Werkstuk in het kader van de cursus Collectieve Veiligheid – studie Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Universiteit Utrecht, januari 1993.

Werkstuk in het kader van de cursus

Collectieve Veiligheid

BESCHERMING VAN NATIONALE MINDERHEDEN:

DE VOLKENBOND ALS MODEL?

 

Inleiding

 

Het probleem van de nationale minderheden is sedert het einde van de Koude Oorlog weer in ieders belangstelling gekomen. Problemen tussen volken die we al helemaal vergeten waren, waarvan we dachten dat ze in veertig jaar communisme opgelost waren, zijn in grote hevigheid weer opgelaaid. Oplossing ervan is een van de grootste uitdagingen waarvoor de wereld momenteel staat, en zodoende worden vele oplos­singen en modellen bedacht of herondekt. Wetenschappers, politici, journalisten, demago­gen, ja zelfs bierbrouwers[1] denken mee over het nationalitei­tenprobleem.

 

In dit stuk zal worden ingegaan op het minderhedenbeschermings-systeem dat door de Volkenbond gehanteerd werd. De vraag die wij ons stellen is: op welke wijze onder de Volkenbond de bescher­ming van minderhe­den behartigd werd, en of men ten aanzien van de huidige situatie lering kan trekken uit deze ervaringen en op welke wijze dit systeem op bepaalde punten navolging zou kunnen krijgen. Tevens wordt ingegaan op de relevantie van minderhedenbescherming ten aanzien van collec­tieve veiligheid. In de eerste paragraaf worden een aantal kernbegrippen uiteenge­zet, vervolgens wordt in §2 de minderhe­denbescherming van de Volken­bond uiteengezet. In §3 volgt de huidige stand van zaken.

 

  1. Minderhedenproblematiek

 

Minderheden en hun sociale positie

Minderhedenbescherming vormt een onderdeel van de mensenrech­ten. Min­derheden kunnen gedefiniëerd worden in religieuze, taalkundige of etnische zin. Vaak zullen deze kenmerken elkaar overlappen. Echter, wat is een nationale minderheid nu precies? In feite is dat hetzelf­de als vragen wat een volk is, en over de definitie daarvan bestaat geen internationale overeenstem­ming.[2] Bescher­ming van minderheden werd in haar eerste vorm vooral toegepast op religieuze minderheden. Later werd nationa­liteit veel sterker als identiteit gevoeld, en kwam de nadruk te liggen op de bescherming van nationale minderhe­den.

 

Wanneer in een staat minderheden voorkomen heeft dat zijn effect op de samenleving als geheel. In een samenleving doen zich integratie-processen voor, als gevolg van economische ontwikkeling en verbete­ring van transport en communicatie. Het is niet meer dan logisch dat deze processen zich afspelen binnen de context van bepaalde taalkun­dige of historische eenheden. Immers, taal is zowel het belangrijk­ste communicatie-instrument, als zelf het resultaat van een langdu­rig proces van sociale integratie.[3] Hieruit kunnen we dus conclude­ren dat een minderheid in mindere mate deel zal hebben aan deze processen, en een geïsoleerde positie zal innemen binnen een samen­leving. Dit verklaart dan ook waarom minderheidstalen vaak als bedrei­gend voor de eenheid van een staat worden ervaren. Dit is dus vaak de oorzaak van veel spanning.

 

Effectieve bescherming

Op welke wijze kan nu effectieve bescherming van minderheden gewaar­borgd worden? De beantwoording van deze vraag is niet eenvoudig. Het kernbegrip zelfbeschikking, vermeld in Art. 38.1 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, staat vaak centraal in deze kwestie. Dit begrip houdt in dat een volk het recht toegekend wordt voor zichzelf beslissingen te nemen aangaande het benutten van zijn natuurlijke rijkdommen.[4] Over de invulling van dit begrip kan op twee manieren gedacht wor­den:

  1. Individuele rechten. In dit kader valt bijvoorbeeld de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Er wordt vanuit gegaan dat men, door de rechten van individuele personen te waarbor­gen, automatisch ook groepen van personen beschermt. Dit is de wijze waarop binnen de Verenigde Naties bescherming geregeld is.
  2. Collectieve rechten. In deze visie gaat men ervan uit dat individuele rechten voor de bescherming van een volk niet voldoende zijn, maar dat men een nationale minderheid ook als groep rechten moet geven. Op deze denkrichting is minderheden­bescherming van de Volken­bond van toepassing.

 

  1. Minderhedenbescherming tijdens de Volkenbond

 

Voorgeschiedenis

De internationale bescherming van minderheden is ontstaan uit de bescher­ming van religieuze minderheden. Vanaf de dertiende eeuw tot de desintegra­tie van de Katholieke Kerk in de zestien­de eeuw ontwik­kelde deze bescher­ming zich in de vorm van inter­venties door staten ten behoeve van hun geloofsgenoten over de grens. In de zeventiende eeuw werd het gebruikelijk om gebieds­afstand afhankelijk te maken van verdragen waarin de rechten van religieuze minderheden beschermd werden. Ook in de negen­tiende eeuw werd deze methode gehanteerd, vooral bij het ont­staan van de nieuwe staten op de Balkan. Bij het Congres van Berlijn in 1878 verklaarden de grote mogendheden dat toekomsti­ge leden van de Europese statenfamilie de principes van reli­gieuze vrijheid dienden te accepteren als “principes die de basis vormen van sociale organisatie in alle staten van Euro­pa.”[5]

 

Religieuze grenzen vielen niet altijd samen met etnische gren­zen, maar overlapten vaak wel. Vooral in de Balkan vormde de religie nog lang het voornaamste kenmerk van een natie. De eerste duidelijke erkenning en internationale garantie van de rechten van nationale minderheden vinden we in de Slotakte van het Congres van Wenen (1815), waar Rusland, Pruissen en Oosten­rijk afspreken de rechten van hun Poolse minderheden te zullen respecteren.

 

De gebreken van dit systeem waren gelegen in de mate van onze­kerheid dat het zou functioneren, en in de kans dat het mis­bruikt zou worden voor machtspolitieke doeleinden. De Eerste Wereldoor­log maakte echter duidelijk dat de nationaliteiten­kwestie snel een betere oplossing nodig had. Bij de onderhande­lingen in Parijs bracht president Wilson zijn beroemde 14 punten naar voren. Het veertiende daarvan voorzag in de oprich­ting van een Volkenbond. De principes waaraan die zou moeten beantwoorden waren afschaffing van de geheime diplomatie en geheime verdragen, verzekering van de gebieden, politieke vrijheid en het zelfbe­schikkingsrecht van volken, de bescher­ming van nationale minderheden, de gelijke behan­deling van alle staten, ontwapening, en economische gelijk­waardig­heid.[6] Op 28 april 1919 werd het Volkenbondsverdrag ondertekend, en men belastte deze met de bescherming van minderheden.

 

De formele minderhedenbescherming van de Volkenbond

 

Op 1 mei 1919 werd een Commissie ingericht ter uitwerking van de zgn. Minderhedenbeschermingsverdragen. Geprobeerd werd het idee van de minderhedenbescherming te concretiseren: alle raciale en nationa­le minderheden moesten binnen een staat dezelfde bescherming krijgen als de meerderheidsbevolking. Uiteindelijk koos men voor de vorm van separate minderhedenbe­schermingsverdragen, waarbij de Volkenbond deze garandeerde. Met de verliezers van de Eerste Wereld­oorlog, Oostenrijk

(19­19), Hongarije (1920), Bulgarije (1919) en Turkije (1923), werden in de vredesverdragen provisies gemaakt ten aanzien van hun minder­heden. De nieuwe of vergrootte staten, Polen (1919), Tsjecho-Slowa­kije (1919), Joegosla­vië (1919), Roemenië (1919) en Griekenland (1924), sloten speciale minderheden­verdragen met de Geallieerde mogendheden, conform een verplichting in de vredesver­dragen. Andere landen die lid wilden worden van de Volken­bond, Albanië (1921), Estland (1923), Letland (1923), Litouwen (1922) en Irak (1932), maakten onder druk declaraties analoog aan de minderhe­den­ver­dragen aan de Raad van de Volken­bond.[7] Finland maakte ook een dergelijke declara­tie bij een overeenkomst met Zweden, die van toepas­sing was op de Aaland Eilanden.[8] Duitsland kwam in een be­perk­te vorm onder het sys­teem, op basis van de Conventie van Genève op 15 mei 1922, met een bilateraal verdrag met Polen. Hierin werd een uitge­breide minderhedenbescher­ming ten aanzien van Opper-Silezië inge­steld waarbij ook een belang­rijke rol aan de Volkenbond werd toebe­deeld.[9]

 

In de verdragen was de bepaling opgenomen (art. 12) dat de Volken­bondsraad in geval van schending, of de dreiging daarvan, iedere maatregel tegen de verdragschendende staat kon nemen die zij nodig achtte. Ten aanzien van deze middelen kon dan terug­gegrepen worden op de sanctiemiddelen uit het Volkenbondsver­drag, van economische boycot tot gewapend ingrijpen. De minder­hedenstaat had het recht geconsulteerd te worden, maar had geen vetorecht. Bij verschil van mening over de interpretatie van een verdragsregel was een rol weggelegd voor het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag.[10] De grote mogend­heden speelden ook een grote rol binnen deze verdra­gen: “[Polen] moet in de door de Grote Mogendheden als noodzakelijk geachte bepalingen toestemmen.”[11] Veranderingen in de verdragen konden alleen aangebracht worden met toestemming van een meerderheid van de Volkenbondsraad. De verdragen hadden betrekking op de verze­kering van het staatsburgerschap van minderheden, het vrije gebruik van de taal van de minderheden en religieuze en cultu­rele vrijheid. Geweld met minderheden wordt niet in de verdra­gen zelf geregeld, maar in besluiten van de Volkenbondsraad.

 

De praktische uitwerking van de verdragsbepalingen werd gere­geld in het Tittoni-Rapport van 1920. Nationale minderheden konden bij schendingen een petitie indienen bij het Secretari­aat-Generaal waar het bij de Minderhedensectie, onder leiding van de Noor Erik Colban, terecht kwam. De petitie zou voorge­legd worden aan een comité van drie Raadsleden, het zgn. ‘Co­mité van Drie’. Daar werd bepaald of de petitie op de agenda van de Raad zou worden geplaatst. De Minderhe­densectie advi­seerde bij het nemen van die beslissing.[12]

 

Uit het voorgaande blijkt duidelijk welke ongekende inbreuk door het systeem gemaakt werd op het tot dan toe bijna onaan­tastbare soeve­reiniteitsbeginsel.

 

Minderhedenbescherming van de Volkenbond in de praktijk

Laten we dan nu kijken naar de concrete gang van zaken om te bepalen of het systeem ook daadwerkelijk goed werkte. Het hierboven beschre­ven systeem functioneerde niet zoals het de bedenkers voor ogen stond. Om politieke redenen waren landen als Frankrijk en Engeland niet bereid bij Oost-Europese landen naleving van de verdragen af te dwingen, omdat zij van strate­gisch belang waren in verband met Duitsland en de Sovjet-Unie. Het systeem leek dus nooit te gaan functioneren. Het Secretari­aat en de Minderheden­sectie kwamen echter met een creatieve oplossing: van binnengekomen petities werd zo snel mogelijk een rapport opgemaakt, ten behoeve van het Comité van Drie. Vervol­gens werd de aangeklaagde staat uitgenodigd zijn visie te geven aan het Comité en de Minderheden­sectie. Meestal resul­teerde dit in een compromis, omdat geen staat graag op de agenda van de Raad wilde komen om zo publiekelijk aangeklaagd te worden. Nadeel was wel dat vrijwel de gehele procedu­re niet voor de buitenwereld waarneembaar was. Gaandeweg werd de Minderheden­sectie steeds belang­rijker in de procedure, door hun opgebouwde grote expertise.[13]

 

Als gevolg van negatieve publiciteit omtrent het minderheden­systeem ontstond in 1929 discussie. Deze discussie resulteerde uiteindelijk in de Volkenbondsresolutie van 13 juni 1929, waarin een aantal maatregelen waren vervat om de openbaarheid van de procedure te vergroten. Onder andere werd bepaald dat voortaan jaarlijks statis­tieken zouden worden gepubliceerd van het aantal ontvangen en behandelde petities. De belangrijkste betekenis van deze resolutie lag echter in het feit dat voor het eerst het politieke conflict dat bestond aangaande de vrede van 1919 op het minderhedenbeschermings­systeem werd toe­gespitst.[14]

 

In 1929 kwam tevens in Groot-Brittannië een Labour-regering aan de macht. Deze regering maakte plannen voor een permanente minderhe­den-commissie. Men kwam echter nooit met een concreet voorstel. Er ontstond vanaf toen wel veel discussie of er niet zo’n permanente commissie zou moeten komen.[15]

 

Nadat in 1933 Hitler aan de macht was gekomen, was het minder­heden­beschermingssysteem ten dode opgeschreven. In datzelfde jaar ontving men een petitie over de behandeling van de Joden in Opper-Silezië, die ook in de Volkenbondsraad terecht kwam. Duitsland weigerde medewerking en stapt in 1934 uit de Volken­bond. Op 26 januari 1934 tekende Duitsland een niet-aanvalsver­drag met Polen. Aangezien het minderhedensysteem ook gericht was op het voorkomen van grensrevi­sies, en Duitsland uit de Volkenbond was gestapt, besloot Polen zijn medewerking aan het minderhedenbeschermingssysteem stop te zetten. De westelijke landen ondernemen hier niets tegen.[16] Met de afname van de autoriteit van de Voklenbond zelf werd het minderhedenbe­scher­mings­systeem ook meer en meer een muurbloem­pje.

 

Najaar 1935 verklaart Roemenië dat het niet meer op alle aan hem gerichte petities zal reageren. Ook zal men niet meer plaatsnemen in enig Comité van Drie. In 1937 raakt men echter weer volledeg betrokken, nadat gebleken was dat men de leden van de Kleine Entente (Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en Roeme­nië) niet had kunnen overha­len het Poolse voorbeeld te volgen. Tot 1939 werden nog Comité’s van Drie gevormd, daarna niet meer. Bij de oprichting van de Verenigde Naties in 1947 werd het Minderhedenbeschermingssysteem niet gereac­tiveerd en ver­dwenen haar archieven in dat van de VN.[17]

 

  1. Minderhedenbescherming in de actualiteit

 

De Koude Oorlog

Tijdens de afschrikking van de Koude Oorlog stond centraal dat men zich niet bemoeide met elkaars binnenlandse aangelegenhe­den. Het Handvest van de Verenigde Naties regelde wel, in het kader van het zelfbeschikkings­recht van volken, de individuele rechten van de mens, maar repte niet van collectieve rechten voor minderheden.[18] Aangezien nationalisme in deze periode een vrijwel onzichtbaar bestaan leidde, leek het systeem vrij goed te voldoen: in het Westen werden individuele rechten goed beschermd en in het Oosten kreeg nationalisme eenvoudig geen kans, waardoor het rustig bleef. Toen de druk van het communis­me echter verdween, kwam het nationalisme weer op en kwam de positie van nationale minderheden onder druk te staan. Nu gaan steeds meer stemmen op om ook collectieve rechten te gaan toekennen aan minderheden.

 

Volkenbonds-ervaringen en de toekomst

Collectieve veiligheid staat onder andere voor een garantie van recht, democratie en vrede. De coöperatie van de vijf permanen­te leden van de Veiligheidsraad en het feit dat de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov te kennen gaf dat men in zijn buurlanden niet zou inter­venieren indien men hervormingen door zou voeren, betekende dat de rechten daar voortaan uitgelegd konden worden als in het Westen, en dat collectieve veiligheid dichterbij was gekomen.[19]

 

Tevens is met het einde van de Koude Oorlog een nationalisti­sche Renaissance aangebroken, die bedreigend is voor de positie van minderheden. Er bestaat angst voor een nieuw ‘Sarajevo-syndroom’. Men wil de nationalisten dus in bedwang houden. Dit zou kunnen door de staatsgrens irrelevant te maken voor de beleving van natio­nale identiteit.[20] Maar hoe bereikt men dat? Aangezien in een stelsel van gelijke individuele rechten grens­wijzigingen uitgesloten zijn, maar daarentegen een homogene staat onmogelijk is, ligt de oplos­sing in een systeem van staatkundige decentralisatie van heterogene staten.[21]

 

Tot op heden is men nog niet bereid geweest aan bevolkingsgroe­pen collectieve rechten toe te kennen. Het argument dat hier­voor wordt aangevoerd is dat dit stimulerend zou werken op autonomieverlangens en dat het de nationale integriteit in gevaar zou brengen. Dit is ongeveer hetzelfde bezwaar als hetgeen ten tijde van de Volkenbond naar voren werd gebracht. De minderheden echter draaien het argument juist om: autonomie­verlangens ontstaan juist doordat men geen collectieve rechten heeft. In de zgn. ‘Pentagonale Groep’ (Oosten­rijk, Tsjechi­ / Slowakije, Hongarije, Italië en ‘Joegoslavië’) is echter een begin gemaakt. Men heeft hier ingezien dat voor het bespreken en oplossen van minderhedenproblematiek autonomie en collectie­ve rechten inder­daad noodzakelijk zijn.[22]

 

Inmiddels heeft zich recentelijk een geval voorgedaan van humanitai­re interventie ten behoeve van een minderheidsgroep, namelijk de Koerden. Er zijn zes criteria te formuleren waaraan een dergelijke interventie zou moeten voldoen om rechtmatig te zijn:[23]

  1. Er is sprake van een ernstige humanitaire noodsitua­tie.
  2. De vredes- en veiligheidsmechanismen van de Verenigde Naties zijn zonder effect gebleven.
  3. Een snelle gewapende actie is het enige redmiddel.
  4. De interventie wordt niet veroordeeld door de Verenig­de Naties.
  5. De gevolgen van een interventie zijn positief in verhouding tot de eerdere situatie.
  6. De interventie draagt een tijdelijk karakter.

 

Twee Europese intergouvernementele organisaties zouden geschikt kunnen zijn om Volkenbondservaringen te implementeren: de CVSE en de Raad van Europa. Hun voordeel is dat het Europese organi­saties zijn, die zich dus specifiek aan de Europese problema­tiek van de minderhe­den kunnen wijden.[24]

 

De CVSE is wegens zijn niet ver ontwikkelde institutionele structuur het meest geschikt om het politieke aspect van min­derhedenbescherming te waarborgen. Men kent reeds, zonder hier nu verder op in te gaan, het Consulta­tiemechanisme en de Proce­dure voor Vreedzame Beslechting van Geschillen. Een aanvulling zou kunnen liggen in de instelling van een Minderhedensec-

­t­ie.[25] Wat dan nog ontbreekt is de mogelijkheid om sancties op te leggen.

 

Een begin is reeds gemaakt. Tijdens de CVSE vergadering van 1 juli 1991 werd gesproken over minderhedenproblematiek, maar men kwam alleen tot algemene verkla­ringen. In het Slotdocument worden in Hoofdstuk IV tot VI suggesties gedaan om te komen tot een modus vivendi tussen minderheden en de meerderheidsbevol­kingsgroep. Enkele daarvan zijn: locale en/of regionale autono­mie, onderwijs in de moedertaal van de minderheid en het in­stellen van permanente trans­nationale of regionale commis-

­s­ies.[26]­­ Bovendien werd het Nederlandse voorstel voor een Hoge Commis­saris voor de minderheden aanvaard.

 

De lidstaten van de Raad van Europa hebben reeds een ontwerp gemaakt van een minderhedenconvenant, dat onderdeel moet gaan uitmaken van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens (ECRM).[27] Dit verdrag gaat op bepaalde punten al verder dan het systeem van de Volkenbond. Enerzijds heeft het Hof voor de Rechten van de Mens meer bevoegdheden dan het Permanent Hof van Internationale Justitie in 1919 (dwingende rechtsmacht), ander­zijds is er het individueel klachtrecht, waarvan veel gebruik wordt gemaakt.[28]

 

Slot

 

Relevantie voor collectieve veiligheid

De oorlogen van de periode vóór 1945 werden mede veroorzaakt door hyper-nationalisme. Hyper-nationalis­me is een versterkte vorm van nationalisme die andere staten als inferieur en be­dreigend ervaart en hen dus vijandig benadert. In het verleden is dit vaak ontstaan doordat de meeste Europese staten natie-staten zijn, die in een anarchistisch systeem onder continue bedreiging van elkaar staan. Politieke elites probeerden ver­volgens vaak deze gevoelens te mobiliseren.[29] Het zal duide­lijk zijn dat van deze aggressie­ min­der­heden vaak het slachtof­fer worden. Bescherming van minderheden zal dus het best ge­waarborgd zijn in een systeem van collectieve veilig­heid. De Volkenbond als collectief veiligheidssysteem had alleen succes­vol kunnen zijn, indien staten bereid waren geweest te denken in het belang van de interna­tionale gemeen­schap. Omdat dit niet gebeurde, moest het minderheden­bescherminssys­teem verenigd worden met het begrip nationale soeve­reiniteit, wat niet moge­lijk was. Tevens bleef het een regionaal systeem. Betrek­kingen tussen minderheden en hun regeringen is natuurlijk op de eerste plaats een binnenlandse aangelegenheid. De koppeling met de Volkenbond was dus bedoeld in het belang van de internationale veilig­heid. Het uitein­delijke doel van het systeem was het vermijden van oorlog als gevolg van minderhedenproblematiek, collectieve veiligheid. Toen het collectief veiligheidssysteem de Volkenbond geen steun meer had, verdween het minderhedenbe­schermingssysteem ook.[30]

 

Over de vraag welk statensysteem het veiligst is, een bipolair of multi­polair systeem, bestaat veel discussie. Afgaan­de echter op de ervaringen van minderheden in deze eeuw, zou men kunnen vermoeden dat voor hen een bipolair systeem, zoals we dat kenden ten tijde van de Koude Oorlog, veiliger is. Dit geeft dan tevens aan, nu de wereld opnieuw multipolair lijkt te zijn geworden, hoe urgent het minderhe­denvraagstuk weer is geworden.

 

Conclusie

De bescherming van minderheden moet onderdeel zijn van een systeem van collectieve veiligheid, omdat oorlogen vaak uit minderhedenproblematiek voortkomen. Behalve door individuele rechten, moet hun positie ook gewaarborgd worden door collec­tieve rechten, omdat een natie zichzelf ook ziet als collec­tief. Alleen door het toekennen van collectieve rechten, kan men de beleving van nationale identiteit onafhankelijk maken van staatsgrenzen. Hoewel het minderhedenbeschermingssysteem van de Volkenbond hieraan tegemoetkwam, faalde het, omdat de Volkenbond zelf als systeem van collectieve veiligheid zijn autoriteit verloor. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan was dat de Volkenbond het moest stellen zonder het lidmaatschap van de Verenigde Staten, waardoor het een torso bleef. Een collectief veiligheidssysteem kan niet de steun van de grootste mogendheden ontberen. Vanuit die optiek bezien zijn de kansen voor een goed werkend collectief veiligheidssysteem tegenwoor­dig groter, en dus ook voor succesvolle bescherming van de positie van minder­heden.

 

Aanhangsel

 

 

 

Aantallen ontvankelijke petities

Na de invoering van het Tittoni-Rapport: 1921-1929

’21:                  12

’22:                  20

’23:                  11

’24:                  17

’25:                  25

’26:                  21

’27:                  30

’28:                  43

’29:                  21 (tot juni)

 

Officiële statistieken na resolutie 1929

’29-’30:            31

’30-’31:            73

’31-’32:            80

’32-’33:            37

’33-’34:            50

’34-’35:            37

’35-’36:            13

’36-’37:            8

’37-’38:            10

’38-’39:            1

 

 

 

Literatuurlijst:

Baehr, P.R.: Human rights and people’s rights, in: Human rights     in a pluralist world: individuals and collectives (J.             Ber­ting, red.), Westport 1990.

Guggenheim, P.: Der Völkerbund in seiner politischen und recht­     lichen Wirklichkeit, Leipzig / Berlin 1932.

Gütermann, Ch.: Das Minderheitenschutzverfahren des Völkerbun­ des, Berlijn 1979.

Herman, J.: De Volkenbond en de bescherming van nationale

            minderhe­den: relevant voor het heden?, in: Grenzen aan de

Europese integra­tie; het Westerse antwoord aan Oost-        Europa (J.G. Siccama en J.Q.Th. Rood, red.), Maastricht /

Den Haag 1992.

Herman, J. (2): The CSCE meeting on national minorities in

            Geneva, in: Helsinki Monitor, 2(4) 1991.

Koch, K.: Herlevend nationalisme in Midden- en Oost-Europa:

            oude problemen, nieuwe perspectieven, in: Jason, 17(2)

april 1992.

Kooijmans, Prof. mr. P.H.: Internationaal publiekrecht in

            vogel­vlucht, Groningen 1991.

Mayall, J.: Non-intervention, self-determination and the ‘new

            world order’, in: International Affairs, 67(3) July 1991.

Mearsheimer, John J.: Back to the future, in: International

Security 15:1.

Schiffer, W. (ed.): Repertoire of questions of general interna­           tional law before the League of Nations 1920-1940, Geneva

1942.

Schücking, W. en H. Wehberg: Die Satzung des Völkerbundes,

Berlin 1921.

Siccama, J.G.: Vermeend recht op zelfbeschikking stuit op

            probleem, NRC 12-7-1991.

Vermaat, J.A.E.: Humanitaire interventie als volkenrechtelijk

            probleem: over Koerden en precedenten, in: Internationale

Specta­tor, 45(9) september 1991.

Vree, Johan K. de: Foundations of social and political proces­          ses; the dynamics of human behaviour, politics, and

            society – volume 1: theory, Bilthoven 1984.

 

     [1] Het plan van Freddy Heineken, voor een verdeling van Europa in 75 staten van elk maximaal 10 miljoen inwoners, zal in dit stuk verder buiten beschouwing blijven.

     [2] Baehr pag. 99-108

     [3] De Vree, pag. 395

     [4] Kooijmans, pag. 25

     [5] geciteerd in: Claude, pag. 6.

     [6] Schücking, pag. 13

     [7] Gütermann, pag. 337

     [8] Guggenheim, pag. 266

     [9] Claude, pag. 16

     [10] Herman, pag. 37-38

     [11] Het verdrag met Polen, in: Gütermann, pag. 27

     [12] Herman, pag. 39

     [13] Herman, pag. 39-40

     [14] Gütermann, pag. 123

     [15] Gütermann, pag 126

     [16] Gütermann, pag. 135-138

     [17] Gütermann, pag. 142-143

     [18] Mayall, pag. 421-429.

     [19] Mayall, pag. 421-429.

     [20] Koch pag. 1-7

     [21] Siccama, NRC 12-7-1991

     [22] Herman(2), pag. 53-55.

     [23] Vermaat pag. 567-572

     [24] Herman, pag. 41

     [25] Herman, pag. 44

     [26] Herman (2), pag. 53-55.

     [27] Herman, pag. 42

     [28] Herman, pag. 45

     [29] Mearsheimer, pag 21

     [30] Gütermann, pag. 148

Verder lezen: