belgische permanente vertegenwoordigin­gen bij de EG stellen dat de positie van het Nederlands middels verordening nr. 1 veilig gesteld is, en dat wijzi­ging ervan politiek ondenkbaar is, aangezien dit met unanimiteit dient te geschieden. Ze zullen niet meewerken aan een wijziging die de positie van het Nederlands zal aantasten. In 1985 zei de toenmalige staatssecre­taris van Buitenland­se Zaken Van Eekelen als antwoord op kamervra­gen, dat indien er ooit voorstellen zouden komen tot wijziging van verordening nr. 1, de Neder­landse regering na ruggespraak met de Tweede Kamer en in overleg met de Belgische regering een standpunt zal innemen. Deze stand­punten blijven op het formele vlak.

Aantasting van de positie van het Nederlands gebeurt echter op puur pragma­tische basis. In een notitie aan de Tweede Kamer van staatssecretaris van Binnenlandse Zaken De Graaff-Nauta van 13 oktober 1991 over de positie van de Nederlandse taal in bestuur en rechtspraak, heet het: “In de praktijk zijn de werktalen van de Gemeenschappen vooral het Frans en het Engels geworden.” Uit een concept-versie van deze notitie (30 septem­ber 1991), werd de volgende passage ge­schrapt: “Bij een verde­re uitbreiding van de Gemeen­schap­pen zal het formele uitgangs­punt dat de instel­lingen in alle officiële talen werken wel­licht moeten worden losge­laten. Het ligt dan voor de hand dat de vol­strekte meerta­ligheid beperkt wordt tot het verkeer tussen de instel­lingen en burgers; indien een dergelijke ontwik­keling inderdaad plaatsvindt zouden Nederlandse overhe­den zich genoodzaakt kunnen zien zich in het verkeer met de Gemeen­schappen van een andere taal dan het Neder­lands te bedie­nen.”[69]

Voor het verslagboek van het Congres ‘De toekomst van het Nederlands in de Europese Unie (gehouden in oktober 1993 te Brus­sel) schreven de cultuurministers Weckx (Vlaan­de­ren) en d’Ancona (Nederland) het voorwoord. Enkele citaten hieruit: “De verscheiden­heid aan talen en culturen is karakteris­tiek voor Europa en haar historisch gegroeide openheid is een kostbare kwaliteit. (…) Wij ondervinden dat ook de positie van het Neder­lands geprangt zit tussen de uitda­gingen en bedreigingen die uitgaan van een con­frontatie van culturen. Gelukkig vinden Vlaanderen en Nederland elkaar binnen de Nederlandse Taalunie en werken van daar­uit samen om de uit­straling van het Nederlands te bevorde­ren. Onder andere dank­zij deze samenwerking nam de gevoe­ligheid voor het belang van de eigen taal in Neder­land trouwens toe. Het is belangrijk dat wij één front vormen om onze taal te handhaven als officiële bestuurs- en werktaal in een verruimde Europese Unie. Het is even belangrijk dat wij het Nederlands koesteren als drager van onze cultuur en dat wij ervoor ijveren dat de culturele meerwaarde beter aan bod komt op Europees vlak, bijvoor­beeld in het mediabeleid. Een levend taal- en cultuurbe­wustzijn is dus niet synoniem met een eng nationaal be­wustzijn maar leidt tot een plei­dooi voor een rijkdom aan talen en culturen in Europa.”

En tenslotte: “De erkenning van het Nederlands is voor de bewoners van ons taalgebied van fundamenteel belang. En het belang van de burgers is toch waar het in wezen om gaat. Die erken­ning moet dus gehandhaafd blijven.”[70]

Het is duidelijk dat de overheden niet verder willen gaan dan intentiever­klaringen en geen garanties willen geven. Zodoende kon de Nederlandse regering in 1993 ook zonder problemen het verplichte gebruik van het Nederlands op etiketten schrappen. Tevens stemde de Nederlandse verte­genwoordiging bij de EG tegen een Belgisch voorstel om het verplichte gebruik van de landstaal middels een Europese richtlijn verplicht te stellen. Hieruit kan derhalve geconcludeerd worden, dat op dit front Belgisch-Nederland­se samenwerking niet leidt tot een invloed­rijkere positie van het Neder­lands taalge­bied als geheel. Deels is dit te verklaren uit het feit dat niet Vlaanderen, maar België lidstaat is van de Euro­pese Unie. Maar taal is nu juist een exclusieve be­voegd­heid van de Vlaamse overheid. Deels is echter ook de reden dat een probleem als de positie van het Neder­lands in Europa niet beschouwd wordt als een hals­zaak, die de moeite waard is om tegen de wens van de grote­re lidstaten in te handelen. Nationale identiteit is tegen­woordig nauw verbonden met een gemeen­schappelijke taal. Een analyse van de positie van het Neder­lands in Europa is wel­licht tege­lijk een analyse van de Nederlandse identi­teit binnen Euro­pa, omdat daarmee duidelijk wordt welke prioriteit Nederland geeft aan verdedi­ging van zijn eigen identiteit.[71]

 

5.3.3Het taalregime van Eurokorps en het Merkenbureau

 

Bescherming van de eigen taal is sedert 1993 een aantal malen agendapunt geweest op de internationale politieke kalender. Tijdens de GATT-onderhan­delingen maakte Frank­rijk zich bij­voorbeeld sterk voor bescherming van de franstalige televisie- en filmproduk­tie tegen engelstalige produkten. Nederland stemde in het Comité van Permanente Vertegen­woordigers bij de EG tegen een Belgisch voorstel (door Frankrijk gesteund) dat producen­ten verplicht stelde om de consument in de eigen taal te informeren. Dit zou volgens Nederland in strijd zijn met het vrije verkeer van goederen. In Nederland hoeft op etiket­ten niet de lands­taal te worden gebruikt, als het maar vol­doende duidelijk is. De Neder­landse handelswijze zou men kunnen interprete­ren als zijnde in strijd met het Taaluniever­drag, waarin immers een “gemeenschappelijk beleid ten aanzien van de Nederlandse taal en letteren in internationaal verband, in het bijzonder de Europese Gemeen­schappen” moet worden gevoerd.[72]

De positie van het Nederlands kwam vervolgens bij twee gele­genheden acuut aan de orde: de besluitvorming rond het Merken­bureau en Eurokorps. De Europese Top van rege­rings­leiders verklaarde op 10 decem­ber 1993 dat alle negen talen van de Europese Unie voort­aan weer gelijk­waardig zijn. Dit op Neder­lands-Bel­gisch initia­tief geno­men be­sluit mar­keerde voorlopig het einde van de taalrel, die ontstond nadat bij de opstelling van het taal­re­glement van het Merkenbureau en Eurokorps de positie van de Neder­land­se taal ernstig ter discussie had gestaan. Hieronder wordt stilge­staan bij de voorgeschiedenis van deze commotie.

Eurokorps

Nadat België deelnemer was geworden aan het oorspronkelijk Frans-Duitse Euro­korps, werd de taalregeling ervan ter discus­sie gesteld. Immers, tot najaar 1993 sprak men in Straa­tsburg, waar het hoofdkwartier geves­tigd is, alleen de eigen taal of het Engels, de binnen de NAVO het meest gebruikte taal. Vol­gens de Euro­korps-bevelhebbers was drie talen “het absolute maximum”. In de woorden van de Franse Eurokorps-stafchef François Clerc: “Laten we een militair hoofdkwartier vooral niet verwarren met een parle­ment”. Vooral in Vlaanderen ont­stond grote op­schud­ding toen bleek dat er voor het Nederlands geen positie was wegge­legd in Euro­korps. België dreigde de kredieten aan het Euro­korps op te schorten en de Belgische eenhe­den terug te trek­ken, als het Nederlands niet zou worden erkend. De eisen van de Belgische minister van Defensie Del­croix werden uiteinde­lijk allemaal ingewil­ligd:

-bij officiële gelegenheden van het Korps zal ook Neder­lands gespro­ken worden;

-documenten worden ook in het Nederlands vertaald;

-bij simultaan-vertolking wordt ook in een Nederlandse verta­ling voorzien.

Dit succes werd echter enige tijd later alweer overscha­duwd door de verwikkelin­gen rond het Europees Merkenbu­reau.[73]

Merkenbureau

Op 6 december 1993 maakten de Europese ministers van Buiten­landse Zaken een einde aan de taalstrijd die was ontstaan, nadat op de bijzondere top van regerings­lei­ders in oktober besloten was om bij het, in het Spaanse Alican­te gevestigde, Europees Merkenbu­reau slechts de vijf ‘grote’ talen te hante­ren: Engels, Frans, Duits, Spaans en Italiaans. Het Nederland­se ongenoegen met die regeling leidde tot een Spaanse blokkade over de besluitvorming over Europol, dat in Den Haag zou worden gevestigd.

Er werd tenslotte een ingewikkeld compromis gesloten, waarmee Nederland akkoord ging om zo de vestiging van Europol in Den Haag te bewerkstelli­gen:

– elke ondernemer mag een aanvraag voor merkbescherming indie­nen in zijn eigen taal, zonder dat hij daarvoor vertaal­kosten hoeft te betalen;

– daar staat tegen­over, dat hij bij zijn aanvraag een tweede taal moet opgeven, waarin hij wil procede­ren indien iemand de registratie van zijn merk betwist. Die tweede taal moet dan één van de vijf ‘grote’ talen zijn.

Het Nederlands wordt dus geen erkende taal van het Merken­bu­reau, maar het Nederland­se en Vlaamse be­drijfsleven komt ook niet voor hogere kosten te staan. Hieraan wordt dan toegevoegd dat men in het bedrijfsle­ven er toch al aan gewend is om in het Engels te onderhande­len.[74] In de praktijk wordt de twee­de taal dus de onderhandelingstaal.

De “praktisch noodzakelijke” concessie rond het Merkenbu­reau mocht volgens premier Lubbers geen nieuw tijdperk in de Euro­pese Unie inluiden: “Alle talen van de Europese Unie zijn voortaan officiële talen”. Het besluit is ook in het licht van de uitbreiding van de Unie interessant: mochten de vier landen waarmee overeen­komst over toetre­ding bereikt is (Oostenrijk, Noorwegen, Zweden en Finland) inderdaad toetreden dan komen er drie nieuwe talen bij.

Het is met betrekking tot deze uitbreiding natuurlijk de vraag of er dan niet steeds vaker ‘praktisch noodzakelijke conces­sies’ voor zullen gaan komen. Meer garantie dan een weinig concre­te verklaring over de gelijk­waardigheid van de talen is niet afgegeven. Het aardige hierbij is, dat bijna alle landen zich bezighou­den met het internationaal verdedigen van de rechten van de eigen taal, waar­bij met name Frankrijk sterk op de voor­grond treedt.

De besluitvorming rond het Merkenbureau leert ons dat men bereid is de gelijkbe­rechti­ging van een taal in te ruilen voor het behalen van een politiek succes op een ander terrein, zoals het binnenhalen van Europol. Van de be­sluitvorming rond Euro­korps leren we echter dat dezelfde gelijkberechtiging wèl afgedwongen kan worden, als men bereid is er iets voor op het spel te zetten, in dit geval een door de andere landen gewens­te Belgische deelname aan Euro­korps. Met andere woorden: ook het interna­tionaal verdedi­gen van de rechten van de eigen taal vindt plaats binnen het internatio­naal-politieke machtsspel van Europa. Bestudering van de wijze waarop anderen voor hun taal opkomen is daarmee dus leerzaam.

 

6Conclusie

 

België is een federale staat geworden, met soevereiniteitsoverdracht naar de samenstellen­de delen van het land. Dit heeft invloed op de externe relaties van het land. De Vlaamse regering streeft daarenboven tevens naar zoveel mogelijk vergroting van zijn autonomie. Het Vlaams buitenlands beleid staat in het teken hiervan. Hiertoe is samenwerking met andere autonome regio’s gewenst (die immers een zelfde doelstelling hebben), alsmede een gelijk­waardige relatie met Nederland, Vlaanderens meest natuurlijke partner, vanwege de taal- en cultuurover­eenkomsten.

De staatkundige veranderingen hebben invloed gehad op de politieke betrekkingen. Nederland reageerde laat, en aanvankelijk onwennig, getuige de problematiek rond de waterverdragen en tijdens het ‘staatsbezoek’ van Van den Brande. Een reden voor de Nederlandse onwennigheid is de fixatie op landen die groter zijn dan Nederland, in een over­schatting van de eigen betekenis. België is een maatje te klein, niet interessant voor Nederland en bovendien onherkenbaar. Vlaanderen is echter de meest natuurlijke partner voor Nederland, gezien de wederzijdse Franse-Waalse interesse. De opvol­gingskwestie van Delors confronteerde Nederland met wijzigingen op het Europese machtsveld, waarop het niet was voorbereid. Politieke Benelux-samenwerking, die in de jaren ’50 nog vrucht had gedragen, werd nu kundig verhinderd door de grote buurlanden Frankrijk en Duitsland, die Nederland en België tegen elkaar uitspeelden en Luxemburg de hoofdprijs gaven. Verdieping van de samenwerking had voorts weinig te maken met de gevolgen van de staats­hervorming: zij waren van praktische of financiële aard, zoals in het geval van de militaire samenwerking.

De economische samenwerking in Benelux-verband verloor aan betekenis, als gevolg van de Belgische interne situatie, en zijn overbodigheid wegens de overlap met de Europese Unie. Het gezamenlijk economisch beleid vindt plaats in Europees kader, en gaat ook niet veel verder dan dat. Ook hier doet zich de situatie voor, dat economische samenwerking geen baat heeft bij schaalverkleining, zoals van België naar Vlaanderen.

Nederland is nog onveranderd weinig geïnteresseerd in culturele samenwer­king. Het BNCA verloor verder aan betekenis door veroudering ten gevolge van de staatshervormin­gen. De Nederlandse Taalunie is echter een nieuw initiatief, waarop het staatshervor­mingsproces van grote invloed is geweest. Het Verdrag spreekt zelfs over “integratie”. In de praktijk heeft het echter ontbroken aan de bereidheid tot politieke inspanningen om de bureaucrati­sche en bestuurlijke inspanningen te verrichten. Met name door Nederland werd het belang ervan niet ingezien. Dit geldt ook met betrekking tot de verdediging van de positie van het Nederlands in de E.U. Bedreiging ervan is mogelijk op financieel-praktische gronden, maar om politieke redenen, in het concept van het Europa van de burger, minder wenselijk. Daarom ziet Nederland geen noodzaak tot ingrijpen, en wordt het publiek gesust met geruststellende uitspraken. Het taalregime van internationale instellingen is niettemin onderwerp van de Europese machtspolitiek.

De Belgische staatshervormingen hebben dus een beperkte invloed gehad op de onderlinge betrekkingen: de politieke betrekkingen zijn erdoor voor Nederland ondoor­zichtig geworden, op de intensiteit van de economische betrekkingen hadden zij een negatieve invloed. De culturele betrekkingen werden erdoor in aanleg geïntensiveerd, maar in de praktische uitvoering bleken de oude doelstellingen nog altijd aanwezig te zijn, waardoor de ambitieuze bedoelingen niet uit de verf kwamen. Voor de toekomst betekent dit waarschijnlijk dat de betrekkingen in elk geval zullen veranderen: op sommige gebieden zal de samenwerking groeien, op andere gebieden afnemen. Het valt echter niet te verwachten dat de staatshervor­mingen in uiterste consequentie het herstel van de Zeven­tien Provinciën met zich mee zullen brengen.

Het volgende hoofdstuk zal illustreren op welke wijze Vlaande­ren zijn autonomie poogt te vergroten middels Europese fora, waarbij het concept van het Europa der Regio’s een grote rol speelt.

     [1] Vgl. Kossmann [1986]: Dl. 2, p. 342-343.

     [2] Vgl. Wils [1993]: p. 554.

     [3] Vgl. Kossmann [1986]: Dl.2, p. 344.

     [4] Vgl. Kossmann [1986]: Dl. 2, p. 345, 298-299, 348.

     [5] Vgl. Kossmann [1986]: Dl. 2, p. 352-359 en Van Haegendoren [1983]: p. 176-179.

     [6] Vgl. Vanden Daele: p. 24-25.

     [7] Zie: Kapteyn [1991]: p. 154.

     [8] Zie: Kossmann [1986]: Dl. 2, p. 345-346.

     [9] Vgl. Wils [1993]: p. 554-555.

     [10] Executieve: sedert de St. Michielsakkoorden (1993): ‘Regering’.

     [11] De enige uitzondering hierop is de kroonprins, lid van de Senaat, die niet tot een taalgroep behoort.

     [12] Vgl. Heyman [1993]: p. 570-571.

     [13] Uit: Ysebaert [1992]: p. 157.

     [14] De bestuursorganen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest zijn sedert hun uittreding uit de nationale regering in 1981 samengegaan tot één Executieve en één Raad.

     [15] Vgl. Kooijmans [1993]: p. 2-3, 6.

     [16] De publikatie Vlaanderen-Europa 2002, een project van de Vlaamse Regering verscheen in 1993. Zie: Postma [1993]: p. 594-595.

     [17] Vlaanderen-Europa 2002, p. 88.

     [18] Vlaanderen-Europa 2002, p. 105.

     [19] Vlaanderen-Europa 2002, p. 91-92.

     [20] Vgl. Postma [1993]: p. 595-596.

     [21] Vlaamse Raad [1992]: p. 28-29.

     [22] Zie: Brinckman [1993]: De Morgen, 26.3.1993. Dit impliceert dus dat Vlaanderen in deze zijn internationaal-rechtelijke positie op een gelijkwaardig niveau als dat van Nederland wenst te brengen.

     [23] Zie: Kooijmans [1993]: p. 8.

     [24] Zie: Kooijmans [1993]: p. 6.

     [25] Zie: Vandaele [1994]: p. 116-118.

     [26] Zie: De Ruiter [1994]: NRC Handelsblad, 27.4.1994.

     [27] Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Limburg, Zee­land [1992].

     [28] Zie: Vandaele [1994]: p. 31.

     [29] Deze paragraaf is gebaseerd op Barber [1993]: NRC Handelsblad, 28.6.1994.

     [30] Zie: NRC Handelsblad, 25.6.1994.

     [31] Zie: Brummelman [1994]: NRC Handelsblad 23.7.1994. Interview met de Belgische premier Dehaene.

     [32] Zie: Scheffer [1994]: NRC Handelsblad, 25.7.1994.

     [33] Vgl. Eppink [1993]: De Standaard, 20.3.1993.

     [34] Vgl. De Vree [1984]: p. 151-155.

     [35] Vgl. Vandaele [1994]: p. 17. en Kooijmans [1993].

     [36] Vgl. Vanden Berghe [1993], p. 37.

     [37] Zie paragraaf 3.7.

     [38] Hier kan nog vermeld worden dat de commissie Cul­tuur en Onderwijs van deze raad het enig overgeble­ven officiële forum is waar Walen en Vlamingen nog over deze zaken met elkaar kunnen spreken.

     [39] Meijer [1994]: NRC Handelsblad, 26.7.1994.

     [40] Zie: Hanekamp [1987]: p. 155.

     [41] Zie: Kooijmans [1993]: p. 19.

     [42] Vgl. Hennekam [1991]: passim, en Vandaele [1994]: p. 16.

     [43] Zie: Hennekam [1991]: passim.

     [44] Vandaele [1994]: p. 138.

     [45] NRC Handelsblad, 19.4.1994.

     [46] Zie § 3.3.2.

     [47] Zie: Vandaele [1994]: p. 12-13.

     [48] W. Lerouge in: Nederlandse Taalunie [1989]: p. 19.

     [49] Zie: Vandaele [1994]: p. 45.

     [50] Mourik [1989]: p. 76-77.

     [51] Sybesma-Knol en Wellens [1987]: passim.

     [52] Zie: Wera [1991], p. 17-30.

     [53] Vgl. Nederlandse Taalunie [1993]: p. 19-28.

     [54] Momenteel is dat in Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland nog niet het geval.

     [55] Deze conclusies werden geformuleerd aan het slot van een evaluatiedag van het Taalunieverdrag, georganiseerd door de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren in 1989.

     [56] Andersen Consulting; zie: Limburg [1992]: NRC Handelsblad, 3.8.1992.

     [57] Vgl. Vandaele [1994]: p. 9-10.

     [58] Zie Hoofdstuk II, § 2.

     [59] Vgl. Douwes [1993].

     [60] Mourik [1994]: NRC Handelsblad 20.8.1994.

     [61] Vgl. Debrabandere [1987]: p. 15 en Fasol/Duthoy [1993]: p. 16-20.

     [62] Vgl. Debrabandere [1987]: p. 16-17 en Fasol/Duthoy [1993]: p. 27-29.

     [63] Zie: Vandaele [1994]: p. 23.

     [64] Vgl. Fasol/Duthoy [1993]: p. 21-28.

     [65] Zie: Fasol/Duthoy [1993]: p. 29-30.

     [66] Zie: Fasol/Duthoy [1993]: p. 31-38.

     [67] Vgl. Fasol/Duthoy [1993]: p. 37-38.

     [68] Zie: Limburg [1992]: NRC Handelsblad 3.8.1992.

     [69] Fasol/Duthoy [1993], p. 46-47.

     [70] Hedy d’Ancona in: van der Spek [1994]: Taalschrift nr. 2, 1994.

     [71] Zie: De Swaan [1991]: p. 217: “Zoals Nederlanders zich om de eigen taal geen zorgen maken, omdat die vanzelf spreekt, zo bekommeren ze zich ook niet om hun nationale identiteit omdat die vanzelf spreekt.”

     [72] De Volkskrant [1993]: 30.3.1993.

     [73] Zie: Jensma [1993a]: NRC Handelsblad 24.11.1993.

     [74] Vgl. NRC Handelsblad [1993a]: 7.12.1993; Jensma [1993b]: NRC Handelsblad 11.12.1993.

 

VHET EUROPA DER REGIO’S: GEVOLGEN VOOR DE NEDER­LANDS-VLAAMSE BETREKKINGEN?

 

“The structure of the United States of Europe, if well and truly built, will be such as to make the material strength of a single state less important. Small nations will count as much as large ones (…). The ancient states and principalities of Germany, freely joined together for mutual convenience in a federal system, might each take their individual place among the United States of Europe”.

(Winston Churchill, 17.9.1946)[1]

 

Inleiding

 

Middels het door het Verdrag van Maastricht ingestelde Comité van de Regio’s hebben regio’s als Vlaanderen ook een (beschei­den adviseren­de) stem gekregen in het Europese besluitvor­mingsproces. Al eerder werd geconstateerd dat Vlaanderen zijn autonomie middels optreden in internatio­nale fora probeert te vergroten. Bekeken zal worden of het concept van het Europa der Regio’s veranderingen in de richting van intensievere samen­werking in de Nederlands-Vlaamse betrekkingen tot gevolg zal hebben.

Daarom zal hier het concept van het Europa der Regio’s onderzocht worden, en in hoeverre dit strookt met een Europa dat samengesteld is uit nationale staten. Tenslotte volgt de op het Europa der Regio’s voortbouwende toe­komstvisie van de Vlaamse regering met betrekkin­g tot een ‘Europa van de culturen’.

 

1De Europese Regio’s

 

Net als in het beleidsdocument ‘Vlaanderen-Europa 2002’[2] wordt ook in het Verdrag van Maastricht een link gelegd tussen economie en cultuur. De gedachte dat een Europese monocultuur zou leiden tot een verlies aan legitimiteit bij de kleinere cultuurgemeenschap­pen, en zodoende tot economi­sche neergang, lag aan de grondslag van de cultuur­para­graaf. (Artikel 128,1: “De Gemeenschap draagt bij tot de ontplooiing van de cultu­ren van de Lid-Staten onder eerbiediging van de nationale en regionale verschei­denheid van die cultu­ren,…)

Ook is rekening gehouden met federaliseringsprocessen, zoals die op verschillende plaatsen in Europa, bijvoorbeeld in Spanje en Duitsland, gaande zijn of waren. Vertegen­woordiging door deelregeringen wordt mogelijk gemaakt. (Artikel 146: “De Raad bestaat uit een vertegen­woordiger van elke Lid-Staat op ministerieel ni­veau die gemach­tigd is om de Regering van de Lid-Staat die hij vertegenwoor­digt, te binden.”

Het Verdrag van Maastricht regelt tevens de instelling van een raadgevend Comité van de Regio’s. Dit Comité moet de vertegen­woordiging van de regionale en lokale lichamen  in de Europese Unie waarborgen. Het Econo­misch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s hebben een gemeen­schappelijke organisa­tie­structuur.

 

Hoofdstuk 4. Het Comité van de regio’s.

Artikel 198 A:

Er wordt een comité van raadgevende aard ingesteld, be­staande uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen, hierna Comité van de regio’s te noemen. Het aantal leden van het Comité van de regi­o’s is als volgt samengesteld:

België                     12[3]                          Denemar­ken                         9

Duitsland               24                           Grie­ken­land                          12

Spanje                   21                           Frankrijk                               24

Ier­land                    9                             Italië                                       24

Luxem­burg           6                             Ne­der­land                             12

Portu­gal 12                           Ver­enigd Koninkrijk            24

De leden van het Comité, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, worden op voordracht van de onder­schei­den Lid-Staten door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoem­baar.

De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volko­men onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeen­schap.

Artikel 198 B:

Het Comité van de regio’s kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bu­reau. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast en legt het ter goedkeuring voor aan de Raad die zijn goed­keuring met eenparigheid van stemmen dient te geven. Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeen­geroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel 198 C:

Het Comité van de regio’s wordt door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag en in alle andere gevallen waarin een van deze beide instellin­gen zulks wenselijk oordeelt. Indien de Raad of de Commissie zulks noodzake­lijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijd­stip waarop de desbetref­fende mededeling aan de voor­zitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde ter­mijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten. Wanneer het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 198 wordt ge­raadpleegd, wordt het Comité van de regio’s door de Raad of de commis­sie in kennis gesteld van dat verzoek om advies. Het Comité van de regio’s kan, wanneer het van mening is dat er specifieke regionale belangen op het spel staan, hieromtrent advies uitbrengen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het zulks dienstig acht, op eigen initiatief een advies uitbrengen. Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekin­gen worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

 

In het Comité heeft momenteel een gezelschap zitting, bestaan­de uit burge­meesters, gouverneurs, minister-presi­denten en ministers van deelstaten en andere lokale of regionale be­stuurders. Zij werden in maart 1994 geïnstal­leerd.

 

2.1Staatsnationalis­me versus volks­nationalisme[4]

 

De idee van het Europa der Regio’s komt in bepaalde aspecten in aanvaring met het concept van de natiestaat, welke in het verleden altijd grensover­schrij­dende samenwerking in de weg heeft gestaan, ook tussen Nederland en België. De landsgrenzen waren immers heilig. Het kernbegrip zelfbeschik­king, vermeld in Art. 38.1 van het Statuut van het Internatio­naal Gerechts­hof houdt in dat een volk het recht toegekend wordt voor zichzelf beslis­singen te nemen aangaande het benut­ten van zijn natuur­lijke rijkdom­men.[5] Dit zelfbeschik­kingsrecht van volken is gericht op staats­vorming, en daardoor heeft dit nationalisme grote gevolgen gehad. Dit staatsnati­onalisme heeft het ontstaan van natuurlij­ke regio’s verhinderd.

Met het einde van de Koude Oorlog is een nationalisti­sche Renais­sance aangebro­ken. Men kan het nationa­lisme in bedwang houden, door de staats­grens irrelevant te maken voor de bele­ving van natio­nale identiteit.[6] Men kan de stelling aanhangen dat de Europese eenwording op zichzelf hierin al voorziet: door de nationale energie niet te richten op zelfbevestiging maar op economische activiteit, is het nationalisme sterk afgezwakt. De combinatie van liberalisme en economisch eigenbelang heeft het nationalisme verdraag­zaam gemaakt, zoals eerder religie verdraagzaam werd gemaakt door het liberalisme.[7]

Volgens anderen is dit te optimistisch, en zijn er grotere maatregelen nodig om het nationalisme van zijn gevaarlijke kanten te ontdoen. Het voorkomen van nationale minderheden betekent vaak de lont in het kruitvat: aange­zien in een stelsel van gelijke individuele mensenrechten grens­wijzigin­gen ten behoeve van minderheden uitgeslo­ten zijn, maar daarente­gen homo­gene staatsverbanden onmoge­lijk zijn, ligt de oplos­sing dan in een systeem van staatkundige decen­trali­satie van heteroge­ne sta­atsverbanden.[8] Ook bij de EG lijkt men dit te hebben inge­zien: men wil voorko­men dat de EG zich ontwikkelt tot een ouderwetse multinati­onale staat. Dit moet bereikt worden middels het Europa der Regio’s. Door het toe­kennen van collectie­ve rechten aan bevol­kingsgroe­pen in een Regio, kan men de beleving van natio­nale identiteit onafhanke­lijk maken van staatsgrenzen.

Dankzij de Europese integratie zijn de mogelijk­heden voor grensoverschrij­dende samen­werking enorm vergroot. De EU heeft vele oude nationa­listische tegenstellin­gen kunnen wegnemen, bijvoorbeeld tussen Frankrijk en Duitsland. Deson­danks denken de meeste inwoners nog altijd vanuit de natie­staat-idee: men voelt zich in eerste instantie Nederlan­der of Belg, en tegenwoordig mag men zich ook Vlaming voelen. Om harmo­nieus samenleven mogelijk te maken, moet het doel van de Europese integratie echter niet zijn, natio­nale staten dichter tot elkaar te brengen, maar volkeren.

Daar integratie mogelijkheden schept om tot andere verbanden te komen dan tot op heden mogelijk was, doordat de staatsgren­zen opener en losser worden, maakt de Europese integratie meer pluralisme mogelijk. Het cultu­reel pluralisme wordt in deze betekenis door Europa dus juist niet be­dreigd. De betekenis van natiestaten is sedert de Europese integratie verminderd ten opzichte van daarvoor. Het Verdrag van Maastricht erkent, middels het Comité van de Regio’s, de regionale soevereini­teit. Het vervagen van de grenzen schept aldus nieuwe ruimte voor natuurlijke regiovorming. Regio’s en cultuurge­meenschap­pen komen zo in de plaats van natiestaten. Of dit zal lukken is de vraag: zeker in deze vroege vorm lijkt het er niet op dat het Europa van de Regio’s dit waar kan maken. Het concept zal hiertoe aan betekenis moeten winnen.

Het zijn echter nog altijd de natiestaten die hierover moeten beslissen. Het concept van het Europa der Regio’s kan door kleinere staten gebruikt worden ter vergroting van hun machtsbasis: zij kunnen dan immers coalities sluiten met regio’s van de grotere lidstaten. Derhalve wordt de waar­schijnlijkheid dat er een Europa der Regio’s zal ontstaan, groter naarmate er meer kleinere landen zullen toetreden tot de EU.

 

2.2Het Europa van de culturen[9]

 

In het integratiemodel van de regio’s worden autonome deelsta­ten met een eigen culturele identiteit gelijkge­steld met alleen intermediaire bestuurslagen. De Vlaamse regering heeft, om deze moeilijkheid op te lossen, het concept van de cultuur­regio gelanceerd in zijn ‘Handvest van het Europa van de culturen’. Regio’s met een sterke culturele identiteit, zoals Vlaanderen, Catalonië of Beieren, worden gesteld naast cul­tuurregio’s, die een eigen staatsverband hebben, zoals Neder­land en Denemarken. Een cultuurregio is een regiona­le entiteit met een eigen culturele identiteit, economische draagkracht en exclusie­ve bevoegd­heden, uitgeoefend door gekozen bestuur­ders (Titel I). Deze definitie kan derhalve slaan op zowel deelsta­ten als staten. Dit concept geeft moge­lijkheden voor een alliantiepoli­tiek van kleinere lidstaten met aangrenzende regio’s (bijvoorbeeld met dezelfde taal), om tegenwer­king te kunnen bieden aan de macht van de grotere lidstaten. Concreet zou hiermee de mogelijkheid geschapen zijn voor een gezamen­lijk optreden van het Neder­landse taalgebied.

Titel II handelt over de Europese talen. Gesteld wordt dat een beperking van het aantal werktalen het democratisch gehalte van de Unie zou aantas­ten. In Titel III over de culturele industrie wordt met name gepleit voor bescher­ming van de kleinere culturen op het gebied van onder meer televisie, film, pers en uitgeverijen. Kleinere culturen moeten het recht hebben ‘culturele allianties’ af te sluiten. Titel IV bepaalt dat het onderwijs een eigen bevoegdheid van de cultuurregio is.

Titel V handelt over het internationaal medebeslissings­recht van de cultuur­regio’s. Voor de niet-exclusieve be­voegdheden dient er een rechtvaardige en efficiënte verde­ling van be­voegdheden tot stand te komen tussen drie ni­veaus, namelijk cultuurre­gio, lidstaat, EU. De cultuurregio is bij uitstek geschikt om Europa dichter bij de burgers te brengen. De hegemonie van een beperkt aantal culturen wordt verworpen en het monopolie van de staten in de Europese instellingen wordt doorbroken. Ten­slotte moet de cultuurregio rechtstreeks toe­gang krijgen tot het Hof van Justitie.

Voorlopig is deze toekomstvisie geen werkelijkheid. Met name de grotere lidstaten zullen niet graag hierin toe­stemmen, zeker de lidstaten die niet als één cultuurregio kunnen gel­den, maar die ook geen verschillende cultuurre­gi­o’s op hun grondgebied erkennen. Toetreding van kleinere lidstaten zou echter de kans op verwerkelijking van dit Handvest kunnen vergroten, omdat zij hiermee nieuwe bond­genoten aangereikt zouden krijgen.

 

3Conclusie

 

Regio’s als Vlaanderen krijgen in het Europa der Regio’s niet alleen een raadge­vende stem in de Europese besluitvorming, maar ook het beginsel van regionale soevereiniteit wordt door het Europa der Regio’s impliciet erkend. Het betekent tevens een vergroting van de internationale positie van Regio’s. De erkenning van regionale soevereiniteit maakt, door grensover­schrijdende samenwerking, de vorming van natuurlijke regio’s mogelijk. De staatssoeve­reiniteit wordt hierdoor aangetast: toch moet het Europa der Regio’s vorm worden gegeven door diezelfde staten. Het Europa der Regio’s kan niet ontstaan indien de machtsbasis ervoor ontbreekt. Verbreding van de Europese Unie door toetreding van nieuwe, kleinere staten maakt de kans op verwezenlijking van het Europa der Regio’s groter, omdat dit concept de machtsbasis van vooral kleinere staten kan vergroten.

Aan de andere kant heeft het Europa van de Regio’s, indien het zich niet verder zal ontwikkelen dan tot wat het Comité van de Regio’s nu is, niet veel invloed op de Neder­lands-Vlaamse betrekkingen. Afgezien van de mogelijk­heid gezamen­lijk te advise­ren over zaken waar de doelstellingen overeen­komen, zoals dit bijvoorbeeld denkbaar is in het geval van taal en cultuur, wordt de gezamenlijke machtspositie niet sterk ver­groot: echter alleen door een vergrote machts­positie kan deze samen­werking echter doen ontstaan. Bovendien kent Nederland zelf geen regio’s op zijn grondgebied: in het Comité van de Regio’s wordt Nederland dus als eenheidsstaat vertegen­woordigd.

Vlaanderen maakt intussen plannen om de mogelijkheden van het Europa der Regio’s zo volledig mogelijk te benutten in dienst van de vergroting van de eigen autonomie. Het Handvest voor het Europa der Culturen, probeert dit beginsel zo ver mogelijk op te rekken, door het cultuuraspect (het middel bij uitstek om de regio’s van elkaar te kunnen onderschei­den) zoveel mogelijk nadruk te geven.

Op dit punt aangeland beginnen we al enigszins naar de toekomst te kijken. Enkele mogelijk­heden voor de toekomst worden daarom in hoofdstuk VI aangereikt. Maar eerst volgen de conclusies die uit de voorgaande hoofd­stukken gedistilleerd kunnen worden.

 

CONCLUSIES

 

Alvorens in het laatste hoofdstuk in ogenschouw te nemen in welke richtin­gen men zich verdere ontwikkeling van de Neder­lands-Vlaamse relatie zou kunnen voorstel­len, is het tijd enkele conclusies uit het voorgaande te formuleren. Zoals aangekon­digd in de inleiding, hebben deze conclusies betrek­king op de vraag hoe de Nederlandse betrekkin­gen met zijn Zuider­buren (die van invloed zijn op de toekomstige machtspolitieke positie van Nederland in Europa) kunnen worden gekarakteriseerd, en op de vraag of deze betrekkin­gen zullen intensive­ren door de Belgische staats­hervormin­gen en de oprichting van een Europa der Regio’s.

De onverenigbaarheid van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden is door de loop van de geschiedenis een ‘self-fulfilling prophecy’ gewor­den. Door externe oorzaken kwam de scheiding tot stand, en hij werd in stand gehouden door de gehechtheid aan nationale zelfstan­digheid van beide landsdelen. Dit werkte verdere vervreemding van elkaar in de hand. Van naar hereniging strevend politiek idealisme was op regeringsniveau geen sprake.

Samenwerking kon alleen tot stand komen wanneer het eigenbelang van de twee staten overeen kwam, zoals bijvoorbeeld inzake economische schaalver­groting. Op deze wijze kwam de Benelux tot stand, door beide staten gebruikt ter behartiging van hun eigen belangen. Naarmate Europese samenwerking nog meer voordelen ging brengen, ontstond er een overlap, en het was de Benelux die hierdoor aan betekenis verloor. Idealisme speelde ook hier dus geen rol van betekenis. Dit gold ook voor de Benelux samen­werking op politiek gebied. Omdat behartiging van het nationale belang voorop stond, was er geen aanleiding om de verschillen in politieke cul­tuur te proberen te overwinnen.

De taaleenheid van Nederland en Vlaanderen was geen politieke factor van betekenis. Omdat de beleving van culturele identiteit in Nederland veel minder bewust is dan in Vlaanderen, was culturele samenwerking voor Nederland geen prioriteit: voor Vlaanderen méér, maar dit past in het Vlaamse eigenbelang van het streven naar autonomie.

Het met de staatshervormingen mogelijk gemaakte Vlaamse buitenlands beleid staat dan ook geheel in het teken van vergroting van deze autonomie. Nederland neemt als belangrijkste, maar niet te grote buurland, een belangrijke plaats in in dit buitenlands beleid. Aanvankelijk was Nederland niet van plan zich te bemoeien met de interne Belgische problemen, zag het liefst een sterke Belgische staat, en heeft er dus geen belang bij het Vlaamse autonomiestreven te ondersteunen. Om deze reden was Nederland slecht voorbereid op de nieuwe situatie, die Nederland voor een voldongen feit plaatste. Nederland zal alleen met Vlaanderen samenwerken waar het dit voor zichzelf voordelig acht: de Nederlandse doelstellingen zijn er niet door veranderd. De voor­naamste bevoegd­heid van Vlaanderen is cultuur: om deze reden had de staatshervor­ming versteviging van de culturele samenwerking tot gevolg, zoals de oprichting van de Nederlandse Taalunie. Gezien de Neder­landse niet-priori­sering van culturele samenwerking bleef dit initiatief echter in de uitwer­king veelal steken bij goede bedoelingen. Om deze reden komt effectieve belangen­behartiging van de positie van het Nederlands in de Europese instellin­gen ook niet uit de verf. Voor economi­sche samenwer­king waren de gevolgen echter nadelig, omdat de Walen zich in de Benelux in het nauw gedreven voelden.

Vlaanderen gebruikt het concept van het Europa der Regio’s, waarmee het beginsel van regionale soevereiniteit erkend wordt, om zijn eigen autono­miestreven kracht bij te zetten. Het Europa der Regio’s kan echter niet vormgegeven worden als de machtsbasis ervoor ontbreekt. Zolang deze machtsbasis niet totstand gekomen is, is het voor Nederland nog van weinig betekenis. Wanneer het ooit gevormd zal zijn, heeft het alleen consequenties voor de buitenlandse betrekkingen van Nederland, maar niet voor de binnenlandse, zolang Nederland geen regio’s op zijn grondgebied invoert.

     [1] Geciteerd uit: Jansen & De Vree [1988]: p. 55.

     [2] Zie Hoofdstuk IV.

     [3] w.o. 5 Vlamingen, 2 Brusselaars, 2 Franse Gemeenschap, 2 Waals Gewest, 1 Duitstalige Gemeenschap.

     [4] Op 7 mei 1994 hield prof. E. Jurgens een lezing over dit onderwerp bij het 41e Algemeen Nederlands Congres in ‘s-Hertogenbosch. Een kort verslag van zijn betoog is te vinden in ‘Buren’, jrg. 3, nr. 2-3 (1994) op p. 22.

     [5] Vgl. Kooijmans [1991]: p. 25.

     [6] Vgl. Koch [1992]: p. 1-7.

     [7] Vgl. Fukuyama [1992]: p. 294-297.

     [8] Siccama [1991]: NRC Handelsblad, 12-7-1991.

     [9] Zie: Ingelaere [1993].

 

BIJLAGE: DRIE SCENARIO’S VOOR DE NEDERLANDS-VLAAMSE RELA­TIE IN HET EUROPA VAN DE REGIO’S

 

“Pour penser la politique, il faut être le plus rationnel possible, mais pour en fai­re, il faut inévitablement utiliser les passions des autres hommes.

L’activité politique est donc impure et c’est pour­quoi je préfère la penser.”

(Raymond Aron)

 

Inleiding

 

Door het heden en het verleden van de relatie tussen Nederland en België te bestuderen, is het mogelijk ontwikkelingspatronen te ontdekken, ver­schillende lijnen naar de toekomst door te trekken en die te combineren tot verschillende toekomst­beel­den. Met name Vlaanderen zelf houdt zich sterk bezig met (ambitieus) toekomstgericht denken. Daarom lijkt het interes­sant om hier enkele realistische toekomstbeelden te compone­ren.[1] Deze toekomst­beelden hebben geen voorspel­lende waarde, maar geven slechts mogelijkhe­den aan. Het aantal mogelijkhe­den is natuur­lijk onbeperkt, en daarom wordt gekozen voor een beperkt aantal mogelijk­heden. Het is dus alleszins voorstel­baar dat geen van deze scenario’s ooit werke­lijkheid zal worden. Ze bereiden ons echter wel voor op verschillen­de mogelijkhe­den. De keuze van de mogelijk­heden heeft uiteraard ook niets te maken met wat de auteur wenselijk acht.

 

1Ingrediënten voor de scenario’s

 

Als ‘ingrediënten’, de samenstellende delen van de scenario’s, gebruiken we:

  1. De toekomst van België;
  2. De toekomst van de Europese Unie en de Europese Regio’s;
  3. De toekomst van de Nederlands-Vlaamse relatie;

We beperken ons tot deze drie factoren, omdat die in het voorgaande aan bod zijn gekomen. Voor elk van de factoren worden allereerst vier moge­lijkheden aangege­ven.

 

1.1De toekomst van België

 

De laatste staatshervorming is wat Wallonië betreft het eind­punt, Vlaanderen wil België omvormen tot een confederale staat. De volgende mogelijkheden zijn denkbaar:

1A:Het huidige staatsbestel blijft bestaan zoals het nu is. Met name Vlaanderen zal echter proberen binnen de haar toegesta­ne marges zo autonoom mogelijk op te treden, maar het zal moeite hebben met de haar opgelegde beperkin­gen. In de interna­tionale fora zal België onveranderd zijn rol blijven spelen.

1B:Na een laatste staatshervorming wordt België een staten­bond. Vlaan­deren zal zich zelfbewust kunnen bewegen op het internationale vlak, en proberen lid te worden van internationale organisaties.

1C:België valt op vreedzame wijze uiteen, bijvoorbeeld door fail­lissement van de federale overheid. Deze gebeurtenis­sen volgen dan ongeveer het model Tsjechi­/Slowakije. Wallonië zal het kind van de rekening zijn: om zijn positie te versterken, zoekt het toenadering bij Frank­rijk (en vice versa).

1D:België valt uiteen door toenemende verrechtsing en natio­na­lisme, gepaard gaande met geweld. Dit zou kunnen gebeu­ren na verkiezings­overwinningen van partijen als het Vlaams Blok. Het gebied tussen Frankrijk en Nederland verandert in een instabiele regio, die slechts door bemiddeling van buitenaf (op initiatief van Frankrijk) tot rust kan worden gebracht.

 

1.2De toekomst van de Europese Unie en het Europa der Regi­o’s

 

De lidstaten van de Europese Unie zijn het nog altijd niet eens over de vraag of er na de toetreding van de Scandinavi­sche landen en Oostenrijk nog onbeperkt lidstaten bij kunnen komen of niet. Afgezien van economi­sche kwalificatie, zal het taalprobleem in dat geval de pan uit rijzen. Het zal bovendien steeds moeilijker worden overeenstemming te bereiken. Renatio­nalisatie blijft bovendien altijd mogelijk zolang het integra­tieproces nog niet voltooid is.[2] Volledige voltooiing van de interne markt zou echter een reële machts­verschui­ving beteke­nen van de nationale staten naar Europa. Vergroting van zijn politieke macht zal echter ook de oppositie vergroten. Het Europa van de Burgers zou ontstaan, maar deze burgers zullen het dan ook weer kunnen laten verdwijnen: ook dan kan het proces nog gekeerd worden.[3]

Verbre­ding van de Unie zal interne differenti­atie noodzakelijk maken, wil men de samenwerking ook verdiepen. Een Europa van twee snelheden of meer is dus denkbaar.[4] Wat de positie van het Comité van de Regio’s zal worden, is ook nog onzeker. We onderscheiden de volgende mogelijkheden:

2A:De Europese Unie blijft bestaan uit de huidige zestien lidstaten, en wordt niet verder uitgebreid. Stabiliteit blijft gewaar­borgd, en verdieping van de samen­werking kan plaatsvinden.

2B:Het aantal lidstaten van de Europese Unie wordt verder uitgebreid. Door toetre­ding van kleinere landen (bijvoor­beeld Tsjechië, Slovenië, Zwitserland) kan een sterkere posi­tie voor de cultuurregi­o’s gereali­seerd worden. Er vindt echter geen verdieping van de samenwerking plaats.

2C:De Europese Unie wordt niet verder uitgebreid, omdat men eerst orde op zaken wil stellen in eigen huis. De be­sluit­vormingsproces­sen, die bemoei­lijkt worden door interne machtspolitiek, maken echter dat dit problema­tisch verloopt. Dit leidt tot een stagne­rende samenwer­king.

2D:De Europese Unie wordt verder uitgebreid, maar hierdoor kan geen verdie­ping tussen alle lidstaten van de samen­werking plaatsvinden. Er ontstaat een Europa van twee snelheden, waardoor algehele integratie vertraagd wordt. De toenemende complexiteit van de interne communica­tie zorgt bijvoor­beeld ook voor een beper­king van het Europe­se talenstelsel.

 

1.3De toekomst van de Nederlands-Vlaamse relatie

 

Nederland heeft pas recent ‘ontdekt’ wat er in België op staatsrechte­lijk gebied veranderd is. De notitie van minister Kooijmans geeft aan hoe Nederland positie kiest ten opzichte van deze nieuwe situatie. De Neder­lands-Vlaamse relatie zou zich bijvoorbeeld op de volgende manieren kunnen ontwikkelen:

3A:De betrekkingen die de afzon­derlij­ke departementen met België onderhouden blijven nog altijd op gebrekkige wijze gecoördi­neerd. Een samenhangend beleid ontbreekt.

3B:Een uitgebreid samenhangend samenwerkingsprogramma wordt opge­zet: dit omvat bijvoorbeeld de positie van het Neder­lands in de EU. De beleidsmati­ge positie van de Neder­landse Taalunie kan, dankzij deze samenhang, vergroot worden.

3C:Vergaande integratie van Nederland en Vlaanderen wordt gerealiseerd. Dit impliceert wederzijdse soevereiniteits­afstand, en consequent gezamenlijk optreden op internati­onale fora.

3D:Afname van de samenwerking, veroorzaakt door nationalis­me en verrecht­sing in België, hetgeen een chaotisch einde van de Belgische staat tot gevolg heeft.

 

2Drie­ scenari­o’s

 

Op grond van de bovenstaande mogelijkheden worden drie scena­rio’s samengesteld.

1.Een scenario waarin niet veel aan de huidige situatie met betrekking tot de Nederlands-Vlaamse samenwerking veran­dert, gebaseerd op 1A, 2C en 3A.

2.Een scenario dat uitbreiding van de samenwerking voor­ziet, met een confe­de­raal België in een Europa der Regi­o’s, gebaseerd op 1B, 2B en 3B.

3.Een scenario waarin uitbreiding van de samenwerking plaatsvindt, ten gevolge van het uiteenvallen van België en stagnerende Europese samenwer­king, gebaseerd op 1C, 2D en 3C.

 

2.1Scenario I: Tussen Benelux en Taalunie?

 

Het eerste scenario gaat ervan uit dat de relatie van Neder­land met Vlaanderen ongeveer zal blijven zoals hij nu is. Vlaanderen zal proberen zich zo autonoom mogelijk op te stel­len, maar blijft gebonden aan de Belgische eenheidsstaat. Nederland zal nooit mee willen werken aan het uiteenvallen van België, en zich daarom gereserveerd blijven opstellen ten aanzien van Vlaams onafhankelijkheids­stre­ven. Tenslotte zijn goede betrek­kingen met België vooralsnog minstens zo belang­rijk als goede betrekkingen met Vlaande­ren. De contacten met Vlaanderen zullen dus alleen aangehaald worden, waar dit door de Belgische staatsrechtelijke situatie noodzakelijk is. De huidige situatie, waarbij de samenwerking met België niet sterk gestructureerd is, zal dus kunnen blijven bestaan.

Ook op Europees niveau ontstaan er voorlopig geen redenen om de relatie met Vlaande­ren anders te gaan bezien. Hoewel Euro­pese besluitvorming moeizaam verloopt, vinden er geen institu­tionele veranderingen plaats. Het blijft Nederland mogelijk zijn economische belangen zelfstandig binnen Europa te behar­tigen. Dat dit soms niet lukt wegens over­schatting van de eigen machtspositie, is niet vol­doende reden om die machtspo­sitie actief te gaan vergroten door Vlaanderen tot deelna­me uit te nodigen, om de redenen hierboven aangehaald. De Neder­lands-Vlaamse relatie beweegt zich daarmee tussen de polen van het verouderde instru­ment van de Benelux, en het te vooruit­strevende instrument van de Taalunie, met daartussenin zeer vele ongestructureerde adhoc-contacten op vele niveaus en vele beleidsterreinen.

 

2.2Scenario II: Het Nederlands taalgebied als Europese cultuurregio?

 

Dit scenario voorziet in een intensivering van de Nederlands-Vlaamse samenwer­king, ingebed en gestructureerd in de Europese Unie middels het Europa der Regio’s. Het Europa der Regio’s, nu nog bestaande uit het zwakke instrument van het Comité van de Regio’s, maakt de meeste kans op verwezen­lijking door toetre­ding van nieuwe, kleine of middelgrote lidstaten.

Im­mers, in de huidige Europese Unie maken de grote lidstaten Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië de dienst uit. Deze natiestaten zullen uiter­aard hun machtsposi­tie willen behou­den. Versterking van de Regio’s, waardoor grensoverschrijdende politieke samen­werking mogelijk zou worden, zou ten eerste versterking van kleinere lidstaten betekenen. Nederland is met Vlaanderen samen immers machtiger dan apart, en dit geldt ook voor bij­voorbeeld Oostenrijk met Zuid-Tirol. Ten tweede zou het verzwakking van de grote lidstaten zelf betekenen. Hun deelstaten zouden minder afhankelijk worden van het centraal gezag, en zich daarbij ook nog eens kunnen verbinden met Regio’s over de grens, waardoor de machtspositie van het over­koepelende staatsverband uitgehold zou worden. Toetreding van nieuwe, kleinere lidstaten maakt de kans dus groter dat be­sluitvorming over uitbreiding van de bevoegdheden van de Regio’s mogelijk wordt. Naast toetreding van de Scandi­na­vische landen en Oostenrijk, zou de EU waar­schijnlijk op termijn in eerste instantie uitgebreid kunnen worden met Tsjechië, Honga­rije, Polen en Slovenië. Indien een antwoord gevonden kan worden op staatsrechtelijke en institutionele bezwaren, zou ook Zwitser­land kunnen vol­gen. Verbreding van de EU betekent echter wel dat inhoudelij­ke verdieping van de Europese samen­werking steeds moeilijker te realiseren zal zijn.

Het Europa der Regio’s is bij uitstek toegesneden op federale binnenlandse structu­ren. Om de mogelijkheden die Regio’s krijgen in Europa ten volle te benutten, zullen Regio’s dus streven naar zoveel mogelijk binnenlandse autonomie. Dit streven bestaat nu reeds ten aanzien van Vlaanderen. Er zullen vanuit Wallonië nu ook weinig bezwaren meer bestaan ten aan­zien van het omvormen van België tot een confederatie. Frank­rijk zal zijn betrekkingen met Wallonië sterk willen intensi­veren. Dit betekent dat Vlaande­rens natuurlijke bondgenoot Nederland zal zijn, en in tweede instantie Duitse deelsta­ten als Noordrijn-Westfalen. Vlaanderen zal zijn positie op inter­nationale fora zoveel mogelijk proberen te versterken. Een Vlaande­ren met een sterkere Europese positie zal voor Neder­land nu ook een aantrekkelij­ker partner zijn gewor­den dan voorheen. Ook bij Nederland ontstaat daarom de wens de betrek­kingen meer te structureren en waar moge­lijk te intensi­veren.

De behartiging van de gemeenschappelijke belangen in Europa zal vanzelf de eerste prioriteit worden waarop wordt samenge­werkt. Een van deze gemeenschappelijke belangen is bijvoor­beeld de positie van het Nederlands in de Europese instellin­gen. Verdediging daarvan zal verder kunnen gaan dan het uit­spreken van holle frasen, omdat de gezamenlij­ke machtspositie vergroot is. De beleidsmatige positie van de Taalunie wordt ook beter, aangezien de integrationistische opzet van dit Verdrag beter past in de nu ontstane politieke situatie.

Samenvattend zou de Europese positie van het Nederlandse taalgebied in dit scenario versterkt worden, omdat de voor­waarden voor vergrote samenwer­king geschapen zijn door de sterkere machtspositie van de Europese Regio’s.

 

2.3Scenario III: Samenwerking door schaalverkleining?

 

Ook vergroting van de Nederlands-Vlaamse samenwerking in het kader van Belgische en Europese schaalverkleining is denkbaar.

In Europa wordt al vaak hardop gedacht over een Europa van twee snelheden: landen die de doelstellingen van ‘Maastricht’ kunnen halen, gaan alvast een stap verder in de Europese samenwerking, en andere landen proberen later aan te sluiten. Met name de Zuideuropese landen krijgen immers moeite deze doelstellin­gen te halen. De kans op een Europa van twee snel­heden wordt groter indien relatief armere Midden- en Oosteuro­pese landen zouden toetreden. Dit ‘uiteenval­len’ van Europa kan bovendien bevorderd worden door de toenemende complexiteit in de Europese besluit­vorming: consensus wordt steeds moeilij­ker te bereiken, hetgeen bijvoor­beeld geïllustreerd wordt door de opvolgingscrisis voor het voorzit­terschap van de Europese Commissie. Besluitvorming opgesplitst in twee of meerdere groepen kan dan een oplossing zijn.

Het uiteenvallen van België volgens het model Tsjechië-Slowa­kije, bijvoor­beeld naar aanleiding van de grote geldproblemen van de centrale overheid, leidt opnieuw tot meer Europese lidstaten: Vlaanderen en Wallonië zullen zich aandienen. Vlaanderen heeft economisch de beste toekomstkansen. Aangezien Vlaanderen nu volledige soevereiniteit geniet, kan de samen­wer­king met Nederland nog intensie­ver worden. Voor Nederland is een econo­misch sterke zuiderbuur een aantrekkelij­ke part­ner, zeker wanneer de Europese samenwerking lijkt te stagne­ren. Tevens wordt samenwerking voor Nederland een politieke noodzakelijkheid, aangezien het uiteenvallen van België zal betekenen dat men te maken krijgt met een sterker Frankrijk aan de zuidgrens: Wallonië’s natuurlijke bondge­noot.

 

3Tenslotte

 

In deze scenario’s zijn mogelijkheden geschetst, geen voor­spellingen. De toekomst zou zich op een heel andere wijze kunnen presenteren dan hier aangegeven. Er kunnen wel enkele constanten in de scenario’s worden aangewezen, die steeds terug lijken te komen. Hiermee zal in de toekomst dan in elk geval rekening moeten worden gehouden:

1.Vlaanderen streeft hoe dan ook naar zoveel mogelijk autonomie. Dit houdt in dat Nederland altijd te maken zal hebben met een nieuwe zuiderbuur, die zich politiek actief opstelt.

2.Frankrijk is de natuurlijke bondgenoot van Wallonië: enerzijds vanwege de taalgemeenschap, anderzijds omdat Frankrijk door de geschiedenis heen altijd geïnteresseerd is geweest in invloed in de Lage Landen.

3.Het Europa der Regio’s kan niet gerealiseerd worden indien de machtsbasis ervoor ontbreekt. Aangezien het concept voor de grotere lidstaten niet aantrekkelijk lijkt, kan het derhalve alleen gerealiseerd worden indien deze lidstaten in de minderheid zullen zijn, dus na toetreding van nieuwe, kleinere lidstaten.

4.Nederland is alleen geïnteresseerd in samenwerking met Vlaanderen in situaties waarin het eigenbelang daarmee gediend is. In Nederland spelen idealistische gedachten aan een ‘Groot-Nederland’, evenmin als nationalis­me, een rol in de buitenlandse politiek ten aanzien van Vlaande­ren.

 

LITERATUUR

 

M.S. ANDERSON [1985]:

The ascendancy of Europe 1815-1914, Longman, Londen-New York.

  1. BARBER [1994]:

Een onbetamelijke familieruzie binnen de Europese Unie, NRC Handels­blad, 28.6.1994.

  1. BELTMAN [1985]:

De ontstaansgeschiedenis van de Benelux, (doctoraalscriptie), Utrecht.

  1. vanden BERGHE [1993]:

‘Vlaanderen en Nederland, vazallen of medespelers?’, in: Internationale Spectator, jrg. 47, p. 36-38, Clin­gendael, ‘s-Gravenhage.

E.S.A. BLOEMEN (red.) [1992]:

Het Benelux-effect; België, Nederland en Luxemburg en de Europese integratie, 1945-1957, NEHA, Amsterdam.

P.J. BLOK [1926]:

Geschiedenis van het Nederlandsche volk, Sijt­hoff, Lei­den.

A.J. BOEKESTIJN [1990]:

‘The formulation of Dutch Benelux policy’, in: R.T. Grif­fiths (red.): The Netherlands and the inte­grati­on of Europe 1945-1957, p. 27-48, NEHA, Amsterdam.

J.C. BOOGMAN [1962]:

‘Achtergronden en algemene tendenties van het buiten­lands beleid van Nederland en België in het midden van de 19e eeuw’, in: Bijdra­gen en mededelingen van het Histo­risch Genootschap, 76e deel, p. 43-73, J.B. Wolters, Groningen.

  1. van den BRANDE [1993]:

‘Beslissingsbevoegdheden van Vlaan­deren en de Belgi­sche federatie’, in: Internationale Spec­ta­tor, jrg. 47, p. 556-559, Clingendael, ‘s-Gravenhage.

  1. BRINCKMAN [1993]:

Vlaanderen is te klein; ‘buitenlands beleid’ stok­paardje van minister-presi­dent, De Morgen, 26.3.1993.

  1. BRUMMELMAN [1994]:

‘Lubbers was kwetsender dan Major’, NRC Handelsblad, 23.7.1994.

  1. van CLEEF, T.-J. MEEUS [1991]:

Moet Nederland blijven bestaan?, NRC Handelsblad, 30.12.­1991.

H.T. COLENBRANDER [1936]:

De afscheiding van België, Meulenhoff, Amsterdam.

G.J. COLIJN [1977]:

Regional integration: Benelux and its spillover effects on the European Community, University Microfilms International, Ann Arbor-London.

A.C.J. COMMISSARIS [1956]:

Leerboek der Nederlandse geschie­de­nis, tweede deel: van 1795 tot heden, Malmberg, ‘s-Herto­gen­bosch.

S.W. COUWENBERG (red.) [1981]:

De Nederlandse natie, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.

  1. vanden DAELE [z.j.]:

De Frans-Nederlandse taalgrens, Het Open Venster nr. 63, De Sikkel, Kapellen.

  1. DEBRABANDERE, W. de GEEST (red.) [1987]:

Het Nederlands in Europa; (G)één van de Negen?, V.A.N., Brussel.

  1. DOUWES [1993]:

Vernieuwde Taalunie ziet gouden kansen liggen, Trouw, 26.1.1993.

H.J. ELIAS, A.W. WILLEMSEN [1973]:

‘Beknopte geschiedenis van de Vlaamse Beweging’, in: Ency­clopedie van de Vlaamse Bewe­ging, pag. 17-47, Tielt.

D.-J. EPPINK [1993]:

Van den Brande kan brug slaan in Den Haag, De Stan­daard, 20.3.1993.

P.W.H. FASOL (red.), W. DUTHOY [1993]:

Het Nederlands in de instellingen van de Europese Gemeen­schap, Voorzetten 6, Stichting Bibliographia Neerlandica, ‘s-Gravenhage.

  1. FRUIN [1959]:

Tien jaren uit de 80-jarige oorlog; 1588-1598, Aula, Utrecht/Antwer­pen.

  1. FUKUYAMA [1992]:

Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, Con­tact, Amsterdam.

Gedeputeerde Staten N.-Brabant, Limburg, Zeeland [1992]:

Intentieverklaring inzake samenwerking tussen de provin­cies Noord-Brabant, Limburg, Zeeland, ‘s-Herto­genbosch 21.1.1992.

  1. GEYL [1958]:

Geschiedenis als medespeler, Aula, Utrecht/­Ant­werpen.

  1. GODDIJN [1991]:

‘Germania inferior’ als Nederlands schrik­beeld, NRC Han­delsblad, 17.12.1991.

R.T. GRIFFITHS [1990]:

‘The Common Market’, in: The Netherlands and the integra­tion of Europe 1945-1957, p. 183-208, NEHA, Amsterdam.

  1. van HAEGENDOREN [1983]:

Van taalstrijd tot staatshervorming, Davidsfonds, Leuven.

  1. HANEKAMP [1987]:

Benelux Economische Unie; de onbekende Europese integratie, (doctoraalscriptie), Utrecht.

B.M.J. HENNEKAM [1991]:

‘Benelux in de jaren ’90’, in: Studia diplomatica, vol. XLIV, 5, p. 45-56.

  1. HEYMAN [1993]:

‘De toekomst van het buitenlands beleid in het fede­rale België: eenheid in verschei­denheid of kakofo­nie?’, in: Internationale Spec­ta­tor, jrg. 47, p. 569-575, Clingen­dael, ‘s-Gravenhage.

  1. INGELAERE [1993]:

‘Culturele verscheidenheid, een Europese integratie­fac­tor?’, in: Internationale Spec­ta­tor, jrg. 47, p. 583-587, Clingendael, ‘s-Gravenha­ge.

H.P.H. JANSEN [1987]:

Prisma kalendarium; geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen, Prisma, Utrecht.

  1. JANSEN, J.K. de VREE [1988]:

The ordeal of unity, the politics of European integration since 1945, Prime Press, Bilthoven.

  1. JANSSENS, H.J. VANNISSELROY:

Retour Brussel-Amsterdam, Wolters-Noordhoff, Groningen.

  1. JENSMA [1993a]:

‘Nederlandse taal krijgt een officiële status in Euro­korps’, NRC Handelsblad, 24.11.1993.

  1. JENSMA [1993b]:

Europese Unie noemt alle talen gelijkwaardig, NRC Han­delsblad, 11.12.1993.

M.W. JURRIAANSE [1974]:

De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken 1813-1900, Leopold, ‘s-Gravenhage.

K.A. KALSHOVEN [z.j.]:

Benelux, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam-‘s-Gravenhage.

  1. KAPTEYN [1991]:

‘Onderhandelen in beschaving, over nationale civilisaties en Europese integratie: het voorbeeld Schengen’, in: T. Zwaan e.a. (red.): Het Europees labyrint; nationalis­me en natie­vorming in Euro­pa, Boom/SIS­WO, Am­ster­dam.

  1. KENNEDY [1989]:

The rise and fall of the great powers; economic change and military conflict from 1500 to 2000, Vintage Books, New York.

A.E. KERSTEN [1982]:

Maken drie kleinen een grote? De politieke invloed van de Benelux, 1945-1955, Van Holkema & Warendorf, Bussum.

C.A. van der KLAAUW [1953]:

Politieke betrekkingen tussen Nederland en België 1919-1939, Universitaire Pers, Leiden.

  1. KNIPPENBERG, B. de PATER [1990]:

De eenwording van Neder­land, Sun, Nijmegen.

  1. KOCH [1992]:

‘Herlevend nationalisme in Midden- en Oost-Europa: oude problemen, nieuwe perspectie­ven’, in: Jason, 17(2) april 1992.

P.H. KOOIJMANS [1991]: Internationaal publiekrecht in

                vogel­vlucht, Wolters-Noordhoff, Groningen.

P.H. KOOIJMANS [1993]:

De nieuwe bestuurlijke verhoudingen in België en de betrekkingen met Nederland, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 536, nr. 1.

E.H. KOSSMANN [1986]:

De Lage Landen 1780-1980; twee eeuwen Nederland en België, AGON/Else­vier, Amster­dam/Brussel.

E.H. KOSSMANN [1993]:

‘Het ingewikkelde verleden; afscheid van oude noties over de Bel­gisch-Nederlandse relatie’, in: Internati­o­na­le Spec­tator, Jrg. 47, p. 548-551, Clingen­dael, ‘s-Gravenha­ge.

J.A. KOSSMANN-PUTTO, E.H. KOSSMANN [1987]:

De Lage Landen; geschie­denis van de Noordelijke en Zuide­lijke Nederlanden, Stichting Ons Erfdeel vzw, Rekkem.

  1. LIMBURG [1992]:

De trage gang van een uniek taalverdrag; profiel van de Nederlandse Taalunie, NRC Handels­blad, 3.8.1992.

  1. MEIJER [1994]:

Weinig trek in een feestje voor zielloze Benelux; ‘Niet uit nostalgie, maar uit pure noodzaak’, NRC Handelsblad, 26.7.1994.

  1. MOURIK [1989]:

Culturele coëxistentie; een integrale bena­dering van buitenlands cultureel beleid, Boekmanstich­ting, Am­ster­dam.

  1. NAARDEN [1991]:

‘De Sovjetunie in de jaren negentig: drie scenario’s’, in: Internationa­le Spectator, Jrg. 45, p. 2-8, Clingen­dael, ‘s-Gravenhage.

Nederlandse Taalunie [1988]:

Het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie, Staatsdrukke­rij, ‘s-Gravenhage.

Nederlandse Taalunie [1989]:

Mag het een ietsje meer zijn? Verslag van de Algemene Conferentie van de Nederlandse Taal en Letteren 1988, Voorzetten 22, Stichting Bibliographia Neerlandica, ‘s-Gravenhage.

Nederlandse Taalunie [1993]:

‘Beleidskader voor de Neder­landse Taalunie in de jaren negen­tig’, Stichting Biblio­graphia Neerlandica, ‘s-Gra­ven­hage.

L.J.M. NOUWEN [1990]:

De geboorte van Limburg, Limburgsche Post, Beegden.

  1. NUYTTENS [1985]:

‘Uit de vroegste geschiedenis van het Comité flamand de France, 1853-1876’, in: J. Deleu (red.): De Franse Nederlanden – Les Pays-Bas Français, p. 85-126, 10e jaarboek, Stichting Ons Erfdeel vzw., Rekkem.

  1. van OSTA [1982]:

De Europese monarchie in de negentiende eeuw; het Britse en Duitse model, Sijthoff, Alphen aan de Rijn.

P.J. OUD [1954]:

Honderd jaren, 1840-1940; een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland, Van Gorcum, Assen.

  1. van OVERZEE [1948]:

Het humanisme als levensbeschouwing in de Nederlanden, Hafkamp, Amsterdam.

  1. van OVERZEE [1955]:

Het moderne humanisme in Nederland, Van Stockum, ‘s-Gravenhage.

J.C.H. de PATER [1941]:

Nederland-Vlaanderen; de scheiding der 16e eeuw his­to­risch belicht, C.J. Terwee, Putten.

  1. van de POEL [1993]:

Het beeld van Vlamingen en Nederlanders in het bui­ten­land, in: Ons Erfdeel, jrg. 36, nr. 3, 1993.

  1. POSTMA [1993]:

‘Een ambitieus project van de Vlaamse regering’, in: Internati­o­na­le Spec­tator, Jrg. 47, p. 594-596, Clin­gen­dael, ‘s-Gravenhage.

(redactio­neel) [1993a]:

Het Nederlands wordt geen officiële taal van Merken­bureau Europa, NRC Handelsblad, 7.12.1993.

(redactioneel) [1993b]:

Kabinet vindt Nederlandse tekst op etiket onnodig, de Volkskrant, 30.3.1993.

(redactioneel) [1994a]:

Gezamenlijke aanpak asielzoekersprobleem; ‘Benelux en Duitsland moeten Mini-Schengen vormen, Dagblad voor Noord-Limburg, 7.4.1994.

(redactioneel) [1994b]:

D’Ancona wil vereniging culturele betrekkingen, NRC Handelsblad, 19.4.1994.

(redactioneel) [1994c]:

De wedloop voorbij, NRC Handelsblad, 25.6.1994.

(redactioneel) [1994d]:

‘Nederland-Vlaanderen, (grens)regio in Europa’, in: Buren, Jrg. 3, p. 21-24.

  1. de RIDDER [1984]:

Het andere Brussel; pleidooi voor een posi­tieve bena­de­ring, Soethoudt, Antwerpen.

  1. en A. ROMEIN [1949]:

De Lage Landen bij de zee, geïllustreerde geschiedenis van het Nederlandse volk, W. de Haan, Utrecht.

F.G. de RUITER [1994]:

Maij ligt niet wakker van Vlaamse weigering waterver­drag te tekenen, NRC Handelsblad, 24.4.1994.

N.C.F. van SAS [1989]:

‘Vaderlandsliefde, nationalisme en vaderlands gevoel in Nederland, 1770-1813’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg. 102, p. 471-495.

  1. SCHAMA [1989]:

Patriotten en bevrijders, Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813, Agon, Amster­dam.

  1. SCHEFFER [1994]:

Voorbij het oceanische gevoel, NRC Handelsblad, 25.7.1994.

J.H. SCHEPS [1981]:

Verenigd Europa als gemeenschap van vrije volkeren, Friese Pers Boekerij, Leeuwarden.

A.P. SCHMIDT, Y.C.L.M. van DONGEN [1987]:

Buitenlands cultu­reel beleid, een terreinver­kenning, WRR, ‘s-Graven­ha­ge.

  1. SCHÖFFER, H. van der WEE, J.A. BORNEWASSER [1988]:

De Lage Landen van 1500 tot 1780, Agon, Amsterdam.

J.G. SICCAMA [1991]:

Vermeend recht op zelfbeschikking stuit op probleem, NRC Handels­blad, 12-7-1991.

J.G. SICCAMA, J.Q.Th. ROOD (red.) [1992]:

Grenzen aan de Europese integratie, het Westerse antwoord aan Oost-Europa, Van Gorcum, As­sen/Maastricht.

  1. van der SPEK [1994]:

Interview Hedy d’Ancona: ‘Positie van het Nederlands moet gehand­haafd blijven’, Taalschrift, nr. 2, 1994.

A.M. STUYT [1953]:

Repertorium van door Nederland tussen 1813 en 1950 geslo­ten verdra­gen, Staatsdrukke­rij, ‘s-Gravenha­ge.

  1. de SWAAN [1991]:

‘Het Nederlands in het Europese talen­stelsel’, in: T. Zwaan e.a. (red.): Het Europees labyrint; nationalis­me en natie­vorming in Euro­pa, Boom/SISWO, Am­ster­dam.

  1. SYBESMA-KNOL, K. WELLENS [1987]:

Enige volkenrechtelijke vragen rond de Nederlandse Taal­unie, Voor­zetten 10, Stich­ting Bibliographica Neerlandi­ca, ‘s-Gravenhage.

Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Staatsuitge­verij, ‘s-Gravenhage.

  1. VANDAELE (red.) [1985]:

Noord-Zuid ontmoetingen 1980-1985, Stichting Algemeen Nederlands Congres, Waver.

  1. VANDAELE (red.) [1994]:

Nederland-Vlaanderen 1990-1994, Stich­ting Algemeen Neder­lands Congres, Brussel/Amster­dam.

  1. te VELDE [1991]:

‘Nederlands nationaal besef vanaf 1800’, in: T. Zwaan e.a. (red.): Het Europees labyrint; nationalisme en natievorming in Europa, Boom/SISWO, Amsterdam.

Vlaamse Raad [1992]:

Ontwerp van decreet houden­de de algemene uitgavenbe­gro­ting van de Vlaamse Gemeen­schap voor het begro­tingsjaar 1992; Verslag na­mens de Commis­sie voor Buiten­landse en Externe Aangelegenheden, Stuk 15 (BZ 1992) – Nr. 6-B, 22 mei 1992.

J.J.C. VOORHOEVE [1985]:

Peace, profits and principles, a study of Dutch for­eign policy, Martinus Nijhoff, Leiden.

J.K. de VREE [1984]:

Foundations of social and political processes, the dyna­mics of human behaviour, politics, and society; volume 1: theory, Prime Press, Bilthoven.

G.L. WEIL [1970]:

The Benelux nations; the politics of small-country democracies, University of California, Santa Barbara.

  1. WERA, E. NORDLOHNE (red.) [1991]:

Een veel te be­schei­den viooltje; de Nederlandse Taal­unie 1986-1990, ‘s-Gravenha­ge.

  1. WILS [1992]:

Van Clovis tot Happart, de lange weg van de naties in de Nederlan­den, Garant, Leuven/Apel­doorn.

  1. WILS [1993]:

‘Natievorming in België, Vlamingen en Walen in wisselwer­king’, in: Internationale Spectator, jrg. 47, p. 552-555, Clingendael, ‘s-Gravenhage.

  1. YSEBAERT [1992]:

Politicograaf, politiek zakboekje 1992, Kluwer Edito­riaal, Zaventem 1992.

     [1] De technische opzet van deze scenario’s is ontleend aan: Naarden [1991]: p. 2-8.

     [2] Vgl. J.Q.Th. Rood in: Siccama [1992]: p. 88-89.

     [3] Vgl. Jansen & De Vree [1988]: p. 398.

     [4] J.Q.Th. Rood in: Siccama [1992]: p. 99.

 

 

Verder lezen: