Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen in Nederlands-Indië 26233 Ne­derland­se doden, en werden vele tienduizenden in kampen geïnterneerd. De ver­schrikkelijke omstandigheden worden tot op de dag van vandaag door de overlevenden met zich meegedragen.

Beknopt historisch overzicht.

In 1951 werd het Verdrag van San Francisco getekend. Japan werd hierbij verplicht tot het betalen van herstelbetalingen, o.a. ten gunste van ex-gevangenen. In Art. 14(V)b werd bepaald dat van uit de oorlog voortvloei­ende vorderingen afstand gedaan werd. Over dit artikel ontstond vervolgens een briefwisseling tussen de Nederlandse Minister van Buiten­landse Zaken Stikker en zijn Japanse ambtgenoot Yoshi­da. Stikker stelde dat particu­liere vorderingen konden blijven bestaan inge­volge van het Nederlands Recht. Yoshida ging hiermee akkoord, maar verklaarde dat genoegdoening wegens het verdrag niet moge­lijk zou zijn. Dit leidde tot het protocol van l956 tussen Neder­land en Japan waarbij Japan zich ver­plichtte smartegeld te betalen t.b.v. Neder­landse onderda­nen. Deze bedroeg ¦ 400,= per per­soon.

In Februari l989 werd Keizer Hirohito begraven. De begrafenis werd door Nederland met de kleinst mogelijke delegatie bijgewoond, door de Minister van Buitenlandse Zaken H. van den Broek. Na Hirohi­to’s dood zijn de belemmeringen voor een Nederlands staatsbezoek aan Japan wat Nederland betreft weggenomen.

In 1990 werd de Stichting Japanse Ereschulden opgericht (voorzit­ter: Dhr. Lapre), met als doelstel­ling genoegdoening van Japan te verkrij­gen voor het geleden leed van de ca. 75000 Nederlanders onder de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, naar voor­beeld van de Duitse Wiedergutma­chung. Als bedrag werd genoemd $ 20.000,=, het bedrag dat door de VS werd betaald aan Japanse Amerikanen die tijdens de oorlog geïnter­neerd werden. De enige juridische weg die de Stich­ting openstaat is de Nederlandse rechter laten beslissen of de clausule uit het verdrag van 1951 ‘houdende afstand van verdere vorderin­gen’ rechtmatig was. Voor het overige kan zij slechts hopen op de Japanse welwillendheid.

In Juli l99l bracht premier Kaifu van Japan een bezoek aan Neder­land als voorzitter van de Europese Gemeenschap. Kaifu legde een krans voor het Indisch Monument in Den Haag en maakte een buiging. Op een besloten bijeen­komst verklaarde hij dat Japan “oprecht berouw” heeft over hetgeen Neder­landers in Japanse gevangenschap hebben moeten ondervinden. De krans zou later in het water gegooid worden. De Nederlandse premier Lubbers raakte in conflict met de Indische Gemeen­schap toen hij hierop verklaarde dat hiermee “de kous af was”. Bovendien werd het de SJE onmoge­lijk gemaakt aan Kaifu een petitie aan te bieden.  Tijdens de kranslegging bij het Indisch Monument op 15 Augustus kwam hem dit o.a. op een hem toegeworpen rauw ei te staan.

Op 24 October 1991 vond het staatsbezoek van Koningin Beatrix, in gezel­schap van Prins Willem-Alexander en enkele Nederlandse ondernemers plaats. De Koningin bracht tijdens een galadiner de gevoelens van de Indische oorlogsslachtoffers onder woorden: “Door de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog is er een diepe kloof ontstaan tussen onze twee volken. Een groot aantal Nederlanders werd slachtoffer van de oorlog in de Pacific. Sommigen waren daarbij betrokken als militairen, maar ook werden meer dan honderdduizend burgers jarenlang geïnterneerd. Dat is een hoofd­stuk uit onze geschie­denis dat in Uw land minder bekend is. Veel van mijn landgeno­ten overleefden de oorlog niet en degenen die terugkeerden, zijn voor het leven getekend door hun ervaringen. Met het gevolg dat zij daar, ook al zijn er sindsdien vele jaren voorbijgegaan, nog steeds onder lijden”. De Japanse minister van Buitenlandse Zaken verklaart berouw te hebben over de “ongelukkige ervaringen” van Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog.

1.  Op welke manieren kan de ereschuld-problematiek, die de Neder­lands-Japanse relaties al jarenlang vertroebelt, de wereld uit worden geholpen?

Op het ogenblik lijken er twee mogelijkheden te zijn waarop de problema­tiek kan worden opgelost: één mogelijkheid is een openbare spijt­betuiging door de Japanners, in het ideale geval vergezeld van een finan­ciele schadevergoeding. De tweede mogelijkheid is het uitsterven van de genera­tie die de kampen heeft meegemaakt. In het verleden waren er méér obsta­kels: Keizer Hirohito werd door de slachtoffers mede verantwoordelijk geacht voor de Japanse oorlogsmis­daden. Zijn overlijden bracht hier de oplossing.

Ook de politiek zag Hirohito als obstakel. Dit blijkt uit het feit dat door diens overlijden de weg politiek vrij was geworden voor een toekom­stig staatsbezoek aan Japan, alsmede uit de kleine afvaardi­ging naar diens begrafenis.

2.  Welke zijn de redenen waarom de Indische Gemeenschap, en in het bijzonder de SJE, nu aanspraak maken op schadevergoe­ding?

De SJE stelt dat de vergoeding van Japan die voortvloeide uit het protocol van ’56 in verhouding veel te klein was; Joodse slachtof­fers kregen bijvoorbeeld ¦ 2000,= van Duitsland. Nu was Japan in de jaren na de oorlog niet rijk en moest het een anti-communistisch bolwerk worden, zodat er niet te veel problemen gemaakt konden worden door Nederland. Nu is Japan echter één der rijkste landen van de wereld.

Een tweede reden dat men er nu mee komt is de recentelijke toeken­ning van $ 20.000,= schadevergoeding door de VS aan Japanners die tijdens de oorlog geïnterneerd werden: “als zij er recht op hebben, dan wij zeker!”

Als derde reden noemt het SJE dat vele oorlogsslachtoffers na de oorlog een bestaan moesten zien op te bouwen. Nu ze met pensioen zijn hebben ze eindelijk tijd om zich ervoor in te zetten.

3.  Hoe groot is de (politieke) steun voor dit streven van de SJE?

De politiek geeft weinig tot geen steun aan de pogingen van de SJE. Velen hebben zelfs het gevoel tegengewerkt te worden, waarbij premier Lubbers de meeste verwijten worden gemaakt, omdat hij elke gelegenheid te baat neemt om te verklaren dat de zaak nu afgedaan is. De politiek legt duidelijk de prioriteit bij goede betrekkingen met Japan, met name om economische redenen. Vanuit de politiek is ook niet veel haalbaar. Konin­gin Beatrix’ toespraak in Japan wordt gezien als het politiek maximaal haalba­re. De partijpolitiek bemoeit zich over het algemeen niet met de ereschuldproblematiek vanuit een bepaalde erecode.

De SJE spreekt ook niet voor alle slachtoffers, dat is althans de mening die R. Kousbroek, zelf ex-geïnterneerde, in het NRC Handels­blad naar voren heeft gebracht. In zijn ogen hebben de Nederlanders niet veel reden om te rekenen op schadevergoeding. De prioriteit zou moeten liggen bij de Aziatische slachtoffers. Dit zijn er veel meer, en ze zijn veel armer dan de Nederlanders. De Nederlandse slachtoffers zouden ook te veel willen (twintig maal zoveel als de Joden kregen van Duitsland, en dat waren dan nog wel slachtoffers van een systematische uitroeiing). Volgens Kousbroek speelt bij de haat tegen de Japanners racisme een rol, voortko­mend uit het koloniale verleden. En in dat koloniale verleden heeft Nederland soortgelijke misdaden gepleegd waarvoor ook nooit iets is betaald. De Amerikaanse $ 20.000,= was bestemd voor eigen staatsburgers: een civiele regeling dus, die hier irrelevant is. Verder stelt hij dat Nederland zelf Japan de oorlog heeft verklaard. Hiertegen is echter wel aan te voeren dat op dat moment Ned. Indië al aangevallen was.

Kousbroek wil een objectief correct geschiedbeeld; de slacht­offers willen vooral hun persoonlijke verhaal op een rijtje krijgen. Deze ver­schillen van invals­hoek hebben vele misverstanden opgeleverd.

4.  Hoe groot zijn de kansen dat de SJE succesvol zal zijn?

Die kansen zijn klein. De Stichting kan alleen hopen op de Japanse vrijgevigheid, voortkomend uit hun behoefte aan een positief internatio­naal imago.

Zij hebben echter te maken met het feit dat vele Chinezen, Korea­nen en andere Aziaten ook recht op schadevergoeding kunnen doen gelden. Dit zou een lawine van claims veroorzaken van ca. 5 à 10 miljard gulden.

Ian Buruma stelt in NRC Handelsblad dat geschiedenis wordt gemy­thologiseerd. Personen zullen de nadruk leggen op die gebeurtenis­sen die zij zelf meemaakten. Nederlanders denken bij de Tweede Wereldoorlog aan de Duitsers, Joden aan de Holocaust, Chinezen aan het bloedbad van Nanking, Koreanen aan de Japanse mijnen en Japanners aan de atoombom. En dit brengt ons op een laatste probleem: de Japanners hebben door de atoombom de mogelijkheid gekregen zichzelf als slacht­offer te zien, waardoor het schuldbesef verdrongen is. Al deze oorzaken maken dat de kans op enige schadevergoeding bijzonder klein moet worden geacht.

Paper in het kader van de studie Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Universiteit Utrecht, februari 1992.

Verder lezen: