De vorige familie-nieuwsbrief bracht mij tot het voornemen (na een dringend gesprek met de oudste redacteur) om enige aandacht aan de diverse onderwerpen uit dat nummer te wijden.

Fotoquiz van Cécile

Uiteraard heb ik daaraan meegedaan; het raden en gokken zit mij om de een of andere reden in het bloed. Het laatste staatslot bracht 10 maart j.l. € 20 op, maar de daaraan voorafgaande trekking leverde niks op. Wij blijven echter moedig voortgaan en troosten ons met de vrome gedachte aan de vele goede doelen die met mijn wekelijkse inzet worden gevoed. Tenslotte nog een mooi voorbeeld van het Joods Nationaal Fonds, dat al vele jaren lang een bosaanplanting-loterij organiseert; ik doe daar al zo’n dertig jaren aan mee. De laatste keer heb ik een prijs gewonnen: een asbakje “Made in Jerusalem”! Gut, gut, wat waren we blij! En ik rook niet eens!

Ik heb dus meegedaan aan Cécile’s fotoquiz; voor het goede doel natuurlijk, wat dat ook moge zijn. Ik heb de indruk dat mijn antwoorden niet juist zijn. Ik ben dus erg benieuwd, Cecile, naar wat de foto’s voorstellen.

Bridgen

Ongetwijfeld zal Jan in Engeland en Nederlands Indië in de bridgesport zijn gegroeid. Echter, mij hangt bij dat neef Sjeng Vermazeren (toen nog leerling van de hoogste klas van het Kruisheren College te Uden) in de vakantie ons de beginselen van het bridgen heeft bijgebracht.

Hoe dan ook: bridge was in de familie bekend geworden.

En Theo en Ineke achtten voldoende kennis aanwezig om een bridgedrive te organiseren, aanvankelijk in Venray en Wanssum (geloof ik).

In die periode heb ik een kleine wisselbeker ter beschikking gesteld. Wie heeft uiteindelijk dit –eerlijk is eerlijk- waardeloze prul in de prijzenkast staan?

In het betreffende artikel wordt ook vermeld dat Moeder wel eens heeft meegespeeld. Zij heeft bridgen pas op latere leeftijd geleerd. Rikken, Harten Jagen, Kruisjassen, Huëgen, Jokeren en andere gangbare kaartspelen werden door haar deskundig en zeer sterk gespeeld. In vergelijking met de genoemde kaartspelen was bridge niet meer dan “kaart verraden”. Gememoreerd werd ook nog het “senske”-bod dat Moeder eens gaf. Nou is “sens” een goede vertaling van het Franse “sans atoût” naar Wanssums dialect. De toevoeging van het verkleinende “-ke” wil alleen maar aanduiden dat Moeder weliswaar een sans-atoût kaartverdeling in handen had, maar bij elkaar rotkaarten; dus op haar manier deed ze aan “kaarten verraden”.

Ook Hugo beschrijft in zijn artikel hoe feestelijk hij genoot van de voorbereiding van de bridgedrives en als jeugdige toeschouwer erg laat naar bed kon. Ook herinnert hij aan de geweldige sneeuwval, die onverwacht Nederland aandeed. Diederik en ik hebben in dat jaar aan de drive deelgenomen, in Molenhoek overnacht, ontbeten en toen uiteraard moeten constateren dat er die nacht bar veel sneeuw was gevallen. Niettemin bracht Theo ons met zijn slibberende auto naar station Nijmegen, waar volgens de officiële dienstregeling de trein omstreeks 10.30 uur zou vertrekken, wat natuurlijk veel later werd. Hoe vaak we hebben moeten overstappen, weet ik niet meer, maar uiteindelijk arriveerden we in Gouda, waar aangekondigd werd dat de treinen daar niet verder gingen. Met andere woorden: Zoetermeer en Voorburg waren met de trein niet bereikbaar, Den Haag slechts via Rotterdam.

Gelukkig stond bij station Gouda nog één taxi, die voorzichtig rijdend ons tot vooraan in Zoetermeer bracht. Al lopend de laatste kilometer waren wij om 18.00 uur thuis, waar het avondeten opgediend werd; we waren dus op tijd thuis!

Bij de NS sprak men toen nog niet over “vierkante wielen”. Dat was pas het geval tijdens de daarop volgende sneeuwmassa, toen er weer sprake was van sneeuwoverlast. Nu, in 2012, hoort men die terminologie niet meer. Men is kennelijk tot de bevinding gekomen dat met vierkante wielen rijden onmogelijk is.

In alle ernst: politiek-juridisch heeft men destijds tot privatisering van een openbaar Nutsbedrijf besloten en wellicht dat men daar in de toekomst enigszins van terugkomt.

Kort verhaal

In de vorige familie-nieuwsbrief schreef Frank zijn verhaal en vertelde dat de Bemmelse uitgever enkele mensen had benaderd om een kort verhaal te schrijven. Dat moest aan bepaalde literaire kwaliteiten voldoen. De korte verhalen die aan de door de uitgever gestelde eisen voldeden, werden in een aparte bundel opgenomen. Dat van Frank niet. Ik heb daarover geen oordeel. Wel las ik onlangs dat veel schrijvers (waaronder zelfs de besten) dikwijls met hun schrijversproducten moeten leuren om deze gepubliceerd te krijgen. Wellicht is dit een troost, Frank, weliswaar een schrale, maar meer heb ik niet. Sorry!

In dit verband vertelde ik aan Theo dat ik einde 1947, begin 1948, een kort verhaal gepubliceerd heb in het toen nog bestaande weekblad Kompas. In die tijd, of kort daarvóór, was ik met drie andere kornuiten in dienst/opleiding bij de Luchtmacht Voorlichtingsdienst. Mijn verhaal werd geplaatst, dat van de collega’s niet. Waarom wel, waarom niet, werd niet verteld. Ik kreeg daarna een honorarium van 25 gulden, wat voor een beginnend universiteitsstudent toentertijd een kapitaal was.

Het betreffende exemplaar van dat weekblad ben ik op de een of andere manier kwijtgeraakt. Vader kocht een exemplaar, dat na lezing waarschijnlijk bij de sigarenas en –peuken werd gevoegd. Het vervelende van dit alles is dat ik van dat korte verhaal titel noch jota meer weet … Maar toevallig hadden wijlen (oom) Leo en ik daar een gesprekje over, waarbij hij vol trots de beginwoorden citeerde, te weten: “Het was nacht, stikdonkere nacht”, waarna mij nog de slotwoorden te binnen schoten en wel “Dat het slechts een droom was”.

Maar hoeveel woorden tussen deze begin- en slotwoorden liggen en waarover deze gaan, noch hoe het verhaal heet, is mij bekend gebleven. Theo vertelde mij vorige week dat hij nog Google had geraadpleegd, maar er ook niet wijzer van was geworden.

Tot slot van deze Allerhande nog een korte geschiedenis. Voor de diensttijd bij de Luchtmachttroepen had ik met goed gevolg een schriftelijke cursus journalistiek gevolgd. Ik heb daarover met de toenmalige hoofdredacteur van de Venlose krant gesproken. Deze man heeft vervolgens met Vader gesproken en de doorslag gegeven met de woorden: “De journalistiek brengt wel een boterham op, maar geen beleg daarop.” En daarmee was dit van de baan.

Voor menigeen zal het een troostrijke zekerheid zijn dat nooit een krantenredactie of een weekblad of een uitgeverij een kort verhaal, in welke vorm dan ook, van mij heeft gevraagd. Waarvan akte.

Matthieu, Zoetermeer, maart 2012

Verschenen in Familiekrant Van Els, nr. 24, april 2012.

Verder lezen: