Toespraak van de voorzitter bij zijn afscheid op 29 mei 1999.

Anderlecht!

Mijn oom en tante woonden in Brussel aan de Gentse Steenweg. Die straat, aan de Vlaamse Poort, was een meubelboulevard avant-la-lettre. Tante Paula en Oom Frans hadden er een grote en chique winkel voor “meubles et matelas”. Ze vonden het leuk als ik kwam en mijn aardig en knap nichtje Marienette liet me de grote en donkere stad van na de oorlog zien. We gingen naar La Cambre, naar het Zoniënwoud  en Waterloo. We baden in de Finistère en de Sint-Niklaas. En we gingen naar Anderlecht. Toen nog niet echt geassocieerd met Kriek Bellevue en een groot voetbalstadion. We bezochten er het huis van Erasmus, dat de mooie naam “In de Zwane” droeg. We liepen er zwijgend uren rond. Later, toen ik twaalf jaar oud was, mocht ik er alleen heen gaan met de tram. Zo veilig als wat. De suppoost vond het goed dat ik even ging zitten op de stoel bij de lezenaar in de werkkamer, waarvan men aannam dat de grote humanist er had gezeten. De Erasmus van Holbein keek, meende ik, terzijde zuinig op me neer. Ik ben er later vaak terug gegaan. Meer volwassen, samen met Tilly en de kinderen die me, ook wat dit betreft, wat beter kennen. Later, in mijn tijd in Engeland, bezocht ik bijna als vanzelf ook het graf van Thomas More. The man for all seasons!

Levenslijn

Hij blijft me bezig houden. Een echte wetenschapper ben ik er niet door geworden. Wel is mijn genegenheid gevormd door het patin der tijden. Het gevoel, waarmee je het lot der mensen wilt begrijpen. Erasmus leerde me dat openheid, tolerant zijn, betrokkenheid naar mensen, studie en godsvertrouwen wat met elkaar te maken hebben. Zeker waardeerde ik als Kempense mens zijn verzuchting in Basel, waar hij eens zei: “Ha! Was Brabant maar dichterbij”. Met al deze gevoelens werd ik op een of andere wijze geen econoom, maar politicoloog. Ik werd niets gewichtigs bij Philips, maar werd gemeentebestuurder ten plattelande. Ik werd geen voorzitter van een woningcorporatie, maar van het LGOG. Wellicht hebben oom Frans en mijn nichtje Marienette met mijn levenslot toch wel wat van doen.

Horst

15 oktober 1988 vergaderde het Genootschapsbestuur in Horst, in een etablissement aan het Wilhelminaplein. Na de maaltijd werd het mij vergund het gezelschap met enige welgekozen woorden toe te spreken. En na enige weken kreeg ik Jos Wieland op bezoek, mijn voorganger als voorzitter. Hij nodigde mij vriendelijk uit in het bestuur zitting te nemen. Het was even wennen, maar het werden mooie jaren.

Beleidsnota

Al spoedig moest er, na mijn aantreden, een beleidsnota tot stand komen. Overleg met de gedeputeerde en statenleden rendeerde. Ger Cockelkorn overtuigde me van een nog betere inbedding van het LGOG in de Limburgse samenleving. Met éminence grise De Heus delibereerde ik langdurig over de zin van betere annexen met de plaatselijke en regionale geschiedbeoefening. Al doende ontstond met enige barensweeën een volwaardige LGOG-commissie. En met de eerste Limburgdag, maar vooral met het gedegen door die commissie uitgevoerde onderzoek in het zogenaamde LIEVE-rapport werd hun positie definitief verankerd in ons beleid. Het werd duidelijk dat onze besogne niet gaat over 3000 leden, maar over 30.000 geïnteresseerde mensen – die nadenken over de verbondenheid met hun leefomgeving, over veldnamen, over familieonderzoek en over het tradioneel Limburgs verenigingsleven. Nog vorige week, tijdens mijn bezoek aan mevrouw Houben, de gouverneur van Belgisch Limburg, heb ik haar een exemplaar van de nota aangeboden. Zij heeft mij toegezegd te gelegener tijd een nader gesprek daarover te willen hebben als basis voor een thema-ontmoeting der beide Limburgen in Alden Biesen.

Cultuurnota

Ook de positionering van ons Genootschap in de provinciale Cultuurnota heeft veel aandacht van het bestuur gevergd. Van gedeputeerde Martin Eurlings kregen we de ruimte om mee te denken. Men mag wat dat betreft evenwel nog spreken van een “Unvollendete”. De discussie immers over de oprichting van een Limburghuis, samen met det Sociaal Historisch Centrum en zo mogelijk ook met Veldeke, is nog in volle gang. Indien wij daarin verder komen als een goed gefaciliteerde vereniging en met een provinciaal historisch consulent, mag gesproken worden van een mijlpaal. De discussie in de K.S.C.-vergaderingen over dit perspectief wonnen aan belang.

Kenniscentrum

Ook de voortreffelijke contacten met onze emeritus hoogleraar Ton Gehlen en de huidige bijzonder hoogleraar Louis Berkvens en het deelnemen aan de discussies in het College van Toezicht op hun leerstoel, waren ongemeen boeiend. De activiteiten rond de uitgave van Limburgs Verleden Deel III hebben we helaas moeten opschorten. Maar de vreugde was echt groot toen dr. Jos Venner aankondigde een tweedelige uitgave te willen verzorgen van het Leerboek Limburgse Geschiedenis. Vermeldenswaard is ook dat we in 1993 de honderdste sterfdag van Habets, de grondlegger van het LGOG, stijlvol herdachten.

Lastige discussies

De laatste jaren zijn gedachtewisselingen aan de orde gekomen met een lastiger inhoud. Veelvuldig moest worden gessproken over de toekomst van de LGOG-collectie en met name van de collectie archeologie. De toekomst van de LGOG-collectie kan in beheersopzicht moeilijk worden losgezien van het Limburgs Museum in Venlo. Voor de archeologie-collectie is een voorlopig resultaat bereikt, met de optie deze te behouden voor Maastricht in de nabijheid van de lokatie Bonnefantenmuseum.

Helden

Het waren prachtfiguren waar ik in het bestuur mee te werken had. Ik spreek tot hen een oprecht dankwoord. Zeker naar Ger Colleye, die de lastige taak heeft het velen naar de zin te moeten maken. Zorgzaam en wakend, soms ook de voorzitter plezierend met anekdotische waarheden. De studiereizen van het bestuur hadden onder zijn leiding een uitermate vormende waarde. Dan is daar Jean Pracken, de vice-voorzitter, die in de representerende en representatieve sfeer mij menige tocht naar het Zuiden bespaarde. Gerard Venner vervolgens, de kundige en bevlogen secretaris. Dank ook aan mevrouw Raets, die zich nu gaat inzetten voor de Vlaamse Raad voor het Toerisme. En natuurlijk Phil Huinen. Door alle genootschapsbestuurders gerespecteerd als integer penningmeester, maar ook geliefd om zijn schitterende verhalen over Nonk Sef, oorlogsheld uit zijn jongensjaren. Met het op dreef komen met die verhalen, twinkelden zijn ogen geamuseerd. Je zag het direct: hij wilde eigenlijk helemaal geen penningmeester worden, maar gewoon ook held zijn, ergens in de onbegaanbare grensgebieden der Limburgse territoria. Bedankt Phil en ook een hartelijke dank aan de andere collega bestuursleden. Het waren aangename uren met elkaar aan de bestuurstafel daar in Echt.

Voorzitter

Beste nieuwe penningmeester Martin Simons, beste nieuwe secretaris Ton Hendricks en beste nieuwe voorzitter Joos Truijen. Het tij keert vanmiddag. Jullie kiezen de ruimte om met het LGOG, met zijn leden, kringen, secties en commissies iets moois te ervaren. Op 30 april jongstleden mocht ik met de heer Van Voorst, onze gouverneur, en met Frans Koelman, de LIOF-directeur, Limburg vertegenwoordigen in Antwerpen. Het is inderdaad goed dat Limburg niet alleen door de kracht van geld en economie wordt gerepresenteerd. Het “Trendrapport Limburg” en de nota “Limburg 2030” verkennen voor ons de dilemma’s op dat gebied. Het zijn weliswaar hoofdtrends. Maar ze dagen ons uit na te denken over het Limburg van over twintig of dertig jaar. Spreken we dan nog van kwantiteit of van kwaliteit in het leven? Gaat het dan over zorg of zelfstandigheid? Bieden we jeugdigen voldoende binding in hun groei-jaren en beseffen we dat het gaat om de kleuring van regionale naast grensoverschrijdende culturen? Het LGOG kan in haar maatschappelijke positionering deze vragen niet laten voor wat ze zijn.

Erasmianum

Vorige week nam H.R. Hoetink afscheid als directeur van de Stichting Praemium Erasmianum. Bij zijn afscheid brak hij een lans voor het maatschappelijk “widerstandsfähig” zijn, door open te staan voor de humaniora, dienstbaar te zijn vanuit esthetische en morele waarden, die samenleving en cultuur bepalen. Op scholen en universiteiten, die in toenemende mate vak- en marktgericht zijn, kan het geestelijk weerstandsvermogen in de verdringing komen. Mystici en fundamentalisten maken zich dan meester van onzekere mensen, die in dat spanningsveld slachtoffer worden van hun doorgeschoten relativeringsvermogen. Zonder kennis van het verleden, zegt Roetink, ontstaat er geen perceptie op de toekomst en van ieders positie daarin. Ik sluit me van harte bij zijn waarschuwing aan. Onze doelstellingen, de verenigingsstructuur van ons Genootschap, met zijn kringen, secties en commissies kunnen in dit streven van binding naar samenleving en cultuur van grote waarde zijn.

Alle goeds!

In het vertrouwen dat het genootschapsbestuur onder leiding van Joos Truijen op deze vraagstukken evenwel antwoorden zal vinden met het komen der jaren, draag ik de voorzittershamer over aan de nieuwe voorzitter van het LGOG. De spreuk op onze Habetspenning luidt: “vitam impendere vero”. Dat betekt zo ongeveer: je leven inzetten voor de waarheid. Ze was de lijfspreuk van eerste voorzitter Habets en het zou de lijfspreuk kunnen zijn van zijn latere LGOG-opvolgers. Ik dank het Genootschap voor het vertrouwen dat mij gegeven werd. Ik betuig tenslotte mijn respect aan H.M. de Koningin, die de beschermvrouwe is van ons Genootschap. Het ga u allen goed.

Noten:

  • Lid van het College van Toezicht op de leerstoel der Rechtsgeschiedenis der beide Limburgse Territoria van de Universiteit van Maastricht.
  • Erelid van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Bestuur op 15 juli 1999.
  • Bovenstaande toespraak werd afgedrukt in tijdschrift De Maasgouw, jaargang 118 uit 1999 afl.4,  pag.227-232.

 

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

 

Verder lezen: