Allerd Dircksz Fasol was schepen van Amsterdam in 1539 en 1541 en raad van Amsterdam in 1541. Hij overleed op 27 juni 1545 en ligt begraven in de Oude Kerk in Amsterdam. Zijn graf is er nog steeds te zien. Zijn familiewapen staat op het graf afgebeeld. Hieronder zet ik alles wat over hem bekend is onder elkaar, in de hoop dat kenners van de Amsterdamse geschiedenis er iets op kunnen aanvullen.

J. Wagenaar noemt hem in ‘Amsterdam in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeerinhe’, (Isaak Tirion) 1760-1768 en Mr. P. van den Brandeler beschrijft zijn familiewapen in ‘De wapens van de magistraten van Amsterdam sedert 1306 tot 1672’, ‘s-Gravenhage 1890.

Wagenaar

Familie

In feite is van deze familie alleen Allerd Dircksz Fasol bekend. Uit zijn patroniem leiden we af dat zijn vader Dirck heette, en dat is het.

Het tijdschrift ‘De Gids’ suggereert in 1862 dat de naam ‘van over het IJ’ zou zijn. Zie de onderstaande interessante passage uit ‘De oudste geslachten van Amsterdam’: De Gids, vol. 26, deel II, 177- 197:

‘Het is opmerkelijk dat van oudsher geene stad van Holland zoo weinig adel opgenomen heeft als Amsterdam. Toen in de 15de en 16de eeuw een gedeelte der adellijke geslachten zich in de steden terugtrok, zochten zij te Haarlem, Leiden, Alkmaar en elders een onderkomen maar bijna in het geheel niet te Amsterdam. De reden van dit verschijnsel ligt misschien daarin, dat een groot deel der oudere bevolking van die stad uit Westfriesland en Waterland gesproten was, waar men bijna geenen adelstand kende.

[…]

Toen nu de handel meer en meer naar die stad trok staken ook zij in menigte het IJ over, begonnen in de stad zelve handel te drijven en kwamen alras in het bestuur.

[…]

Vandaar ook dat wanneer men de oude regeringslijsten der stad nagaat men er zoo weinig vindt, die een ‘van’ voerden terwijl dit elders toch al in gebruik begon te komen. Evenals in Westfriesland noemden zij zich naar hunnen vader en voegden zij er eene soort van toenaam bij: dan waren het namen als Romenyboot, Fa-Sol, Kaars, Buyck, Modder, enz., even als men aan de overzijde gewoon was en tot in de 16e, ja zelfs het begin der 17e eeuw waren vaste toenamen onder de burgerij niet algemeen en die ze geërfd hadden lieten ze zelfs wel varen ten minste voor dagelijksch gebruik.

[…]

In het algemeen moet men de stedelijke vroedschap dier dagen niet gelijk stellen met die der 17e eeuw toen de patricische geslachten in vollen luister bloeiden en er tusschen hen en de burgerij een afstand ontstaan was die hooghartigheid aan den eenen diepen eerbied aan den anderen kant verwekte. Wel waren ook de schepenen der 15e eeuw volgens de keuren der stad uit de rijkste notabelste en verstandigste burgers genomen, maar zij waren én bleven burgerlieden in de latere beteekenis van het woord. Vele leden der vroedschap traden uit hunnen winkel naar het raadhuis en schaamden zich niet achter de toonbank hunne kalanten te bedienen. Voor het overige waren zij welgezetene burgers die veelal in de Warmoesstraat of op den Nieuwendijk in hunne eigene huizen woonden en door hunne handelsreizen ondervinding en wereldkennis hadden opgedaan. Het is waar, er waren ook reeds vroeg eigenlijke kantoren te Amsterdam die zich alleen met groothandel bezig hielden, maar zelfs de chefs dezer huizen genoten in den dagelijkschen omgang weinig meer ontzag dan de welgestelde winkelier, dan de lakenkooper, de apotheker, de ijzerhandelaar, die gegoed waren en in een eigen huis woonden. Zoo komen gedurig in de regeringslijsten de namen der leden met bijvoeging van de lijndraaijer, deverwer, de zeïlemaker, de goudsmid, de stillegangmakerszoon en anderen voor. De burgerij was in Amsterdam geheel demokratisch. Terwijl elders althans te Dordrecht de leden der vroedschap zich den titel van heer aanmatigden die alleen aan ridders toekwam, voerde te Amsterdam niemand dien titel dan misschien de schout en de burgemeesters. De voornaamste ingezetenen der stad, vrouwen zoowel als mannen, werden bij den doopnaam aangesproken.’

Als wat hierboven beschreven staat inderdaad ook op Allerd Fasol van toepassing is, dan zou hij zijn invloed en fortuin in de handel vergaard hebben. En welgesteld was hij, gezien het feit dat hij inde Oude Kerk begraven was en in het stadsbestuur actief was.

Twee naamgenoten, elders in Nederland, zijn in dit verband interessant en kunnen een aanknopingspunt bieden over zijn familie:

  • Heyndrick Cornelisz Voshol, midden 16e eeuw schepen van Poortvliet (Ermerins, Zeeuwsche oudheden, dl.IX, p.131). Dit is een tijdgenoot en eveneens een magistraat, maar dan in Zeeland. In Zeeland kennen we een familie Fasol, waarvan de naam aanvankelijk ook gespeld wordt als Voshol.
  • Jan Jansz Voshol of Fasol, mede-reder in een botschip ‘De Vleermuis’, mogelijk afkomstig van Haarlem, werd poorter van Vlaardingen op 3 januari 1606. Hij woonde op de Hooghstraat. Jan Jansz vergaarde een fortuin in de graanhandel, wat blijkt uit vele notariële bronnen.

Familiewapen

De hypothese van handelaar wordt ook ondersteund door zijn familiewapen.

In de collectie Musschart, bewaard in het Centraal Bureau voor Genealogie, wordt het wapen zo omschreven:

‘In rood een gouden merk als onderstaand. Schets vergezeld rechts van den gouden Gothischen minuskel “a”, links van den gouden Gothischen minuskel “d”. Allerd Dircksz. Fasol in 1539 schepen en in 1541 raad van Amsterdam. De wapens der magistraten van Amsterdam door mr. P. van den Brandeler, p. 93’. [bron: CBG, coll. Musschart, 87c].

Van den Brandeler schrijft letterlijk:

‘1539: Allerd Dircksz Fasol, Schepen; Raad in 1541. In rood eene gouden figuur, vertoonende een ter weerszijden aan het ondereinde door schuinbalkjes ondersteunden paal, voorzien aan het boveneinde, ter linkerzijde, van een dwarsbalkje; vergezeld, rechts, van de letter a, links, van de letter d, beide van goud.’ [bron: Mr. P.A.J. van den Brandeler: ‘De wapens van de magistraten van Amsterdam sedert 1306 tot 1672’, ‘s-Gravenhage 1890].

IMG_0005

Allerd Dircksz Fasol ligt begraven in de Oude Kerk, in de St. Joriskapel, nr. 40. Het wapen is ook op de grafsteen te zien. Beschrijving van de grafsteen: In hoek: kelk; over beide zerken heen banderol in ruitvorm, met inscriptie, gotisch.

Dergelijke wapens worden door C.Pama behandeld onder de titel Huismerken. Dit zijn vaak eenvoudige tekens, oorspronkelijk gebruikt om eigendom aan te geven. Verschillende koopmanstekens zijn in wapens overgenomen. [bron: C.Pama: ‘Heraldiek, geschiedenis der familiewapens van de middeleeuwen tot heden’, Prisma 1958].

allardUithangteken

Een laatste bron werpt een nog nader licht op Allerd Dircksz Fasols activiteiten.

J. van Lennep en J. ter Gouw schrijven in ‘De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd’ (2 delen, Gebroeders Kraay, Amsterdam 1868, p. 45-48):

‘In de zestiende eeuw zien wij reeds de ruimste verscheidenheid van voorstellingen aan gevels en luifels en op uithangende borden. Wij hebben om zulks aan te toonen slechts een blik te werpen op de Amsterdamsche uithangteekens van dien tijd en dan vinden wij:’

[..]

‘Velen ook hebben den toenaam zonder voorzetsel. Wij behoeven ten bewijze daarvan de Regeeringslijsten slechts na te zien, en dan vinden wij er de schouten Symon Sillemoer Claesz. Schol in 1509 (..) en de Raden Willem Claesz. Koeck in 1536, Allert Dirck Fa-sol (zeker het uithangteeken van een muzikant) in 1541, Cornelis Jansz. Roôcruys in 1567, (..).

Van Lennep en Ter Gouw concluderen hier voor de vuist weg, dat Allerd Dircksz Fasol  waarschijnlijk muzikant was. Ze dachten duidelijk aan de muzieknoten Fa-Sol, maar het lijkt me buitengewoon onwaarschijnlijk dat een muzikant het tot schepen zou kunnen schoppen. Waarschijnlijk hebben we hier dus te maken met het uithangteken bij zijn handelshuis.

Oproep

Ik ben zeer geïnteresseerd om meer te weten te komen over zijn familie en relaties met de andere Amsterdamse regentengeslachten. Wie weet meer over de Amsterdamse schepen Allerd Dircksz Fasol? Laat het weten!

Lees ook: Over de mogelijke familierelatie met Jan Jansz. Vosholl.

Verder lezen: