ALLES VAN WAARDE IS WEERLOOS

Lucebert (1924-1994)

 

De vijftigste her­den­king van de bevrijding van Horst op 26 november 1994 in het Gasthoês.

 

Zeer geachte heer Gouverneur.

Hooggeëerde gasten van het voormalig verzet en oud-strijders. Dames en heren.

U kunt begrijpen dat ik mij allereerst graag met een enkel woord speciaal richt tot onze ere-gasten uit Groot-Brittannië.

Dear ladies and gentlemen.

As mayor of the municipality of Horst, it is an honour for me to adress to you words of gratitude on behalf of the inhabi­tants of Horst. Our welcome to you yesterday-evening and the meeting today in the townhall have given you an impression of our feelings of sincere respect, regardless the fact that we count an enormous number of years that passed since the end of World War II and our painfull liberation. Many of the inhabi­tants of those days and many of the soldiers in your ranks, in the meantime passed away. It is a reason more, to recommerate the day of our regained freedom at the 23rd of november in 1944. We have the task to save and cherish that freedom as a treasure that nowadays again is threatened and endangered. People should realize that freedom is not an easy way of live, but rather a feeling of respect to one another. Gratitude for the sacrifices is shown this year in all places. In Normandy, as well as in Arnhem. In Maastricht equally as in Horst. It was a fine moment for all of us, when you placed this after­noon your names in the “book of honour” of our municipality. We will never forget your courage and your sacrifices. Thank you very much! Now, I should like to adress myself in the dutch language to our other guests.

Lucebert

Dames en heren. Ik zou met u willen nadenken over de gedachte die tot uitdruk­king komt in de woorden: “vrijheid is weerloos”. Deze drie woorden, velen van u reali­seren zich dat, roepen herinneringen op aan een veel geciteer­de uitspraak van de in mei overleden dichter Lucebert. In dichterlijk mijmeren sprak hij de zeer ware woorden: “Alles van waarde is weer­loos”. Die het leven voelt en het door­schouwt kan niet anders dan dit bevestigen. Wie kinderen ziet in de toekomst van een grenzeloos maar gevaarvol Europa, wie de oudere generatie ziet aan wie de koestering der jaren onthouden bleef, wie ons onvermogen analyseert om vei­ligheid te brengen in de persoonlijke leefwe­reld en de inter­nationale criminaliteit aan banden te leggen: die be­grijpt en bevestigt opnieuw de dichterlijke pijn.

Vrijheid is weerloos

Ik wil de feestelijke herdenking van vandaag echter niet toonzet­ten in mineure klanken. Het adagium “vrijheid is weer­loos” kan en moet verstaan worden als een oproep tot zorg èn bezinning op een levenshouding. Het Europa van vandaag heeft dat elan echt nodig. Niet steeds denken aan de problemen van tarieven en stelsels, maar veeleer overbruggen wat volkeren nog steeds scheidt. Daartoe behoort ook onze relatie tot vreemdelingen en andere volkeren. Zeker, in deze dagen wordt veel gespro­ken over “vergeven en verge­ten”. Ik wil mij liever niet mengen in die discus­sie. Deze behoort toe aan anderen. Aan hen die de pijn van hun leven nog elke dag voelen.

Voor anderen is dat verleden echter geschiedenis geworden. Geschie­denis van Nederland, en zo u wilt van Duitsland en ook van Vlaan­deren. Daar zitten toch onze directe buren! Die beter zijn, zo wil het spreek­woord, dan vrien­den. En u kent onze opvattin­gen over deze lieden, althans zoals ze bij tijd en wijle door anderen grappend in schampere woorden worden beje­gend. En ik stel de vraag maar: alleen door anderen? Of doen wij dat ook?

De grootheid van de vreemdeling

Hebben wij in de omgang met vreemdelingen en met Duit­sers en Vlamingen ook niet te doen met intermenselijke ethiek, met een “waarde die weer­loos” is? Als we dan toch omkijken in de tijd, zien we dan ook de groot­heid van de vreemdeling Spinoza bij ons en van Erasmus en Rubens in Vlaande­ren of van Goethe en Schil­ler in Duits­land? En is Beethovens’ negende, niet de symp­honische klank die Europa moet begeesteren en de gastvrij­heid van “Alle Menschen werden Brüder” moet geven?

Het is goed respect te tonen voor de heroïsche daden in het recente verleden van 50 jaar terug, maar ook voor dat verre verleden waar, in de toenmalige evenzeer benarde tijden, licht gloorde van blijvend optimistische waarde. Toen humanisten en universele bevlo­genheid de richting bepaal­den van een cultuur, die tastbaar en beleefbaar is tot in onze dagen.

Erasmus en Goethe

Zeker: “vrijheid is weerloos”. Ook nu. Pedant neo-nazisme bekommert zich echt niet om fraaie gedachten. En inter­nationa­le criminaliteit al evenmin. Maar verdeeldheid van volke­ren en gebrek aan waardering voor vreemdelingen en buren, zal into­leran­tie alleen maar voeden. En de vrijheid, hoe kwetsbaar ze al is, nog weerlo­zer maken. Een herdenking als deze mag geen uiterlijk vertoon, geen zwaktebod der democra­tie zijn. Ook nu moet er, zoals in de dagen van Erasmus en Goethe, cultuur geboren worden die gene­raties van volkeren bindt en begees­tert. Een appèl inhouden tot respect voor buren en koeste­ring betekenen voor medemensen. Vertrouwen wekken in een nieuw Europa, waar plaat­sen in de Veilig­heids­raad worden gedeeld of vredes­mach­ten voor bedreigde gemeenschappen gezamenlijk worden toege­rust.

Herdenken is herinneren. Herinneren is bezinnen. Bezinnen is kiezen. Vrijheid blijft in essentie weerloos. Maar ze kan sterk gemaakt worden in de harten der mensen.

 

===

 

IM WESTEN NICHTS NEUES

Erich Maria Remarque (1928)

 

De vijftigste herdenking van de bevrijding van Horst

op 27 november 1994 in de Dekenale kerk.

 

Hooggeëerde gasten van het voormalig verzet en oud-strijders.

Zeer geachte familieleden der gevallenen in oorlogsdagen. Dames en heren.

Vandaag herdenken wij onze meer dan 100 gevallenen, die ge­storven zijn in verzet en oorlogshandelingen: mannen, vrouwen en kinderen. Trouw aan hun nagedachtenis staan we stil bij het offer van hun leven. Het verdriet daarover is blijven voortbe­staan aan de rand van onze herinnering. Een herinnering ver­borgen in onze harten of vorm gegeven in stenen monumenten.

De pijn van de tijd

De generatie van toen is oud geworden. Ik sprak gisteren over hen als degenen aan wie de koestering der jaren onthouden wordt: de dreiging van toen is anders, maar gebleven. Zittend voor de televisie kijken we naar het jachten der vluch­telingen en het verkommeren van hongerige kinderen. Wij spre­ken elkaar daarover aan op hoogtijdagen. Wij kunnen de vrij­heid in onze dagen immers niet zorgeloos vieren, zolang anderen nog gebukt gaan.

Ik denk op zo’n dag altijd met genegenheid aan Anne Frank en Titus Brandsma, die deze gedachte in waarheid ondergingen. Voorbeeld werden van respectvolle integriteit en groot­heid. Ge­groeid ook in de pijn van hun tijd.

Nichts Neues

We lezen over deze oorlogspijn op schokkende wijze in Erich Maria Remarque’s boek: “Im Westen nichts Neues”. Ik kon niet nalaten het in deze dagen nog eens te herlezen. De ver­nieti­gende werking van de oorlog op de menselijke waardigheid wordt in woorden zichtbaar. Hij schrijft aan het front van de Eerste Wereldoorlog:

“De modder koekt aan ons gezicht, we zijn niet meer tot denken in staat, we zijn hondsmoe; – als er een aanval komt moeten we heel wat jongens hardhandig wakker maken zodat ze meegaan; – onze ogen zijn ontstoken, onze handen geschramd, onze knieën bloeden, onze ellebogen zijn beurs. Duurt het weken – maan­den – jaren? Het zijn toch maar een paar dagen. We zien de tijd rondom ons verstrijken in de kleurloze gezichten van sterven­den. Vanuit de aarde en vanuit de lucht stromen krach­ten toe om ons te verweren – vooral vanuit de aarde. Voor niemand betekent de aarde zoveel als voor de strijder. Als hij zich tegen haar aandrukt, lang en heftig, als hij zich met zijn gezicht, met armen en benen diep in haar ingraaft uit dodelij­ke angst voor de beschietingen, dan is zij zijn enige vriend, zijn broer, zijn moeder, hij schreeuwt zijn angst tegen haar uit, en ze hoort hem zwijgend aan, neemt hem op in haar eigen geborgenheid, laat hem weer even gaan om nogmaals te rennen voor zijn leven, omvat hem opnieuw, soms voor al­tijd.”

Aangrijpend is de verlatenheid die spreekt uit de korte zin­nen, die men wereldliteratuur noemt. Opstandig denk ik aan Bosnië. “Nichts Neues im Westen!” zo stel ik bitter vast. Meevoe­lend zie ik de een­zaamheid van de oud-strijder, die tijdens de herdenking op 6 juni van dit jaar wellicht daarover verloren stond te mijme­ren op het strand in Normandi­ë.

Titus Brandsma

Bewogen evenzeer gedenken wij vandaag in Horst onze gevalle­nen. Wij geden­ken alle doden van oorlog en tirannie. Wij gedenken in het bijzonder de joden die in concen­tratiekampen genoemd of naamloos ten onder gingen. Wij gedenken de mensen die in de oorlog hebben gele­den. Wij geden­ken als Nederlanders Anne Frank en Titus Brand­sma in het bijzonder. Wij gedenken de doodgeschoten gijze­laars. Wij gedenken de slachtoffers van verzet. Wij gedenken onze bevrij­ders die ginds in Europa en hier in De Peel op weg naar Horst hun leven verloren.

We denken aan leed door verwonding en verminking, leed ook door bombardementen, leed door vlucht en verlatenheid, leed door verlies van on­schuld. Zelf­verloche­ning werd weer zicht­baar in die dagen. Een helpende hand werd een koes­tering van vriend­schap. Eten, gedeeld met ande­ren, werd een teken van leven. Be­halve te herdenken, past het ons derhalve ook van dank te spreken. Of zoals Remarque het zegt:

Mag luisteren naar het ruisen

“Misschien vervluchtigen de gedachten aan ontreddering, zodra ik weer thuis onder de populieren sta en mag luisteren naar het ruisen van hun bladeren. Het is toch niet mogelijk dat het voorgoed verdwenen is, die milde, zachte onrust die ons hart sneller doet kloppen, die tintelende ongewisheid, die horizon vol beloften, die duizend visioenen van de toekomst, die vervoerende melodie, dat bedwelmende verlangen naar liefde; het kan toch niet waar zijn dat dat allemaal ten onder is gegaan. De bomen staan te pronken in hun met goud doorweven herfsttinten, de vruchten van de lijs­terbes steken rood af tegen de bladeren, landwegen lopen als witte linten naar de horizon en het gonst alom weer van vredesge­rucht.”

Zo is dat: we moeten herdenken en tegelijk vertrouwen hebben. Indringender dan Remarque dat doet, kan het bijna niet gezegd worden.

Dit artikel is onderdeel van de in 2007 gepubliceerde bundel Late Haver.

Verder lezen: