In de jaren ’60 was ik bestuurslid van de Adelbertvereniging afdeling Den Haag. Voor wie zich afvraagt wat dat ook weer was: Nederland was in die tijd, zogezegd, onderverdeeld in stands- en vakorganisaties naar kerkelijke richtingen. Zo waren katholieke boeren en tuinders lid van de KNBTB –Katholieke Boeren- en Tuindersbond-, waren katholieke kleine zelfstandigheden, winkeliers etc. lid van de KMB – Katholieke Middenstandsbond – en katholieke arbeiders lid van de KAB – Katholieke Arbeiders Beweging. En zo waren katholieke leidinggevenden en universitair gevormden lid van de Adelbertvereniging. Hetzelfde gold voor de protestants georiënteerden en mutatis mutandis voor humanistisch/atheïstisch gevormden. Heden ten dage is dat wel enigszins anders, veel van de verzuiling van weleer is verdwenen.

In Amsterdam was ik lid geworden van de Adelbertvereniging, vervolgens werd ik bestuurslid in Kerkrade en in Den Haag (ongeveer de grootste afdeling van Nederland). In de hoedanigheid van bestuurslid van de afdeling Den Haag had ik een korte correspondentie met de grote volksschrijver en grootste prozaïst van Nederland, Gerard Reve, toen nog Gerard van het Reve. Dat zat zo.

Als bestuurslid was ik ook enkele jaren voorzitter/secretaris van de programmacommissie. Ik bepleitte om Gerard Reve uit te nodigen, zijnde een onzer grootste prozaschrijvers (Was hij toen al katholiek?). Dit pleidooi viel in het min of meer conservatieve, brave Haagse milieu niet direct in goede aarde, maar men liet zich overtuigen. Ik nodigde dus schriftelijk Reve uit. In zijn kroontjespenantwoord gaf hij te kennen vereerd te zijn met de uitnodiging, maar dat het voorgestelde honorarium toch wel een paar tientjes hoger moest zijn, want, zo schreef hij, in tegenstelling tot andere auteurs/inleiders placht hij niet over pies en poep te praten, maar gaf hij luisteraars iets zinvols mee. Maar, ongelukkigerwijs, had hij in diezelfde tijd in zijn bekende, plastische taalgebruik tijdens een interview de geestelijken (of bepaalde geestelijken) betiteld als allemaal flikkers (of zoiets). Men was daarover in de programmacommissie nogal verstoord; de uitnodiging bleef wel overeind, maar ik kreeg tevens de opdracht om Reve duidelijk te maken dat hij zich in ons gezelschap toch wel netjes moest uitdrukken.

Dus ik schreef Reve in diplomatieke, omfloerste woorden dat hij zich bij de Haagse afdeling van de Adelbertvereniging niet te geprononceerd moest uitdrukken. En Reve had het maar al te goed begrepen: per kerende post liet hij in zijn met de befaamde kroontjespen geschreven brief weten dat hij voor dat gezelschap toch maar niet moest optreden. Dat was dat; ik had dus verloren!

De laatste jaren – en ook onlangs nog – heb ik naarstig gezocht naar die kroontjespenbrieven, maar ik heb ze helaas niet kunnen vinden. Kan natuurlijk ook zijn dat die correspondentie op een of andere wijze in het duister van het Adelbertarchief is verdwenen. Ik zou ze graag in dit familieblad hebben laten afdrukken. Jammer, jammer … .
Ongeveer een jaar geleden las ik een overlijdensbericht dat ene Van Beeck was overleden, als specialist verbonden aan het ziekenhuis te Dordrecht, geboren te Venlo in 1925. Toen fantaseerde ik dat ik de mij onbekende weduwe een condoleancebrief zou sturen. Waarom eigenlijk?

In mijn herinnering dook het door wijlen (oom) Karel voor de bruiloft van Harrie en Laura gemaakte liedje, waarin de zin voorkomt: “… Van Beeck, den lapte núm op … “. Harrie was, als 8- (of 9-)jarig jongetje op een aftandse fiets, die hij kennelijk niet meer kon stoppen, met een rotvaart de nieuwe haven ingereden, had een schip geraakt en werd door de schipper naar het dichtbij de haven gelegen huis van Van Stiphout gebracht. Daar lag hij op tafel, meer dood dan levend, zwaar verminkt, bewusteloos. Nog zie ik Vader met zijn handen voor het gezicht, och arme. De inmiddels gearriveerde huisarts, dokter Van Bracht, paste de eerste hulp toe en bracht Harrie persoonlijk naar het ziekenhuis in Venlo, waar hij de chirurg Van Beeck al telefonisch had gewaarschuwd. En die Van Beeck lapte hem wonderwel op.

Het zou dus niet onwaarschijnlijk zijn, leek mij, dat de Dordrechtse Van Beeck de zoon zou zijn van de Venlose chirurg Van Beeck. Dat had ik, dus, allemaal willen schrijven aan de Dordrechtse weduwe.

Maar die brief heb ik niet geschreven. Want, stel je voor dat die weduwe toch niet de schoondochter bleek te zijn van de Venlose Van Beeck?

Jammer …?
En nu ik het toch weer, al is het zijdelings, over die haven heb, tenslotte nog dit.
Als schoolkinderen zongen wij bij gelegenheid van de komst van Sinterklaas:

“Gij kwaamt in onze nieuwe haven
met Uw boot vol zoete gaven.
Wil ons hartje nu behagen.
Dat vragen wij.
Dat vragen wij.”

(De woorden zijn van P.Timmermans, destijds hoofd van de school. Melodie van Peter Kreuder?)

Zo zie je maar: van Gerard Reve naar de haven van Wanssum is slechts een herinnering lang.

Mathieu, Zoetermeer, 31 maart 2006

Noot van de redactie
De volledige tekst van het lied van (oom) Karel, op de wijze van “De Zuidewind waait”, luidde:

Now dun Brugom zien part,
den zò deftig ien ‘t zwart
zit te stroale.
Heej is, lang geleeje,
ien de have gereeje.
Kapot zien gezeecht,
herseschudding, nie leecht,
Heiligen Ollie!
Dat ging op ut kèntje
mit Harrie dat ventje.
Dun taxi reej veur, brocht um noar Venlo.
Van Beeck, den lapte n ‘um op.
Zien neus zaat wer vaast,
un gebit angepaast,
trug noar Wanssum.
Weej won wer te vreeje:
ut was krek enne neeje.

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 14, april 2006.

Verder lezen: