Op vrijdag 17 maart 2000 werd in Venray het seminar “De ethiek van besturen in de zorg” ter gelegenheid van het afscheid van de voorzitter van de Raad van Toezicht van het VVGI. De scheidend voorzitter sprak het slotwoord.

Na elf jaren

Dinsdagavond beluisterde ik op Nederland I de gedachtewisseling van Jacobine Geel met hartspecialist A.J. Dunning en schrijfster Renate Dorrestein. Zij spraken over de technologisering en de daarvan afhankelijke eindigheid van zorgmogelijkheden en over de perceptie van die mogelijkheden bij zorgzoekenden. Het is duidelijk dat een dergelijk dilemma zeer wordt bepaald door plaats en cultuur in deze wereld. Renate Dorrestein vroeg zich in haar bijdrage af, of toename van die technologisering niet ook een soort isolering van de patiënt veroorzaakt. Enerzijds ontstaat er distantie met de realiteit door de hooggespannen verwachtingen over mogelijkheden, anderzijds door het feit dat de omgeving reageert op de zieke met een nieuw soort ritueel van afstandelijkheid: bloemen, fraai voorbewerkte wenskaarten, zwijgzaamheid en in het ergste geval met kransen, vooral veel kransen. “Waar is de troost, die je kunt aanraken?”, vroeg Renate Dorrestein zich af.

Bij het thema van de ethische waarden van besturen in de zorg, lijkt dit gedachtegoed van Dorrestein en Dunning welhaast een anachronisme. De wetgever en zeker de markt der verzekeraars, bepalen immers de marges en de eindigheid van zorgmogelijkheden. Nu is dat in de GGZ-context ook alleszins begrijpelijk. Toch kan het institutioneel handelen en de begripvolle omgang met mensen juist daar een boodschap inhouden van hoe men met patiënten, met zorgzoekenden omgaat. Wanneer ik de elf jaren overzie van mijn werkzaamheden in het Vincent van Gogh Instituut, kan ik alleen maar content zijn dat we elkaar op een dag als vandaag nog eens aanmoedigen en begeesteren voor dit uitermate belangwekkende onderwerp. Het komt mij voor dat de afspraken over behandelprotocollen, bejegening, omgang en de uitnodigende attitude tot participatie, het gehalte van de zorg bepalen en daarmee het profiel en de postuur van ons ziekenhuis.

Handkus

Kijk ik terug, dan heeft die attitude aandacht gehad, ook in traditioneel bestuurlijk handelen. Ik zie mij eerst nog terug in de oude bestuurlijke ambiance, onder mijn onlangs overleden voorganger Lambert Laurensse. Links van mij zat de eerwaarde broeder Piet Cortooms en rechts tegenover mij de eerwaarde zuster Joseph Sarto Smits. We hadden nog maar pas afstand genomen van de benamingen huize Sint Servaas voor mannen en huize Sint Anna voor vrouwen. Het heette voortaan PCV, Psychiatrisch Centrum Venray. Ik herinner me daarna van zuster Sarto afscheid te hebben genomen met een mooie toespraak, een boeket en een handkus. Wat kan een man voor een zuster nog meer betekenen? Terugdenkend aan mijn oprichtingswerkzaamheden en voorzittersjaren bij een ander instituut, het NIAD (het toen zogeheten Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs, het huidige Trimbos Instituut), mag mijn Venrayse intrede wel een cultuurwisseling worden genoemd. Maar toen ik na korte tijd het voorzitterschap op mij nam, heb ik het werk ook voor dit instituut als meer dan vervullend ervaren.

Toegankelijker

Achtereenvolgens is de ontvlechting ter hand genomen van psychiatrie en zwakzinnigenzorg. Voor de patiënten met verstandelijke handicaps ontstond hier een nieuw instituut, Nieuw Spraeland genaamd. Ter wille van de afwikkeling van deze de-fusie was het noodzakelijk dat onze Raad van Toezicht in een afbouwende formatie ook daar haar toeziende rol uitoefende. Inmiddels vond een onderzoek plaats naar de waardering waarmee de zorgende omgeving aankeek tegen het psychiatrisch centrum. En toen er mogelijkheden ontstonden, heeft de Raad van Toezicht zich indringend de vraag gesteld op welke wijze ons algemeen psychiatrisch ziekenhuis zich kon toerusten voor een toegankelijkere en sterkere toekomst. Er werd allereerst een nieuwe naam gevonden en een centrale doelstelling geformuleerd. De op kunststof lijkende naam PCV werd vervangen door de tot de verbeelding sprekende naam Vincent van Gogh Instituut. We herinneren ons de tocht naar het gelijknamige museum in Amsterdam en de ontmoeting die we er hadden met een lid van de Van Gogh familie.

Convenant Zorgvernieuwing

Ik herinner mij vervolgens ook de tochten die professor Frans van Wijmen en ondergetekende maakten naar opinieleiders in den lande. We spraken er met Ton van der Grinten en met directeur-generaal Van Londen. We leerden denken in circuits en kwaliteitsinvesteringen op de zorgplek. De organisatieontwikkeling werd op gang gebracht. Op een aantal plaatsen deed dat pijn. Tijdens het bliksembezoek van staatssecretaris Hans Simons aan ons instituut op 8 november 1993, werd onder grote belangstelling het Convenant Zorgvernieuwing ondertekend. Het instituut kreeg een centrale rol in het realiseren van nieuwe vormen van psychiatrische zorg in de regio. Wij hebben toen ingezet op zorgvarianten rond vier Multi Functionele Eenheden  in Noord- en Midden Limburg. Als in een stroomversnelling ontstond toen ook het complementaire initiatief voor de stichting van een TBS-kliniek in Venray. Op instigatie van het Ministerie van Justitie heb ik de voorzittersrol van deze particuliere instelling op me genomen. Het wordt nu pas echt spannend omdat, na de opening door minister Korthals, de eerste patiënten daar enige dagen geleden zijn gearriveerd. De opstart van de regionale GGZ tenslotte, ligt nog vers in ieders geheugen. Onder toeziend oog van de nationale GGZ-voorzitter Eric Jurgens, werd de nieuwe naam Mensana gepresenteerd.

Begripsvolle zorg

Ik verheel niet dat in het vormgeven van deze voortgaande en rusteloze stroom van veranderingen, de toezichthoudende rol bij tijd en wijle moest uitdagen tot meer bestuurskracht. Ik besef dat een aantal mensen dat pijn heeft gedaan. Maar ook hierin heeft de Raad van Toezicht, hoe moeilijk dit soms ook was, haar verantwoordelijkheden niet ontlopen. In de reeks van bestuurlijke handelingen heeft betekenisvol het belang voorop gestaan van onze cliënten. En ondanks het feit dat wetgevers en verzekeraars (zoals ik al zei) de marges en de eindigheid van onze mogelijkheden bepalen, heeft het streven naar kwaliteit en toegankelijkheid, het mobiliseren van patiënten in participatief overleg en een begripsvolle zorg, misschien toch iets zichtbaar gemaakt van wat Renate Dorrestein omschreef als “troost die je kunt aanraken”. Beluister ik nu de bijdragen van de Hooggeleerde inleiders van vandaag, dan zal voortdurende herijking van taakopvattingen, ook door ons als toezichthouders, noodzakelijk zijn. Voor de komende bestuursperiode lijkt mij dat een belangrijke constatering en opgave.

TBS-kliniek

Mijn bestuursperiode zit er nu op. Ze is, met ieders instemming, wat langer uitgevallen dan statutair te voorzien was. Zulks is gelegen in de eerder genoemde opstart van de TBS-kliniek. Het kon niet anders. Het convenant tussen TBS en het VVGI, met zijn FPA-afdeling en professionele populatie, blijft vooralsnog een “Unvollendete”. Dat klemt temeer, wanneer men de departementale opvatting beziet ten aanzien van  de prestatiegerichte TBS-kliniek, met korte verblijfstijden getoetst aan een minimale recidive. Het lijkt mij uitermate gewenst om in de loop van dit jaar daarover in pro-actieve zin, nader afspraken te formuleren. Van TBS-zijde wil ik daartoe graag een inspanningsverplichting uitspreken.

Erkentelijkheid

Voor deze bestuursperiode past mij nu grote dank. Ik spreek die van harte uit naar bijvoorbeeld de Ondernemingsraad, die mij in voorbije jaren uitermate constructief en met grote zorg voor het instituut is tegemoet getreden. Die dank geldt evenzeer voor de Cliëntenraad en de Familieraad. Door hun inbreng en participatie, zo bleek nog tijdens het najaarsoverleg, vindt een voortdurende reflectie plaats op normen en waarden en op de behandelingsafspraken binnen ons instituut. Veel dank spreek ik uit aan opvolgende leden van de Raad van Bestuur. In alle veranderingen is steeds door de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht gezocht naar de coherentie en de bestuurskracht. Ons instituut kon daar wel bij varen. Dank aan degenen die de professionele status van ons instituut uitbouwden tot een ziekenhuis, bevoegd tot het opleiden van psychiaters. En als ik mij richt tot onze medewerkers en leidinggevenden, denk ik met waardering aan hun inzet en ook met veel voldoening aan de nieuwjaarsbijeenkomsten in de schouwburg. Niet alleen vanwege de artistieke prestaties op de bühne (die waren er zonder enige twijfel), maar vooral vanwege het enthousiasme en de bijval onder de aanwezigen. Er sprak spirit uit en grote kracht. Moge dat zo blijven.

Ten besluit

Bovenal zeg ik veel, zeer veel dank aan mijn collega’s in de Raad van Toezicht. Het waren mooie, uitdagende en soms enerverende tijden. Ik zie met grote erkentelijkheid terug op onze saamhorigheid en op de wijze waarop u in grote wijsheid deze voorzitter actief en gelukkig hebt gehouden. Ik neem vandaag afscheid van u. Over enige maanden zal uw Raad de nieuwe voorzitter aanwijzen. Ik dank tenslotte het instituut voor dit seminar, dat een inspirerend en breed doel dient, maar ter gelegenheid van mijn afscheid mocht worden gehouden. Hartelijk dank daarvoor.

  • Deze toespraak werd opgenomen in de tekstbundel, uitgegeven naar aanleiding van het afscheid van B. Fasol als voorzitter.

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

 

 

Verder lezen: