De nieuwe Algemene Nabestaandenwet (ANW) is inmiddels aangenomen. Vanaf 1 juli 1996 zal de ANW de oude Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) gaan vervangen, die sinds 1959 bestaat. Sommige pensioenregelingen hanteren in hun berekening een ingebouwd AWW-bedrag. De gevolgen voor rechthebbenden op deze pensioenen zijn groot, nu de AWW vervangen wordt door de ANW.

In de jaren ’50 ging men ervan uit dat de man kostwinner was. De wetgever wilde ervoor zorgen dat de vrouw, na het overlijden van haar echtgenoot, niet behoeftig achter zou blijven. Tegenwoordig is deze opvatting over de maatschappelijke positie van vrouwen natuurlijk achter­haald. Veel meer vrouwen zijn financieel onafhanke­lijk van hun echtgenoot, doordat zij betaalde arbeid verrichten. Sedert 1988 hebben bovendien ook mannen recht op AWW-uitkering, nadat het Europese Hof bepaalde dat de oude regeling discriminerend was. Daarnaast zijn er nu meer mogelijkheden om zich particulier tegen overlijden te verzekeren. De AWW was dus toe aan vernieuwing: tevens was er de noodzaak tot bezuinigingen in de collectieve sector. In 1991 werd ook al een wetsvoorstel ANW ingediend. Dit voorstel werd echter door de Eerste Kamer verworpen. De Kamer had met name problemen met de overgangsbepalingen voor bestaande AWW-gerechtigden en met de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden, omdat er dan teveel ANW-rechthebbenden zouden komen.

De gewijzigde maatschappelijke situatie heeft ertoe geleid, dat men verzekering tegen de financiële gevolgen van overlijden nu in hoofdzaak beschouwt als een zaak van de individuele burger. Voor bepaalde groepen is dit echter financieel nog niet haalbaar, waardoor het toch nodig was de volksverzekering niet helemaal op te heffen. De ANW heeft een beperkter karakter gekregen dan de oude AWW. Indien de nabestaande geen behoefte heeft aan en nabestaandenuitkering, wordt deze niet meer verstrekt.

Consequenties pensioenregelingen

In bijna alle pensioenregelingen wordt bij de vaststelling van de pensioenrechten rekening gehouden met de rechten die men heeft met betrekking tot de AOW/AWW. Gedeeltelijk wordt immers reeds voorzien in pensioen door de AOW/AWW-uitkering. Dit is ook noodzakelijk, omdat anders het totale pensioen van de gepensioneerde meer zou kunnen worden dan het inkomen vóór de pensionering. Dat vindt de fiscus onzuiver. Een pensioen wordt per gewerkt dienstjaar opgebouwd. Een pensioen van maximaal 70% van het laatstverdiende salaris wordt redelijk gevonden. Bij een 40-jarig dienstverband komt dat neer op 1,75% van het jaarsalaris aan pensioenopbouw per jaar. Sinds de commissie Witteveen haar licht heeft laten schijnen over de pensioenproblematiek, is een percentage van 2% toegestaan.

Er kan op verschillende wijzen rekening worden gehouden met de AOW/AWW. De meeste pensioenregelingen voor werknemers doen dat op basis van een zogenaamde franchise. Hierbij wordt een korting op het salaris toegepast, voordat het pensioen wordt berekend. Als deze korting op het salaris niet direct gekoppeld is aan de hoogte van de AWW (ANW)-uitkering, ontstaat er een gat in het pensioen. Er wordt dan immers meer gekort dan de uitkering later zal bedragen.

Bij inbouwregelingen wordt op het pensioen een korting in verband met AOW/AWW toegepast, zodanig dat het totale pensioen (inclusief AOW/AWW-uitkering) een bepaalde hoogte bereikt. De afschaffing of verlaging van het wettelijke pensioen (de AOW/AWW) heeft directe gevolgen voor de pensioenregeling. De pensioenfondsen zullen meer geld moeten bijleggen, waardoor de pensioenregelingen dus duurder zullen worden.

Bij regelingen met een AWW-hiatenpensioen is voorzien in een extra uitkering ingeval een AWW-pensioen niet wordt uitgekeerd, omdat men ‘buiten de regels valt’. Ook deze regelingen zullen dus duurder worden, wanneer het aantal nabestaandenpensioen-gerechtigden afneemt.

Paraplubepaling

De pensioenfondsen hanteren dus een inbouw/franchisesysteem waarbij het nabestaandenpensioen integraal verbonden is aan de huidige AWW. In bepaalde gevallen kan de nieuwe situatie ertoe leiden dat het recht op een nabestaandenuitkering vervalt. Hierdoor kunnen onvoorziene kosten voor de pensioenfondsen ontstaan. In deze situaties treed de paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen in werking (Art.103).

Deze paraplubepaling houdt in, dat er voor de pensioenfondsen tot het jaar 2000 geen verplichting bestaat het weggevallen stuk AWW (ANW) aan te vullen. Er wordt dus gerekend met een fictieve AWW (ANW)-uitkering, namelijk die onder de oude wet zou bestaan. Het pensioenfonds kan wel besluiten het gat op te vullen, maar die beslissing ligt uitsluitend bij de pensioenfondsen. Zolang dat niet gebeurt wordt de rekening gepresenteerd aan de pensioengerechtigden.

Bij pensioenregelingen kan thans veelal een nabestaandenpensioen worden opgebouwd van maximaal 70% van het toelaatbare ouderdomspensioen. Het wegvallen van de AWW kan leiden tot een lager totaal pensioen dan nu het geval is. Dat ‘gat’ wordt in de meeste regelingen niet automatisch gerepareerd, en waar dat wel zou kunnen voorkomt de paraplubepaling dat automatische aanpassing plaatsvindt aan de ANW. Het is aan werkgevers, werknemers en individuele burgers om hierin te voorzien, zo constateerde Staatssecretaris Vermeend van Financiën in zijn brief van 15 december aan de Eerste Kamer.

Het is bedrijfspensioenfondsen echter wettelijk onmogelijk om het ANW-gat op een flexibele manier op te vullen. De pensioenfondsen krijgen waarschijnlijk van de Verzekeringskamer geen toestemming om voor de werknemers een nabestaandenpensioen af te spreken als de werkgevers niet voor vijftig procent meebetalen. Om deze regeling te veranderen is een wetswijziging nodig. Particuliere verzekeraars hoeven zich overigens in tegenstelling tot bedrijfspensioenfondsen niets aan te trekken van de regel dat werkgevers moeten meebetalen aan de premies voor het nabestaandenpensioen.

De invoering van de ANW zal grote gevolgen hebben voor mensen, die een pensioenregeling hebben met een ingebouwd AWW-bedrag. Zij verliezen een gedeelte van hun pensioenuitkering, en zullen, als het pensioenfonds niet besluit het verlies van de gepensioneerde te compenseren, in andere regelingen zoals de Bijstand terecht komen. Pas na het jaar 2000 moeten de pensioenfondsen compenseren. Tot die tijd hebben zij de gelegenheid de pensioenregelingen aan te passen.

Dit artikel verscheen in ‘De Belastingbetaler’, 2e jaargang nr. 1, februari 1996.

Verder lezen: