Op 18 september 2014 hield de auteur voor zijn afdeling van ‘De Orde van den Prince’ een lezing over zijn ervaringen in relatie tot de Eerste Wereldoorlog. Aanleiding was de lectuur van de recente roman Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans. Maar ook Erich Maria Remarque en Sophie De Schaepdrijver komen aan bod in zijn literaire beschouwing, die uitgroeide tot een klein essay. Dit essay verscheen in PrincEzine / ledenblad van de Orde van den Prince, oktober 2014.

In 1991, op 8 november, had ik de eer een paar hoogbejaarde inwoners uit Dendermonde te mogen verwelkomen in mijn gemeente. Het waren Irma en Omer Moortgat en Jozef Rydant. Ze werden begeleid door de met een schepensjerp getooide locoburgemeester mevrouw Therèse van Gucht. Zij waren de enig overlevenden van de 42 volwassenen en ruim 50 kinderen die in september en oktober 1914 naar Nederland waren gevlucht en onderdak vonden bij een aantal families in Horst. Dendermonde was kort daarvoor plat gebombardeerd. Na ruim 75 jaar waren ze even terug en werden ontvangen in ons cultureel centrum. Er was voor de vele aanwezigen de presentatie van het derde deel van de boekenreeks OUD HORST IN HET NIEUWS, waarin de belevenissen van de vluchtelingen van toen werden verhaald. Ondanks de ernst van de achtergronden, werd het mede door belevenissen met de oude mevrouw Moortgat, een vrolijke avond.

Enige tijd daarna heb ik het boek van ERICH MARIA REMARQUE gelezen, u kent het allen: IM WESTEN NICHTS NEUES. In Nederland reeds in 1929 uitgegeven onder de titel VAN HET WESTELIJK FRONT GEEN NIEUWS. Er wordt een zinloze oorlog beschreven. Een oorlog van ontregelde politici en dominante generaals. Dynastieën kwamen ten val. Gevechten vonden langdurig plaats aan een aantal fronten. Geen gevechten vanwege de bestrijding van een verderfelijke doctrine en er volgde ook geen bezetting van een overwonnen vijandelijk land. Remarque beschrijft deze zinloosheid, die vooral de soldaten trof die verkommerden in loopgraven.

5186ok5vTKL

Op pagina 43 lees ik:

  • “Voor niemand betekent de aarde zoveel als voor een soldaat. Als hij zich tegen haar aandrukt, lang en heftig, als hij zich met zijn gezicht, met armen en benen diep in haar ingraaft uit dodelijke angst voor de beschietingen, dan is de aarde zijn enige vriend, zijn broer, zijn moeder, hij schreeuwt zijn angst tegen haar uit, en ze hoort hem zwijgend aan, neemt hem op in haar geborgenheid, laat hem weer even gaan om nogmaals te rennen voor zijn leven, omvat hem opnieuw, ….soms voor altijd.”

De hoofdpersoon van het boek overleeft het. Maar sneuvelt toch nog in oktober 1918, op een dag dat het aan het hele front zo rustig en kalm was dat het legerbericht van die dag zich tot die ene zin beperkte: “van het westelijk front geen nieuws”. Hij was voorover gevallen en lag op de grond alsof hij sliep en had een vredige uitdrukking op zijn gezicht alsof hij tevreden was dat het voorbij was.

Zo begon ik in dit voorjaar te lezen in het boek van Stefan Hertmans, aangemoedigd door een bespreking ervan in het programma Buitenhof. Er was journalistieke belangstelling voor het boek door de op handen zijnde herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Ik las het en besloot met mijn vrouw in juni een bezoek te brengen aan de Westhoek van Vlaanderen. Vanuit ons verblijf in Kortrijk bezochten we Ieper, Diksmuide, het Noord-Franse Lille Flanders en de Amerikaanse begraafplaats in Waregem.

Ieper werd in WO I wel zó verwoest, dat beelden bij je opkomen van verwoeste steden in Syrië. De Engelse politicus Churchill pleitte ervoor Ieper te bewaren als monumentale gedachtenisruïne en het nieuwe Ieper elders te herbouwen. Maar Ieper werd glorieus herbouwd op de oude lokatie en boven de imposante Lakenhal bevindt zich nu het permanente museum FLANDERS FIELDS, DE OORLOG 1914/1918. Je huivert bij het aanschouwen van de drie klankbeelden. Eén over Vluchtelingen. Een tweede over de Kerstnacht, waarin verhaald wordt dat tijdens de nachtelijke stilte een Duitser “Stille Nacht” begint te zingen, waarna aan Engelse zijde het “Silent Night” klinkt. De soldaten lopen op elkaar toe en vieren samen Kerstmis met wat wijn en brood. Dan is het ochtend van de Eerste Kerstdag en om 8 uur vangt het schieten weer aan. Dat moet van de generaals! Het derde klankbeeld gaat over de praktijk in de vele veldhospitalen.

Dat aangrijpende relaas wordt verteld in het boek van de Amerikaanse verpleegster ELLEN LA MOTTE en heet HET KIELZOG VAN DE OORLOG. Beschreven wordt dat het inderdaad een oorlog is van generaals, die de veldhospitalen binnenkomen om gewonden te decoreren. Doktoren worden aangemoedigd de gevallenen op te knappen, zodat ze snel weer naar het front kunnen. Schokkend is het te bedenken dat zo’n 280.000 mannen misvormingen opliepen in hun gelaat.

hetkielzogvandeoorlog

De schrijfster meldt ons (pag.23):

  • “Toen de gewonde het (de ellende) niet langer verdroeg stak hij een revolver in zijn mond en vuurde af, maar hij maakte er een knoeiboel van. De kogel blies zijn linkeroog weg. Om zijn leven te redden moest hij het ziekenhuis bereiken. Hij was door zijn daad een deserteur, maar tucht gaat voor alles. Hij moest verpleegd worden tot hij weer gezond was, voldoende hersteld om hem tegen de muur te zetten en dood te schieten!“

Dat alles kreeg nog meer relief door de documentaireserie BRAVE LITTLE BELGIUM, recent gepresenteerd door de Kortrijkse historica Sophie de Schaepdrijver. Ruim 20 miljoen doden in Europa, gevolgd door de Spaanse griep die nog eens 100 miljoen doden opeiste. Je realiseert je dan dat de oprichters van de Orde van den Prince in 1955 vaak kinderen moeten zijn geweest van ouders en grootouders die hun leven verloren in die zinloze oorlog. Voor hen waren de woorden Amicitia en Tolerantia méér dan een belijdenis, maar vooral een les uit een onvoltooid verleden. En niet alleen humanitair, maar ook de pijn die voelbaar bleef door de noodgedwongen cohabitatie met franstaligen in een onverkwikkelijke oorlog die in bepaalde situaties tot op heden schrijnend is gebleven. Ik herinner me begin jaren ’50 als jongeman met mijn Brusselse oom door de stad gewandeld te hebben en aangekomen bij het Graf van de Onbekende Soldaat zei hij tegen me: Die hier begraven ligt was wel een Vlaming. En toen ik opheldering vroeg, zei hij: Als het een Waal was geweest had dit monument het Graf van de Onbekende Officier geheten. Ik lees het ook in Stefan Hertmans boek op pag. 256-257:

  • Op een dag word ik bij de commandant geroepen, een Brusselaar die me verplicht na elke zin te salueren. Hij kijkt grijnzend toe en deelt me mede dat ik overgeplaatst zal worden naar een andere sectie omdat ik te vriendschappelijk omga met mijn mannen. Hij brult in het Frans dat een Flamand geen vragen te stellen heeft. Soldaten komen van alle kanten aanlopen. Er wordt geroepen: Vlamingen verenigt u!…. Eh bien zegt een (andere) officier. Ik salueer opnieuw, trek het ijzeren kistje met mijn eretekens uit mijn zak, toon ze hem een voor een. Hij monstert mijn eretekens en neemt tenslotte mijn Ridderorde eruit en zegt traag en nadrukkelijk: Sergent-major. Cette décoration est une contrefaction. Het blijkt dat mijn belangrijkste ereteken een vervalsing is, het echte Ridderkruis werd waarschijnlijk door de uitreikende commandant verduisterd.

Vlak voor zijn dood gaf Hertmans grootvader zijn kleinzoon een paar volgeschreven oude cahiers. Het leven van zijn opa bleek opgetekend in en getekend door armoedige kinderjaren in het Gent van voor 1900, door zijn gruwelijke ervaringen als frontsoldaat in WO I en door een jonggestorven grote liefde. In zijn verdere leven zette hij zijn verdriet om in stille schilderkunst. Een dezer dagen lazen wij allen over de ontboezeming van Horatius, die zei: “Een schilderij is als een gedicht”. Hoewel het boek de oorlogshandelingen onverhuld laat, heeft Hertmans het relaas beschreven van de kleine held in de Grote Oorlog, op een bijna dichterlijke wijze. Aan het begin van het boek, op pagina 18, schrijft hij:

  • “Zijn huwelijk met Gabrielle was wolkeloos voor wie niet beter wist. Vergroeid met elkaar als twee oude bomen die decennia door elkaars kruinen heen hebben moeten groeien omwille van het schaars bevochten licht, leefden ze hun eenvoudige dagen. De dagen verdwenen in de plooien van de verstrooide tijd. En hij schilderde.” Hij schilderde in woorden.

Menenpoort

Binnenkort op 27 september vindt de Algemene Ledendag van onze Orde plaats in Ieper. Enigen van ons zullen die samenkomst bijwonen. Op 26 juni van dit jaar kwamen al 28 Europese leiders bijeen in de Vredestad om te herdenken dat 100 jaar geleden de eerste Wereldoorlog uitbrak. Zij stonden aan de toegangsweg tot de stad, onder de Menenpoort en luisterden naar de Last Post. Zo gebeurt dat dag in dag uit om acht uur ‘s avonds. Dan komen vele honderden Iepernaren, toeristen, maar vooral de door vele bussen aangevoerde Britten, getooid met een poppy op het revers. Ze komen onder de poort samen in volmaakte stilte – zonder enig applaus of toespraak – en luisteren naar de Last Post, geblazen door teams van de plaatselijke Vrijwillige Brandweer. Indrukwekkend: bijna 90 jaar lang, elke avond sedert 1928. Het jaar ook waarin Remarque zijn boek IM WESTEN NICHTS NEUES publiceerde. De Britten betreurden 700.000 gevallenen, 34.000 namen van hen die vielen in de Flanders Fields zijn in de plafonds van de Menenpoort vermeld en voor onbekende gevallenen beseffen we heel treffend: Only known to God! Terecht werd in themanummer 4 van de 33ste jaargang van de nieuwsbrief van de Orde uitgebreid bij deze gebeurtenissen stil gestaan.

 

Verder lezen: