Staande op deze plek, denk ik terug aan de vader van Vincent, die hier zijn gemeente toesprak en verwarmde met de woorden van de Heer. In winterse dagen trok de kou echter op door de betegelde vloer, een kachel zal er niet geweest zijn. En buiten loeide een koude wind door de hoge bomen rond het kerkje!

Onwillekeurig denk ik ook even terug aan mijn jarenlange voorzitterschap van de Raad van Toezicht van het thans zo geheten Vincent van Gogh Instituut in Venray. Vroeger Psychiatrisch Centrum Venray geheten. Na enige gedachtewisselingen opteerde de Raad ervoor ons ziekenhuis te verbinden met de naam van Vincent van Gogh. Wij togen in februari 1995 naar Amsterdam en werden ontvangen door Johan van Gogh, voorzitter van de Van Gogh Stichting. Vader ook van de later vermoorde Theo van Gogh. Hij vertrouwde mij desgevraagd toe dat zijn zoon een alleraardigste man was en kunstzinnig zeer begaafd. Hij vroeg natuurlijk naar de reden van ons verzoek.

Onze argumenten liepen langs twee lijnen. Allereerst is de persoon van Vincent interessant vanuit het oogpunt van zorg. Ook Vincent was belast met obsessieve periodes. Psychotherapeutisch behandelen van patiënten met muziek en beeldende kunst is beproefd. Ook het verblijf in Venray van bijvoorbeeld de Limburgse schilder Henry Jonas en andere kunstenaars is bekend en beschreven. Verbondenheid met Vincent kan derhalve van inspirerende betekenis zijn.

Anderzijds heeft Vincent op kunstzinnige wijze het warme licht verkend. Vorig jaar heeft op deze plek Anton Wessels in het “Evangelie volgens Vincent” diens Zuid Franse zoektocht gekarakteriseerd als een zoektocht van duisternis naar licht. Icoon van dat werk is het schilderij met Zonnebloemen. In de PR van het Instituut komen die zonnebloemen herhaaldelijk terug. Het verhaal sprak de familie Van Gogh aan en we verkregen het gebruiksrecht van de naam voor ons instituut.

Praten over zonnebloemen in een bespiegeling over de winter is niet vanzelfsprekend. Maar ik kon de verleiding niet weerstaan om op deze plek het verhaal over die naamgeving te vertellen. Maar nu wordt het toch echt winter! De belangrijkste Duitstalige dichter in onze jaren is de Oostenrijker Rainer Maria Rilke. Hij mijmert over het einde van de herfst en zegt:

De tuinen, keer na keer
zijn zichzelf niet meer.
Ze kwijnen in verval.

Ik denk daaraan als ik telkenjare, nagenietend in de kruidige lucht van onze tuin, overweeg hoe ontluisterend het kleurrijk palet van terra-tinten tot verval kan komen. Bij het zogenaamde winterklaar maken van de tuin, overdenk je de gang der seizoenen. Zoals de drie fasen in je eigen leven. Je wonderlijke jeugdjaren sluit je af met een baan. De arbeidzame tijd begint. Een vreugdevolle periode van scheppende en herscheppende arbeid. Die onverbiddelijk eindigt met het pensioen. En deze tijd van vrijheid, hobby en mantelzorg eindigt met de dood. Tragisch maar waar. Zo gaat dat ook in de natuur.

Na het winterklaar maken komt je tuin tot rust. Vogels vliegen af en aan, begerig naar hun winterrantsoen. In de lente die volgt ontluikt de zomer. De zomer maakt de tuin weerbaar voor stormen in de herfst. En opnieuw wordt het winter.

Schubert ontboezemt in zijn Winterreise zijn melancholieke kijk op het leven. Geen Schöne Müllerin die ons betovert. Aan het einde van de Winterreise ontmoeten we de Leiermann. Een lierdraaier, een bespeler van het buikorgel. Hij zingt slechts droge recitatieve frasen. Frasen die de barre wintertijd onderstrepen. Hoe anders dan in het zomerlied “Am Brunnen vor dem Tore, da steht ein Lindenbaum”. Dat klinkt tenminste als een ware sentimental journey. Nee, de arme Leiermann staat met zijn blote voeten op het ijs en niemand die hem wil horen of helpen. Ook in Schuberts jaren kende men crisis.

Het is de “wisseling van zijn en niet-zijn”, zoals Gorter ons vertelt. Ook in Vivaldi’s Vier Jahreszeiten horen we het. Janine Jansen, die we nog op 11 december mochten beluisteren met een groots Bach-concert in het Eindhovens Muziekcentrum, liet ons al eerder de verbeeldingskracht van Vivaldi’s muziekkunst ervaren. Winterse emoties voelen we door serene sneeuw en ijzige wind heen; met enige fantasie horen we het stampen van de koude voeten en het klapperen van tanden. Het is een betoverende verbeelding!

Oudtijds toonde ook Breughels schilderkunst reeds de winterse december-landschappen van Jagers in de sneeuw, de volkstelling in Bethlehem, de aanbidding der Wijzen en de ontstellende Kindermoord, Een barre onverzoenlijke wereld van armoede en ontbering, waarin de Verlosser zijn intrede moest doen in onze dagen. Waar komt die boosheid vandaan? Waarom is het Heil niet tot ons gekomen in de zomer, wanneer we genoeglijk gezeten zijn am Brunnen, onder een Lindenbaum! Waarom kozen onze wijze voorvaderen ervoor hun feesten te vieren met koude voeten in een winters jaargetij?

In de in 1993 verschenen studie van Louis Janssen over “Nicolaas, de duivel en de doden” vinden we een verklaring in de Indo-Europese en Germaanse cultuur. De plattelandsbevolking van boeren en herders vierden bij de wisseling der seizoenen rituele feesten. Zij geloofden dat bij de inval van het winterse dode tij, op de kortste dag van het astrologisch jaar, de dodenlegers van het voorbije jaar in wilde jacht voorbijtrokken onder aanvoering van demonen. Het gaf reden bevreesd te zijn en te offeren voor zuivering, voor de goede gang naar het winters einde en een cultuurbepaalde verering van gestorven voorouders. De landslieden keken naar de jachtige luchten van zware wolkenmassa’s en verscholen in hun nederige behuizingen vermoedden zij er de voortjagende bebaarde goden Wodan en Donar. Om weerbaar te zijn tegen dit duistere geweld, maakten zij maskers en tooiden zich daarmee; ze maakten lawaai en sprongen als bezeten in het rond. Ze sloten zich als het ware aan bij het ritueel der voortjagende demonen.

Met de christianisering van Europa zijn, vooral na keizer Constantijn, veel traditionele feesten , offerplaatsen en waterbronnen in putten gekerstend. Zo wordt in de iconografie, de in het jaar 270 geboren Nicolaas uitgebeeld met een lange witte baard gezeten op een galopperende schimmel, als ware hij een gekerstende Wodan. En het lot der Onnozele Kinderen werd in dat winters onheil gekoppeld aan het ritueel van de wilde jacht der demonen.

Dan is er de mystiek rond de Zonnewende. In het jaar 274 stelde keizer Aurelius de cultus van de Sol Invictus in, de onoverwinnelijke zon. De langste nacht is geweest. De schaduwen van het verleden maken plaats voor het eerste zwakke licht der lente. Heeft carnaval daarmee misschien van doen? Keizer Constantijn eigende zich het beeld van de onoverwinnelijke zon toe en heeft aldus later, bij zijn politiek van kerstening, het heidendom op symbolische wijze met het christendom verzoend.

De aanloop naar die langste nacht wordt in deze dagen vorm en inhoud gegeven in de Advent. Het toenemend aantal kaarsen verspreidt steeds meer licht. Gelovigen zingen het oude lied “Nu daagt het in het Oosten, het licht schijnt overal”. Dat moge zo zijn, maar het is nog steeds winter en de rijm ligt op de daken. Maar gezangen klinken sereen op in Cambridge, we huiveren bij de aangrijpende bekering van Scrooge in een Christmas Carol van Dickens en er staat wel geen Lindenbaum in bloei, maar wel een besneeuwde Tannenbaum om ons te vertederen in deze winterse dagen.

Begonnen met mooie regels van Rainer Maria Rilke, sluit ik af met wrange dichtregels van drs. P. Hij zegt:

We rijden met de troika door het eindeloze woud
Het vriest een graad of dertig, het is winter en vrij koud
De paardenhoeven knarsen in de pas gevallen sneeuw
’t Is avond in Siberië en nergens is een leeuw.

We reizen met de kinderen, al zijn ze nog wat jong
Door ’t eindeloze woud, waarover ik zoëven zong.

U weet allen hoe het afloopt. Wellicht zullen generaties die na ons komen, deze ballade duiden als de wilde jacht der demonen.

Nochtans wens ik u goede Kerstdagen!
En ik dank u voor uw aandacht.

Romé Fasol, 19 december 2013.

Verder lezen: