Fanfare ‘Concordia’ van Wanssum werd opgericht in 1876. Een fanfare dus van een eerbiedwaardige leeftijd en respectabele prestaties. Daarover later meer.

Ik herinner mij een ambitieus bestuur. President (men sprak in die wereld niet van voorzitter) was P. Timmermans (Meis Tum, de vader van Toos Almelo), secretaris ons vader Piet van Els, leden waren Wijnhoven de koster, Tax, Rutten en nog enkele heren. En minstens zo ambitieus was de dirigent, Jan Wijnhoven of Kös Jan. In die jaren trad de fanfare regelmatig op bij allerlei gebeurtenissen, zoals kerkelijke plechtigheden, processies, serenades, bijvoorbeeld bij de gouden bruiloft van mijn grootouders Van Els – Gravendijk, treurmuziek bij begrafenissen van leden en
belangrijkere mensen uit het dorp.

In zo’n dorp als Wanssum (ik denk dat zoiets voor alle plaatsen in Limburg en Brabant geldt) was de fanfare een algemeen belang, waarvoor men zich vele offers getroostte in financiële zin zowel als in persoonlijke inzet. Voor de oorlog ’40-’45 was de Wanssumse fanfare al op weg om een van de beste muziekgezelschappen in de buurt te worden. Wellicht was het ‘concours-wezen’ wat minder streng gereguleerd dan heden ten dage, maar er werden frappante resultaten bereikt.

Zo herinner ik mij nog zeer goed het concours in Putten in 1939 op de tweede Pinksterdag. De fanfare trad toen op in de afdeling Uitmuntendheid. Zij behaalde toen de Eerste Prijs, de Ereprijs en de Directeursprijs. Ik geloof dat de dirigent toen een bescheiden salarisverhoging kreeg.

Tijdens de oorlogsjaren lag de zaak natuurlijk helemaal stil. De instrumenten moesten worden ingeleverd of ze raakten in ernstige mate beschadigd, of ze werden tijdens de evacuatie (door
wie?) ontvreemd. Maar spoedig na de oorlog konden weer nieuwe instrumenten worden aangekocht, mede met hulp van gelden uit de ‘oorlogsschadevergoedingsregelingen’. Het muzikaal niveau was inmiddels op een lager peil geraakt, zodat men min of meer van voren af aan moest beginnen.

Zo startte de fanfare weer in 1947 op het concours in Nuenen in de Eerste Afdeling. Daar werd wel meteen een eerste prijs behaald, zodat men in 1949 weer in de afdeling Uitmuntendheid mocht
uitkomen.

Heel interessant waren de repetities, vooral die ter voorbereiding van een concoursdeelname. Dan haalde Kös Jan de in Noordlimburgse contreien zeer bekende dirigent Dietz uit Tienray als gastdirigent er bij. Dietz was in staat om een blazer zo zenuwachtig te maken dat hij steeds zachter ging spelen en tenslotte geen enkel geluid meer kon produceren, waarna Dietz nuchter opmerkte: ‘zo zacht moet het gespeeld worden’.

Onderling organiseerden de fanfares en harmonieorkesten zogenaamde festivals. Dat waren geen concoursen, maar meer gezelligheidsbijeenkomst waarbij de fanfares en harmonieën om beurten optraden met zelf gekozen stukken; en gewoonlijk werd er ook stevig bij gedronken.

Vader was in 1948 President van de fanfare geworden. In de latere jaren ging hij vanwege zijn wankele gezondheid niet altijd meer mee naar die festivals.

Ik ging dan in zijn plaats (in die tijd was ik student in Nijmegen), samen met Joop Hanck (student in Amsterdam). Litjens Louis noemde ons ‘de natte brigade’.

Even terug naar die concoursen. Het ging in die jaren crescendo. Na de afdeling Uitmuntendheid werd de Ere-afdeling bereikt. In 1962 trad Kös Jan terug als dirigent; Van den Kroonenberg uit Arcen was zijn opvolger. Onder zijn vooruitstrevend beleid bereikte de fanfare het hoogtepunt: te weten de Eerste Prijs (314,5 punten) in de afdeling Superieur (ook wel Eerste divisie genoemd) op het Wereld Muziek Concours (WMC) in Kerkrade in 1978. Onder meer het Algemeen Dagblad wijdde aan de Wanssumse fanfare een hele pagina.

De 314,5 punten betekenden een ruime Eerste Prijs, behaald dankzij dirigent Van den Kroonenberg, die knap voortbouwde op het werk van Kös Jan. Ik ben zelf niet bij dit WMC geweest, maar met enige trots heb ik het in het AD gelezen en ik heb er over horen vertellen. Daarna is er natuurlijk enige terugslag ontstaan. Wellicht was de jeugd enigszins fanfaremuziek-moe geworden. Overigens, heb ik me laten vertellen, schijnt het nu weer een beetje beter te gaan.

Beroepsmuzikanten hebben in de Wanssumse fanfare nooit meegespeeld in tegenstelling tot diverse andere fanfares en harmonie-orkesten in Limburg en Brabant. Allemaal eigen kweek, amateurs dus. Vroeger speelden uitsluitend mannen bij de fanfare, maar tegenwoordig ook veel vrouwen, vooral uit Geysteren, vertelde men mij. Bovendien is er een drumband, terwijl ook een
majorettengroep optreedt.

Merkwaardig is, dat men sommige onbenulligheden nooit vergeet, b.v. na de geweldige triomf in Putten op 2e Pinksterdag 1939 viel het mij de volgende dag op, dat de studenten van het gymnasium in Venray (ik zat toen in de 1e klas, Klein Figuur heette dat) voor deze triomf geen enkele belangstelling hadden, daarvan niks wisten, wat een barre teleurstelling voor mij
was.

In de bus op weg naar Putten, in de buurt van Nijmegen, vroeg Verlinders Jèr aan onze Jan (die zat toen al in de 3e klas, Grammatica geheten, en hij werd als ongeveer de knapste van Wanssum beschouwd), wat toch die hoge draden betekenden. Hierop antwoordde Jan dat het ‘hoogspanningsdraden’ ‘waren, waarna Jèr opmerkte: ‘dat het hoog is, zie ik ook wel, maar of het spannend is, weet ik nog zo krek niet’, hetgeen zijn collega fanfareleden een heel geestige opmerking vonden; de hele bus bulderde van het lachen.

In Putten betaalden wij, Jan, Harrie en ik, geen entreegeld. Hoe vader ons heeft binnengesmokkeld, weet ik niet meer.

In Putten was het hoogzomers weer. Rondkijkend merkte Van der Heydens Ties met enige ergernis (of misschien ook wel jaloezie) op: ‘hier vreeje de vrollie mit de kels’. Er werd geroddeld, dat Kös Jan alvorens aan een concours deel te nemen, informeerde of ook ene Van Leest in de jury zat. Na dat het geval bleek te zijn, kocht Jan de partituren bij die Van Leest in Eindhoven. Enzovoorts, enzovoorts, flauwe kul allemaal!

Hoe het er momenteel met de fanfare voorstaat, kan ik vanzelfsprekend niet beoordelen. Ik heb mij laten vertellen, dat er op dit moment geen secretaris en penningmeester zijn, zodat de zaken bestuurlijk niet lopen zoals het hoort. In hoeverre dat een nadelige invloed heeft op het muzikale peil, weet ik evenmin. Maar gunstig lijkt mij die situatie niet. Misschien moet Peter Eggenhuizen daar eens poolshoogte nemen!

Behalve uit eigen herinneringen heb ik kunnen lezen in nota’s en mondelinge informatie gekregen van Jan Vennekens uit Geysteren die van omstreeks 1979 tot voor kort secretaris van de fanfare was (hij is getrouwd met een dochter van Herman Rutten, die weer een neef is van ons moeder). Ook heb ik met plezier gelezen wat Hent Timmermans, de toenmalige secretaris, in 1976 schreef in een gedenkboekje over de 100-jarige fanfare Concordia.

Mathieu
Zoetermeer, september 2002.

P.S.

1. Mathieu heeft in 1976 aan de toenmalige President van de fanfare, Wijers Jan, via een brief uiteen gezet, hoe de procedure in Den Haag verliep, als men voor de fanfare het predikaat ‘Koninklijk’ wilde verwerven. Zijn hulp, en wellicht die van Henriette Poels-Peters, lid van de Provinciale Staten, heeft niets opgeleverd. Helaas!

2. Van1949 tot 1993 heeft de fanfare 17 maal deelgenomen aan een concours, waarvan 13 keer een eerste prijs, en wel 5 maal in de afdeling Superieur.

3. Rond 1970 telde de fanfare met drumband en korps majoretten ongeveer 100 leden.

4. Meer van dit soort gegevens, kranten-knipsels met (vage) krantenfoto’s, kopieën van de uitspraken en cijfergeving van de jury bij het wereldmuziekfestival, in Kerkrade in 1978 heb ik in mijn bezit. Ik zal alles bewaren. Wie er belangstelling voor heeft, hij melde zich bij

Leo

Dit artikel verscheen in Familiekrant Van Els, nr. 9, oktober 2002.

Verder lezen: