Wie ouder wordt, laat dat normaal lange tijd maar zo’n beetje op zijn beloop. Tenminste, als de gezondheid op peil blijft. Dingen komen, dingen gaan, regelmatig ook cyclisch. Dat hoort allemaal zo bij het leven en je hebt daar vrede mee.

Maar er komt in ieders leven een periode dat “de dingen” niet meer blijven komen, maar wel doorgaan met gaan. Die periode breekt voor sommigen (mankerende gezondheid?) onaangekondigd en ongewild aan, voor anderen is die zelfgekozen. In dat laatste geval noem ik dat echt afbouwen. Met dat afbouwen ben ik begonnen bij mijn 70ste jaar. En nu ben ik er zo langzamerhand mee klaar. Een dezer dagen verschijnt mijn laatste artikel in een Engelstalig, buitenlands wetenschappelijk tijdschrift. Ik moet nu nog een bijdrage leveren aan het jubileumnummer van de ‘Vereniging van Leraren in Levende Talen’, die honderd jaar bestaat en waar ik erelid van ben. Iets in de trant van “Vroeger was alles beter” wordt misschien verwacht, maar het wordt waarschijnlijk “Wat was er vroeger nou zoveel beter?”. Afgelopen week heb ik, waarschijnlijk, mijn allerlaatste lezing gehouden. Dat was, heel toepasselijk voor ‘afbouwer’, voor een van de PROBUS Clubs van Venray. Het onderwerp was “Ontwikkelingen in het Hoger Onderwijs”, maar bij de voorbereiding van de tekst werd al snel helder dat ik al tien jaar met pensioen ben: oude stokpaardjes bleken intussen behoorlijk kreupel geworden en konden niet meer met goed fatsoen van stal gehaald worden.

En mijn laatste bestuursfunctie leg ik per 1 juli a.s. neer. Dat is dan tevens de waarschijnlijk meest succesvolle bestuursfunctie die ik ooit gehad heb: voorzitter van de Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek. Ik heb daar al eens in een eerder nummer van de Familiekrant gloedvol over geschreven. Als ik daar hier alleen aan toevoeg dat sindsdien de programma’s nóg mooier geworden zijn, de gecontracteerde musici van nóg groter faam en het publiek nóg talrijker (we hebben nu de topcapaciteit wel bereikt met zo’n 1.100 abonnementen per jaar!), dan is duidelijk dat een mooiere functie eigenlijk niet kan bestaan. Afbouwen, dus, en al die speelvelden overlaten aan degenen voor wie “de dingen nog gewoon komen en gewoon gaan”. Zo is dat en zo moet dat. Erg is het niet, soms wat weemoedig stemmend, maar dat is iets anders dan triest.

Eén functie heb ik nog, zal de oplettende lezer van dit periodiekje nu opmerken. Die van redacteur van de Familiekrant! Maar laat niemand die deze eervolle en vruchtbare taak ambieert, denken dat ik vastgekleefd zit in het pluche van de redactiezetel. Wie haar/zijn schouders eronder wil zetten om de mijne – verzwakt door artrose?- te vervangen, is van harte welkom!!

Theo, Nijmegen, 14 april 2010

Verschenen in Familiekrant Familie Van Els, nr. 21, april 2010.

Verder lezen: