Laatst ontmoette ik neef Pierre Botden. Ik vertelde hem het verhaal over vaders autoos, dat ik in de vorige nieuwsbrief had geschreven. Hij herinnerde zich het voorval nog goed, zei hij, dat hij zijn vingers emstig klemde tussen de achterdeur van vaders Pontiac. Dat was, verteld hij, bij de uitspanning ‘de Kleine Elft’ in het plaatsje De Reek. En nog altijd, zo ging hij verder, vertel ik mijn kinderen en kleinkinderen dat het daar toen en toen is gebeurd. Maar Pierre Botden voegde daar nog een fraai verhaal aan toe.

Op zekere dag had vader besloten om met enkele jongelui, Jan, Flarrie, Pierre en Theo Botden, denk ik (ook wijlen Paul Timmermans ging geloof ik mee), op bedevaart te gaan naar Wittem, naar de Heilige Gerardus Majella. Ik herinner mij nog dat ze bar vroeg moesten opstaan, vier uur ’s nachts, om een beetje op tijd in de bedevaartsmis te zijn. Na afloop van de kerkelijke plechtigheid zou men dan wat gaan rondtoeren in het mooie Zuid-Limburg. Maar het was toen zo verschrikkelijk mistig geworden, dat men geen hand voor ogen kon zien. Vader stelde toen voor, met ferme instemming van de jongelui, om in Venlo naar de voetbalwedstrijd van VVV tegen PSV (of EVV) te gaan. Want Bep Bakhuis zou voor de eerste keer met VVV meespelen. In die vooroorlogse voetballerij bestond nog geen echt voetbal-professionalisme in Nederland. De nationale voetbalbond was voorstander van puur amateurisme. Nouja. puur? Bij VVV Venlo bijvoorbeeld had men zo zijn eigen voorstelling daarvan, zeker de voorzitter (de naam schiet mij niet te binnen, hij deed iets in olie. Noot van Leo: heette hij niet Van Dalen?). In Venlo had men altijd wel een sigarenwinkel of iets dergelijks voor een goede voetballer beschikbaar. Bep Bakhuis was toen een bekende midvoor en goalgetter bij Feijenoord en vooral ook bekend om zijn rol in het Nederlands elftal. VVV wist
hem over te halen om in Venlo te komen voetballen (voor een niet-gepubliceerde beloning uiteraard). Op zekere dag werd hij met fanfaremuziek bij het NS-station Venlo binnengehaald.

Op die bedevaartsdag togen vader en de jongelui dus naar Venlo. Op alle aanplakbiljetten stond aangekondigd, dat Bakhuis die dag voor het eerst zou meespelen. Daar hadden trouwens de bedevaartgangers meer interesse voor dan voor het fraaie, zij het mistige Zuid-Limburgse landschap. Eenmaal de entreepoort van het VVV-terrein gepasseerd, lazen ze tot hun diepe tetreurstelling dat de toenmalige KNVB geen toestemming had verleend om Bakhuis voor die wedstrijd op te stellen. Men realisere zich, dat het professionalisme in de voetbalsport in Nedcrland pas in de jaren 1950-1960 van de grond kwam, aanvankelijk tegen de zin van de KNVB-amateurs. Aldus het verhaal van Pierre Botden.

De moraal.
Bep Bakhuis heeft niet zo lang bij VVV gevoetbald en is als full-time prof gaan voetballen bij Metz (geloof ik). Omstreeks 1980 is hij in betrekkelijke armoede aan tbc overleden in Nederland.

De Pontiac van vader is, zoals ik in de vorige Nieuwsbrief schreef, vlak na de oorlog, ontdaan van zijn ziel, op het autokerkhof te Deurne weggeroest.

Maar de bedevaartplaats Wittem van de H. Gerardus Majella wordt opgestuwd in de vaart van de Europese bedevaartplaatsen. Wittem is namelijk officieel genomineerd, tegelijk met de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch en Sint Bonifatius van Dokkum om opgenomen te worden in de rij van de grote bedevaartplaatsen zoals Lourdes, Fatima, Kevelaar en Santiago di Compostella.

Matthieu, Zoetermeer februari 2001.

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 6, april 2001.

Verder lezen: