Toen ik een manneke van een jaar of 9 was, las mijn vader mij het boek ‘de Hobbit’ voor. Wie het kent hoef ik het niet uit te leggen: een verhaal over 13 dwergen die hun kostbare schat moeten zien terug te krijgen van de draak die hem gestolen had. Volgens de tovenaar Gandalf is de hobbit Bilbo Balings de aangewezen persoon om de klus te klaren.

Het verhaal begint ermee dat de hobbit tegen wil en dank wordt gerecruteerd om met de dwergen op avontuur te gaan.

Daar heeft hij, om het maar kort en bondig te zeggen, helemaal geen zin in. Hij heeft genoeg aan zijn dagelijkse beslommeringen, waarmee hij het druk genoeg heeft. Aan avonturen heeft de hobbit geen enkele behoefte.

Maar hoewel de dwergen onaangekondigd bij hem aanbelden, al zijn voorraden opaten, en te laat naar bed gingen, voelt Bilbo zich de volgende ochtend toch moreel verplicht achter de dwergen aan te rennen, op avontuur, terwijl ze zelfs zonder hem al vertrokken waren.

Op dit moment lees ik datzelfde boek – hetzelfde exemplaar zelfs – aan mijn dochter van 9 voor. Het is nog steeds even spannend.

En ik toen moest ik een beetje aan onze afdeling denken. Een mooie club enthousiaste mensen op avontuur, om de zetels terug te winnen die we verloren zijn, met een verhaal dat staat als een huis.

Wij hebben geen tovenaar. We hebben wel de beste fractie van de Goudse Raad, leden die de schouders eronder willen zetten, jong en oud, en een bestuur dat weer van start wil. Maar we hebben, zoals u weet,  wel nog iemand nodig: een voorzitter van de afdeling. Op het moment van schrijven is die zoektocht in volle gang.

Ik hoop – ik weet zeker – dat in het volgende nummer de ontknoping van dit verhaal zal staan, en dat u op deze plaats dan een stukje zult lezen van onze nieuwe voorzitter. Misschien bent u dat wel.

Verschenen als voorwoord ‘Van de voorzitter’ in het ledenblad van het CDA-Gouda, november 2011.

Verder lezen: