Allereerst wil ik danken voor de ruime, sympathieke aandacht die de schrijvers in dit familieblad aan Fien hebben gegeven.

Ook aan Harrie, neem ik aan, zal in deze krant wel de nodige aandacht worden besteed. Harrie was mijn oudere broer, met wie ik veel ben opgetrokken. Het was opvallend dat na de begrafenis zijn beide dochters aan mij vroegen of de song bij Harrie’s bruiloft over de tandem wel klopte. Mijn antwoord was uiteraard bevestigend; alleen de laatste regel klopt niet, die rijmt alleen maar op de voorgaande, voegde ik daar aan toe.

Over Harrie gesproken: wat Cécile niet vermeldde in haar interview in de vorige krant, was het verhaal over de soldaat-schrijver die bij hen (de kapitein en Harrie als militaire inkoopdienst) in dienst was in het toenmalige Batavia. Deze soldaat-schrijver voerde een staat van dienst in Batavia, waar zelfs een generaal slechts van kon dromen, terwijl toch zijn soldij naar Nederland werd overgemaakt. Maar dat rijke raadsel werd uiteindelijk opgelost. Hoe was de gang van zaken? De beide heren, de kapitein en Harrie, bestudeerden de goederen-offertes (veelal van Chinese bedrijven) en besloten dan om bijvoorbeeld offerte X de levering te gunnen. Zij gaven dan aan de soldaat-schrijver opdracht om dat aan Chinees X schriftelijk mee te delen. De soldaat-schrijver nam dan echter eerst de telefoon en zei tegen Chinees X: “Wat is het je waard als ik ervoor zorg dat jouw offerte wordt geaccepteerd?” Enfin, na enige tijd liep hij uiteraard tegen de lamp en was het luxueuze leven afgelopen.

Wij hebben toen hartelijk gelachen om dat verhaal; en vooral ook hard. Want wat was het geval die avond, toen Harrie dat verhaal thuis in Wanssum vertelde? In de aanpalende kamer lag vader opgebaard, die de nacht daarvóór plotseling overleden was bij de brand in zijn bedrijf. Wellicht hebben wij ons moed in gelachen.

Over Harrie gesproken. Hij ontmoette Jan wel eens in een restaurant, gelegen in de bergen tussen Batavia en Bandoeng. Fien en ik waren op doorreis van de vergadering en congres van de Internationale Zuivelbond in Auckland naar Sumatra. Wij waren toen een viertal dagen gast, als kleine delegatie, van de Friesche Vlag in Indonesië. Ondermeer maakten we toen een excursie door de bergen en de rijstvelden. Bij die gelegenheid kwamen wij voor een theepauze ook toevallig in dat restaurant. Voor Fien was een gelukje dat ze daar een nieuw filmpje kon kopen, zodat zij nog meer foto’s kon maken van die Java-excursie. Wat er gebeurd is, Joost mag het weten, maar de gebruikte film werd wederom in het toestel geplaatst …. de rest laat zich raden. Geen foto’s dus!

Verderop tijdens die excursie zouden wij een bezoekje brengen aan de beroemde tuinen in Buitenzorg. Maar wij kwamen daar iets te laat aan en werden dus niet meer binnen gelaten. En natuurlijk verschenen de verkopers met hun producten. Fien had interesse in een ruggenkrabber  als souvenir voor Jules. Op de prijs werd zwaar afgedongen, vooral door mij, temeer omdat ik voor dat product geen interesse had. Terwijl het busje al reed, riep de verkoper naar Fien wat haar man dan wel zou willen betalen, waarna ik antwoordde: “Eén gulden!”. “AMMEHOELA”, riep de verkoper. Jammer dat het busje al een flinke snelheid had, want alleen al vanwege die uitspraak had ik het alsnog willen kopen. Geen souvenir dus!

Wij gingen daarna naar Sumatra. Allereerst om bloemen te leggen bij het graf van pater Licinius Fasol, een broer van Romé, die in Kabanjahe pastoor was geweest. Mijn neef, Broeder-Hoofdonderwijzer (gepensioneerd) Jacques Botden, hoorde van onze plannen en stond erop ons een dag of acht over Sumatra rond te rijden (zijn kloosternaam was Reinolfus; zijn medebroeders noemden hem Reintje). Wij hebben, mede namens de familie Fasol, bloemen gelegd op het graf van Pastor Lisi, zoals hij in Kabanjahe werd genoemd. De ontvangst na de Hoogmis op die zondag was zeer ontroerend. Om nooit meer te vergeten!

Enkele maanden geleden bij een bezoek aan het Zoetermeerse ziekenhuis, afdeling cardiologie, raakte ik in gesprek met een verpleegster aan wie ik vroeg of zij van Java was, waarna zij antwoordde: “Van Sumatra.” Ik wilde haar toen van Kabanjahe vertellen, maar zij zei zeer verrassend: “Pastor Lisi.” Enige tijd geleden waren Romé en Tilly op bezoek bij mij, waarbij voor de kennismaking ook de verpleegster en haar man waren uitgenodigd. Voor Romé uiteraard een prachtmoment aan de hand van zijn boek uitvoerig met deze verpleegster herinneringen op te halen.

Zo schrijvend van de hak op de tak, kom ik op “Late Haver”. Die uitdrukking was mij vóór het schrijven door Romé van zijn boek niet bekend. Dat boek vol herinneringen heb ik met veel belangstelling gelezen. Het wonderlijke is dat tenslotte ‘late haver’ zelfs ‘cement’ kan worden. Maar dat gebeurt alleen bij goede burgemeesters!

Waarvan akte!

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 20, december 2009.

Verder lezen: