Português

Português

Italiano

Italiano

Français

Français

Español

Español

Union Jack

English

Ελληνικά

Ελληνικά

Deutsch

Deutsch

Dansk

Dansk

In het eerste halfjaar van 1995  deed ik een stage bij het Europese Comité van de Regio’s in Brussel. Ik schreef daar een notitie over de betrekkingen tussen het toen nog maar pas opgerichte Comité van de Regio’s en het Europees Parlement. Deze betrekkingen waren stroef en het doel van de notitie was om de verdeling van de bevoegdheden tussen Comité en Parlement te verhelderen. De notitie werd gebruikt in de plenaire sessie van het Comité in juli 1995, en – tot mijn fascinatie – in 9 talen vertaald.

 

TOESPRAAK VAN DE HEER K. HÄNSCH VOOR DE VOLTALLIGE VERGADERING

                                          VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S

                                                             OP 20 JULI 1995

Bijgaand dossier is door het secretariaat-generaal samengesteld met het oog op het tijdens de zitting van het Comité van de Regio’s te voeren debat met de voorzitter van het Europees Parlement, de heer HÄNSCH.

De bedoeling is inzicht te geven in de huidige betrekkingen met het Europees Parlement en de mogelijkheden om deze banden te aan te halen.

INHOUD:

1.Curriculum Vitae van de heer HÄNSCH.

2.Tekst: “De betrekkingen tussen het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s”.

3.Het door het Comité van de Regio’s op 21 april 1995 goedgekeurde advies over “De herziening van het Verdrag betreffende de Europese Unie”.

4.De door het Europees Parlement op 17 mei 1995 aangenomen “Resolutie over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie in het vooruitzicht van de Intergouvernementele Comferentie van 1996 – Verwezenlijking en ontwikkeling van de Unie”.

 

1.Het Comité van de Regio’s heeft zich sinds zijn oprichting ingezet voor nauwe betrekkingen met het Europees Parlement. Het hecht daaraan grote waarde, omdat het Parlement een fundamentele rol speelt bij de verkleining van het democratisch tekort. In dit document wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Parlement en het Comité vanaf de oprichting van het Comité tot de voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie van 1996.

I.DE ROL VAN HET EUROPEES PARLEMENT BIJ DE OPRICHTING VAN HET COMITE VAN DE REGIO’S

2.Het Europees Parlement heeft in de loop van zijn bestaan meermalen blijk gegeven van zijn wil, te bevorderen dat de regionale en lokale autoriteiten meer bij het Europees besluitvormingsproces betrokken worden. Reeds in zijn resolutie van 22 april 1982[1] stelt het dat “gezorgd dient te worden voor een zo groot mogelijke ‘inspraak’ van de zijde van de plaatselijke en regionale overheden”. In zijn resolutie van 13 april 1984[2] merkt het Parlement op dat “de Europese Gemeenschap behoefte heeft aan een gelegitimeerde gesprekspartner, o.a. op het gebied van het communautaire regionale beleid, die namens de lokale en regionale overheden in de Europese Gemeenschap kan spreken”.

3.Kort daarna, op 13 februari 1985, laten Europees Parlement, Raad en Commissie in een gezamenlijke verklaring[3] weten dat zij “overtuigd zijn van het belang van doeltreffender contacten tussen de Commissie van de  Europese Gemeenschap en de regionale (en in sommige gevallen lokale) autoriteiten (…). Hierdoor zou het mogelijk zijn bij het opstellen van regionale ontwikkelingsprogramma’s en van programma’s met specifieke maatregelen beter met regionale belangen rekening te houden”.

4.Op 18 november 1988 stelt het Europees Parlement in een resolutie over het regionaal beleid van de Gemeenschap en de rol van de regio’s[4] een “decentralisatie van bepaalde taken (…) naar regionale overheden die de volkswil vertegenwoordigen” voor, hetgeen zal leiden tot “bekendheid met en betrokkenheid bij het communautaire beleid van de Europese burger”. Het acht het van wezenlijk belang dat “elke fase van het Europese eenwordingsproces voorziet in de mogelijkheid tot institutionalisering van de democratische vertegnwoordiging van de regio’s en aan de regionale en aan de regionale en lokale overheden de bevoegdheden toekent die zij nodig hebben om een actieve rol te kunnen spelen bij de politieke, sociale en economische eenwording van Europa”. In zijn resolutie van 12 december 1990[5] stelt het Parlement de oprichting voor van een “Comité van de regio’s en lokale bestuurseenheden (…) dat een adviserende functie heeft, bestaat uit leden van de op regionaal of plaatselijk niveau gekozen organen”.

5.Tijdens de onderhandelingen over het Verdrag betreffende de Europese Unie besluiten de lid-staten – gesteund door het Europees Parlement – een Comité van de Regio’s op te richten. In zijn resolutie van 14 oktober 1992[6] wijst het Parlement er opnieuw op dat “het Verdrag betreffende de  Europese Unie in zijn huidige vorm dient te worden geratificeerd, ten einde zo spoedig mogelijk in werking te kunnen treden” en verwacht het van de leden van de Europese Raad dat “zij zich hiertoe opnieuw zullen verplichten”. In de eerste resolutie over het Comité van de Regio’s (23 april 1993)[7] die het na ondertekening van het Verdrag betreffende de Europese Unie aanneemt, verklaart het Parlement:

-“… dat het Comité van de Regio’s moet worden gezien als een belangrijk element in het ontstaansproces van de  Europese Unie en dat zijn huidige vorm niet als definitief mag worden beschouwd: het Comité dient zichzelf bezig te houden met de wijze waarop de vertegenwoordiging en de participatie van de regionale en lokale overheden kan worden versterkt met het oog op de herziening van het Verdrag in 1996 en de toekomstige Grondwet van de Europese Unie”.

6.In dezelfde resolutie stelt het Parlement dat aan de volgende eisen moet worden voldaan:

-de leden van het Comité dienen “gekozen te zijn op sub-nationaal niveau en/of over een rechtstreekse democratische legitimiteit te beschikken tegenover een regionale of lokale volksvertegenwoordiging” en het Comité “moet beschikken over voldoende financiële middelen en medewerkers en over volledige zeggenschap op het punt van personeelsbezetting en -budget”.

7.In zijn “Resolutie over deelname en vertegenwoordiging van de regio’s bij de opbouw van Europa: het Comité van de Regio’s” van 18 november 1993[8] uit het Europees Parlement zich als volgt:

-het “meent dat artikel 3 B van het EG-Verdrag, dat het subsidiariteitsbeginsel het criterium noemt voor de uitoefening van de bevoegdheden die over de Gemeenschap en de lid-staten verdeeld zijn, niet alleen betrekking heeft op de centrale staatsstructuren”;

-het “verheugt zich over de oprichting van het Comité van de Regio’s als een eerste stap in de richting van deelname van de regio’s aan het communautaire besluitvormingsproces, herhaalt dat het Comité als een belangrijk element in de wording van de  Europese Unie moet worden bechouwd; het Europees Parlement en de Commissie moeten in het licht van de ervaring die wordt opgedaan met de werking en de werkzaamheden van dit Comité studeren op mogelijke wijzigingen die in de Verdragen aangebracht moeten worden ten einde een optimale werking en vertegenwoordiging daarvan te garanderen”;

-het “stelt vast dat onder de ‘rechtspersonen’ in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het EG-Verdrag, die gerechtigd zijn een klacht in te dienen ook regio’s en lokale bestuurseenheden moeten worden begrepen”;

-het “benadrukt dat de communautaire instellingen de bij Verdrag vastgestelde rechten van dit Comité nauwgezet moeten respecteren, en dat dit Comité ook de mogelijkheid moet hebben zijn rechten te verdedigen”.

8.Bovendien heeft het Parlement twee conferenties met het thema “Europees Parlement/Regio’s van de Gemeenschap” en een conferentie “Europees Parlement – lokale rechtsgemeenschappen in de Europese Unie” georganiseerd. De eerste conferentie “Europees Parlement/Regio’s van de Gemeenschap” werd van 25 t/m 27 januari 1984 te Straatsburg gehouden[9].

9.Tijdens de tweede conferentie “Europees Parlement/Regio’s van de Gemeenschap” (27-29 november 1991) werd een resolutie over de vertegenwoordiging van de regio’s[10] aangenomen, waarin werd gesteld dat het van belang is de “rechtstreekse betrekkingen met de bestaande en toekomstige regionale instellingen” in stand te houden en te ontwikkelen en werd gepleit voor “het recht om in het algemeen mee te werken aan de verdere ontwikkeling van de Gemeenschap door in de verschillende stadia van het besluitvormingsproces aan de betreffende instellingen opmerkingen, documenten en voorstellen voor te leggen (met name erkenning van het initiatiefrecht ten opzichte van de Commissie en het Parlement); deze opmerkingen kunnen zowel door de regio’s afzonderlijk worden ingediend als door een raad die de regio’s vertegenwoordigt in afwachting van de oprichting, overeenkomstig de herziene Verdragen, van een vertegenwoordigend lichaam met medebeslissingsrecht”.

10.In de slotverklaring van deze tweede conferentie[11] verlangen de regio’s dat “de Gemeenschap thans en de Unie in de toekomst (…) met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel eigen bevoegdheden aan de regio’s verlenen en in dit verband een samenwerking inzake kwesties van gemeenschappelijk belang op gang kan komen tussen de verschillende bestuursniveaus; het subsidiariteitsbeginsel dient in de Verdragen nauwkeuriger te worden vastgelegd; indien dit beginsel niet wordt geëerbiedigd moeten de regio’s in staat zijn zich tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te wenden”.

11.Het Europees Parlement heeft blijk gegeven van zijn belangstelling voor de lokale gemeenschappen door als tegenhanger van de twee genoemde conferenties “Europees Parlement/Regio’s van de Gemeenschap” een eerste conferentie over het Europees Parlement en de lokale gemeenschappen in de Europese Unie te organiseren (6-8 april 1994). Op deze conferentie werd met algemene stemmen een resolutie aangenomen over de lokale overheden bij de politieke en institutionele opbouw van de Europese Unie, in samenhang met het subsidiariteitsbeginsel en het Comité van de Regio’s. Daarin wordt het Comité aangeraden, gebruik te maken van het initiatiefrecht dat hem in het Verdrag is toegekend, om zich te bezinnen op zijn eigen rol als vertegenwoordiger van de lokale en regionale autoriteiten bij de opbouw van Europa, met name in het licht van de herziening van het Verdrag in 1996 en de toekomstige grondwet van de Unie. Bovendien worden het Europees Parlement en zijn bevoegde commissie opgeroepen, alles in het werk te stellen om een vruchtbare dialoog met het Comité van de Regio’s aan te gaan.[12]

12.In de slotverklaring van de conferentie, die op 8 april eveneens met algemene stemmen werd goedgekeurd, wordt benadrukt dat de werkelijke toepassing van het subsidiariteitsbeginsel wordt gevormd door het beginsel van lokale autonomie, een algemeen rechtsbeginsel dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lid-staten en als zodanig in artikel F van het Verdrag wordt erkend.[13]

13.Nochtans wordt in het Verdrag betreffende de Europese Unie geen melding gemaakt van de betrekkingen tussen het Comité van de Regio’s en het Europees Parlement en wordt het Europees Parlement in artikel 198 C niet tot de instellingen gerekend die het Comité van de Regio’s kunnen raadplegen. In het reglement van orde van het Comité van de Regio’s[14], dat op 25 mei 1994 door de Raad werd goedgekeurd, wordt daarentegen wel expliciet naar het Europees Parlement verwezen:

-“Vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie mogen de zittingen van de Voltallige Vergadering bijwonen. Zij kunnen er het woord voeren”;

-(…) “De Voltallige Vergadering neemt de ontwerp-raming van de ontvangsten en uitgaven van het Comité aan en zendt deze tijdig door naar de Commissie en ter informatie naar de Raad en het Europees Parlement (…)”;

-“Vertegenwoordigers van de Raad, de Commissie en het Europees Parlement kunnen de beraadslagingen van de commissies bijwonen en antwoorden op vragen van de leden.”

14.Naast de 42 adviezen die het Comité van de Regio’s heeft uitgebracht, heeft het ook een resolutie over het subsidiariteitsbeginsel goedgekeurd. Verder zijn tijdens zijn zittingen meerdere belangrijke politieke discussies gehouden, waaraan deelgenomen werd door vooraanstaande vertegenwoordigers van de Europese Commissie en het Europees Parlement, zoals de heer R. SPECIALE, voorzitter van de commissie regionaal beleid van het Europees Parlement. De heer HÄNSCH, voorzitter van het Europees Parlement, zal het woord nemen tijdens de volgende zitting van het Comité van de Regio’s op 19 en 20 juli 1995.

II.DE INSTITUTIONELE HERVORMING: DE STANDPUNTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN HET COMITE VAN DE REGIO’S

15.Het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s vormen twee pijlers van de democratische legitimiteit, zij het elk op zijn eigen wijze: het Europees Parlement vertegenwoordigt de Europese burgers door middel van zijn leden, die rechtstreeks via algemene verkiezingen zijn gekozen; het Comité van de Regio’s fungeert in zijn geheel als spreekbuis van de regionale en lokale gemeenschappen in de Europese Unie. In het kader van het mandaat van Korfoe hebben het Europees Parlement en het Comité van de Regio’s onlangs adviezen en resoluties over de herziening van het Verdrag betreffende de Europese Unie goedgekeurd.

  1. HET STANDPUNT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

16.De commissie regionaal beleid van het Europees Parlement acht het in zijn op 23 februari 1995 goedgekeurd advies over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie[15] noodzakelijk dat de bepalingen over de samenstelling en taken van het Comité van de Regio’s zodanig worden aangevuld, dat de volledige autonomie van het Comité wordt verzekerd door zijn structuur te scheiden van die van het Economisch en Sociaal Comité. Verder stelt de commissie dat de formulering van het subsidiariteitsbeginsel dient te verwijzen naar regio’s met wetgevende bevoegdheid en dat de rechterlijke bescherming van het beginsel moet worden verbeterd. Ten slotte acht zij het zaak dat het Comité het recht krijgt, bij het Hof van Justitie in beroep te gaan tegen die schendingen van het subsidiariteitsbeginsel die inbreuk maken op de specifieke bevoegdheden van lokale en regionale lichamen.

17.De commissie institutionele zaken heeft op 12 april 1995 een ontwerp-verslag uitgebracht over “De werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie in het vooruitzicht van de Intergouvernementele Comferentie van 1996 – Verwezenlijking en ontwikkeling van de Unie[16]. Daarin stellen de rapporteurs, de heren BOURLANGES en MARTIN, met betrekking tot het Comité van de Regio’s de volgende tekst voor:

-“De raadgevende rol van het Comité van de Regio’s, dat dient te bestaan uit gekozen leden van regionale of lokale autoriteiten, moet versterkt worden door het met afzonderlijke kantoorruimte en personeel uit te rusten. Het Parlement moet het Comité kunnen raadplegen (evenals het Economisch en Sociaal Comité) op dezelfde grondslag als de Raad en de Commissie.”

18.De commissie institutionele zaken heeft tijdens zijn vergadering van 3 mei 1995 de volgende tekst goedgekeurd[17]:

De leden van het Comité van de Regio’s als bedoeld in artikel 198 A van het Verdrag dienen een democratisch mandaat in een regionale of plaatselijke assemblee te hebben. Verder dient het Comité van de Regio’s onafhankelijk te kunnen functioneren. Het Parlement moet het Comité kunnen raadplegen (evenals het Economisch en Sociaal Comité) op dezelfde grondslag als de Raad en de Commissie.

19.Op 17 mei 1995 hechtte de Voltallige Vergadering van het Europees Parlement haar goedkeuring aan de “Resolutie over de werking van het Verdrag betreffende de Europese Unie in het vooruitzicht van de Intergouvernementele Comferentie van 1996 – Verwezenlijking en ontwikkeling van de Unie”[18]. Na stemming over elke zin afzonderlijk van paragraaf 21, zoals die door de commissie institutionele zaken was geformuleerd, heeft het Parlement uiteindelijk de volgende tekst goedgekeurd:

-“De leden van het Comité van de Regio’s als bedoeld in artikel 198 A van het Verdrag dienen een democratisch mandaat in een regionale of plaatselijke assemblee te hebben. Het Parlement moet het Comité kunnen raadplegen (evenals het Economisch en Sociaal Comité) op dezelfde grondslag als de Raad en de Commissie.

Ter verbetering van de economische en sociale samenhang van de Europese Unie en ter eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel is het nodig, de rol van het Comité van de Regio’s bij het uitwerken van de beleidsvormen die het aanbelangen, te versterken”.

B.HET STANDPUNT VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S

20.In zijn Resolutie over het subsidiariteitsbeginsel van 5 december 1994[19]:

-dringt het Comité van de Regio’s erop aan dat “het subsidiariteitsbeginsel in de tekst van artikel 3 B van het EG‑Verdrag wordt uitgewerkt zodat het van toepassing is op alle institutionele niveaus: Europese instellingen en organen, lid‑staten, regio’s en plaatselijke overheden” en

-is het van mening dat “juist het Comité het recht van actieve legitimatie dient te krijgen, zodat het bij het Hof van Justitie in beroep kan gaan tegen die schendingen van het subsidiariteitsbeginsel die inbreuk maken op de specifieke bevoegdheden van lokale en regionale lichamen”.

21.Het Comité van de Regio’s erkent de fundamentele rol van het Europees Parlement in het besluitvormingsproces. Dit blijkt uit zijn advies van 21 april 1995 over “De herziening van het Verdrag betreffende de Europese Unie”[20], waarin het erop aandringt dat:

-“artikel 198 C van het EG-Verdrag in verband met de raadgevende taak als volgt wordt gewijzigd:

“Het Comité van de regio’s wordt door het Parlement, door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag en in alle andere gevallen waarin een van deze instellingen zulks wenselijk oordeelt. (…)

Het advies van het Comité alsmede een verslag van de besprekingen worden aan het Parlement, aan de Raad en aan de Commissie gezonden. (…).”

22.De belangrijkste punten in dit advies over de herziening van het Verdrag betreffende de Europese Unie[21] kunnen als volgt worden samengevat:

-Zonder zijn status als adviesorgaan te wijzigen, dient het Comité van de Regio’s een volwaardige instelling van de  Europese Unie te worden. Het verlangt tevens volledige organisatorische en budgettaire autonomie ten opzicht van het Economisch en Sociaal Comité (thans bestaat een gemeenschappelijke organisatiestructuur tussen beide Comités).

-De raadgevende functie van het Comité dient te worden versterkt door het Europees Parlement het recht te geven, het Comité te raadplegen en door de raadplegingsplicht van de andere instellingen van de Europese Unie ook in te voeren op terreinen als ontwikkelingssamenwerking, burgerschap van de Unie en sommige vormen van overheidssteun.

-In de formulering van het subsidiariteitsbeginsel, op grond waarvan besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers moeten worden genomen, moet expliciet worden verwezen naar de rol van de regionale en lokale gemeenschappen.

-Het Comité en de over wetgevende bevoegdheid beschikkende regio’s dienen het recht te krijgen om een beroep bij het Hof van Justitie in te stellen ter vrijwaring van hun prerogatieven of wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel.

-De leden van het Comité moeten gekozen zijn dan wel politieke verantwoordingsplicht hebben jegens een via rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen vergadering;

-Het Comité dient de mogelijkheid te krijgen, de Commissie met raad en daad bij te staan bij het opstellen van wetgevingsprogramma’s, “Groenboeken” (debatten) en “Witboeken” (toekomstig beleid), alsmede bij het voorbereiden van initiatieven op beleidsterreinen waarvoor regionale en lokale overheden bevoegd zijn.

-In de tekst van het Verdrag dient het beginsel van lokale autonomie te worden opgenomen, zoals vastgelegd in het Handvest over lokale autonomie van de Raad van Europa.

-In het Verdrag moet duidelijk worden gewezen op de noodzaak om grensoverschrijdende samenwerking tussen regionale en lokale gemeenschappen te bevorderen.

23.Gaandeweg zijn perspectieven geopend voor samenwerkingsvormen op zowel institutioneel en politiek als technisch vlak, waardoor het Parlement en het Comité elkaar met succes zouden kunnen aanvullen. Daar de twee hun eigen karakter hebben, is concurrentie opjectief gezien immers uitgesloten. De politieke leden van de twee vergaderingen dienen dan ook een nieuwe vorm van samenwerking aan te gaan en zo de opbouw van Europa te versterken om te komen tot “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”.

 

[1]PB nr. C 125 van 17-5-1982 : Resolutie over de oprichting van een Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (par. 7 iv).

[2]PB nr. C 127 van 14-5-1984: Resolutie over de rol van de regio’s bij de opbouw van een democratisch Europa en de resultaten van de Conferentie van de Regio’s (par. 13).

[3]PB nr. C 72 van 18-3-1985: Gemeenschappelijke verklaring naar aanleiding van het overleg over de herziening van het EFRO.

[4]PB nr. C 326 van 19-12-1988, doc. A2-218/88 (par. 21 en 29).

[5]PB nr. C 19 van 28-1-1991: Resolutie over de constitutionele grondslagen van de Europese Unie (par. 59).

[6]PB nr. C 299 van 16-11-1992, doc. B3-1320/92: Resolutie over de stand van de Europese Unie en de ratificatie van het Verdrag van Maastricht (par. 1).

[7]PB nr. C 150 van 31-5-1993, doc. B3-0516/93 (par. 3 en 4).

[8]PB nr. C 329 van 6-12-1993, doc. A3-0325/93 (par. 4, 8, 12 en 13).

[9]PE 87.632/PE 88.600 final. Het Europees Parlement neemt zich voor, tijdens elke zittingsperiode een dergelijke conferentie te houden.

[10]REG 92, NC 69.141 (par. 5 en 7).

[11]REG 92, NC 69.141 (par. 6).

[12]DOC-FR\DV\251\251133.jc (par. 11 en 12).

[13]DOC-FR\DV\251\251133.jc (par. 3).

[14]PB nr. L 132 van 27-5-1994 (par. 12, 32.1 en 38).

[15]PE 210.907 final (verslag SPECIALE) (par. 2, 4 en 7).

[16]PE 212.450/A (par. 21).

[17]PE 212.450/fin/A (par. 26). (Nederlandse vertaling van CvdR – EP-vertaling niet beschikbaar, vert.)

[18]A4-0102/95/Partie I.A (PE 190.441) (par. 27 en 28).

[19]          CDR 278/94 van 5 december 1994 (par. 2 en 5).

[20]          CDR 136/95 (par. 8).

[21]CDR 136/95 fin

Verder lezen: